Vorige: Prof. Dr Julius Persyn.   Omhoog: België.   Volgende: Ingenieur Aloïs Van Loy.
Inhoudsopgave   Index


E. H. Cyriel Verschaeve (I. Oorda).


Gepubliceerd op 2 maart 1912

Zijn leven.

Een doodgewoon levensloop van een Westvlaamsch priester: geboren den 30sten April 1874, te Aardooie, in West-Vlaanderen (omgekeerd is Ardooi I. OORDA; 's schrijvers schuilnaam); tot priester gewijd den 12den Juni 1897 was hij sedert 6den October 1896 leeraar te Thielt, van waar hij op 4den November 1911 als onderpastoor naar Alveringhem-bij-Veurne vertrok.
Eerw. Heer Verschaeve was dus gedurende vijftien jaar leeraar aan het College te Thielt. Eene kleine stad: van het baanhof voert een tram met “dierlijke trekking” (zooals dat op de plaatsbiljetten in sierlijk (?) Nederlandsch staat) u naar het College. Daar, zooals in de meest kleinsteedsche college's is er weinig pracht, maar veel degelijkheid en gezelligheid, en de studenten verblijven er om te studeeren; wat in menig leergesticht uit groote steden geen plaats heeft. Voor een denker is een verblijf in dergelijk College wel gewenscht. De straten zijn stil, de menschen ingetogen, de velden liggen dicht en het is gemakkelijk landwaarts te vluchten, in de groene vredezee van oogsten en weiden. En ook de zielen der studenten zijn er nog eenvoudig en rein, 't zijn jongens van ten lande, hoekig en gezond, 't zijn jongens uit de burgerij van Vlaanderen, eenvoudig en rein, onverdorven, vatbaar dus voor edele indrukken, bewondering; geschikte brandstof voor het edel vuur der vaderlandsche blauwvoeterij.
CyrielVerschaeve Eerw. Heer Verschaeve kon geen gewoon leeraar zijn: hij onderwees de Poëzis, daarbij iederen Zondag de Kunstgeschiedenis. Aan spraakkundige verklaringen zal hij, denk ik, niet veel meegedaan hebben. Tekstcritiek, taalkunde zijn niet zijn vak; maar dat hij zijne leerlingen “begeesteren” kon werd mij door een onder hen bevestigd: “hij joeg ons eene koorts naar kunst en schoonheid op het lijf”. Zijne leerlingen dwepen met hem als met Rodenbach ―hij is een groot man, misschien de grootste onder ons― “te lang is onze leeraar onbekend geweest”.

Het besluit waardoor E. H. Verschaeve te Alveringhem werd benoemd, vinden wij allerzaligst. Het dorpje ligt bijna ongenaakbaar-ver van de wereld, op de tramlijn tusschen Veurne en Ieperen. Landbouw is er het hoofdbedrijf. De streek is prachtig. “Daar ziet men nog den machtigen strijd van den wind ―den wind die komt van de nabijgelegen zee― en wolken en weidemisten: een Edda-gezicht”, daar kan de schrijver zich wanen “een oud Moer van Moerland met zijn hoofd vol goden- en orkanenmythen. De streek met haar wildopgeschote boomen, lagen grond, zompen en venen, putten en kreken, is weemoedig grootsch en dor-oud, de eeuwen gaan er niet voorbij, maar blijven hangen boven 't land gelijk de mist boven de weiden”.
Na het gewoon priesterlijk werk: mis lezen, prediken, biecht hooren, kinderen onderwijzen, zieken bezoeken, zal er nog tijd overblijven voor studeeren, schrijven, denken en droomen en in de zalige eenzaamheid zal God wel spreken tot zijn dichter-priester. “Het sterkst staat de mensch... alleen”. “In de zalige stilte spreekt de Heer tot de ziel”.
Eenvoudig zooals zijn levensloop is de verschijning van den dichter. Uitwendig “eene vlakte van vrede”; vrede in het gelaat, den gang, de handeling, de stem. Geene andere golvingen zal men in zijne woorden, zijne voordracht waarnemen dan het eenvoudig gedein van de psalmen. “Gebreidelde zee” zoo bestempelde I. Oorda Rodenbach. Wij zouden van hem kunnen zeggen: “Vlakte van een meer, ziel van eene zee” - die zee leeft in zijn werk.

Zijn werk.

De dichter in zijn studie over Rodenbach heeft mij de taak vergemakkelijkt. De aanhef er van luidt als volgt:


“De Noordzee!
Groote dichters hebben hun naam met de Noordzee verbonden, zoodanig hebben ze haar boven alles bemind en zoo gedurig bezongen... De reden is niet ver te zoeken: in alle liefde is ze dezelfde... Ze geleken op elkaar hetzij in de macht van het geweld, hetzij in de eindeloosheid.
Een echt dichter der zee moet een groot dichter zijn...”

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Gansch toepasselijk op I. Oorda als dichter; hij ook getuigt aan het slot zijner Zeesymfonieën:

“'k Heb haar (de zee) bemind boven al op aarde,
'k sprak haar zoo dikwijls van hart tot hart.
Stormen en driften op ons waarden
even geweldig in macht en smart.”
Meenigeen zal tot mijne mening niet toetreden en ik denk dat Oorda's werk gedurende zekeren tijd een “teeken tot tegenspraak” zijn zal. Het is zoo grootsch voor onze hedendaagse kunsttheoriën. Het gaat er niet over “geur van seringa, roos, meidoorn, herfstbladeren, sterren, bloempjes, zonneschijn - niet over kortstondige stemminkjes... voorbijgaande indrukken... emoties...”
Het is geen werk naar den tijdsgeest. Taal- en rhytmusvirtuosen zullen er ―dikwijls met reden― in gispen; den vorm, het tasten en ronddolen naar het echte woord, de onmacht, troebelheid, soms den wansmaak in de uitdrukking, het hortende, harde, grijnzende der versmaal, het on-nederlandsche van menig woord, menigen zin; langdradigheden, herhalingen...
Zij die kunst wensen te genieten, gezeten in leunstoelen, zooals een havana-sigaar, een kopje moka, of een glaasje whisky-soda; aflikkers van eigen lippen en peuteraars aan eigen zieltjes, liefhebbers van letterkundig suikerzoet, draaiers aan klink-klank-orgeltjes, zoogezegde fijnproevers, leeraars in letterkundige dansen en tuimelkunsten, wandelaars door hoogvlakten en bergstreken met een passer in hun zak en de ziel van een landmeter, laten Oorda's werk maar liefst liggen. Er waait te veel leven in. Er giert te veel storm door. Er bruist een te machtige adem over. Ze zouden erdoor verkouden worden.
Alleen sterke longen kunnen het verdragen.

Weinige gedichten van Oorda zijn verschenen. Buiten eenig schoolwerk, rechtstreeks onder Rodenbachs invloed staande, stip ik aan:

  • De Vlaamsche Vlagge. (1894-1895)
  • Noordzee-schoonheid. (1895-1896)
  • Kerstnacht.
  • Gemoeten van St. Lodewijks-college.
  • Lentenachten. jaargang 1896-1897
  • Uit Herred. een dramatisch fragment
  • De dichter en het lied.
  • Aan mijnen vriend.
In “Ons Leven” verschenen:
  • De Wind van Vlaanderen. (1897-1898)
  • Aan de Vlaamsche Vrouwen. (1907-1908)
In “Dietsche Warande en Belfort”:
  • Uit Lyrische gedichten over de Liefde.
In “Jong Dietschland”:
  • Zeesymfonieën
De dichter voelt het leven der zee in zijn leven overgaan en werpt het zijne terug in het hare. Alleen met het woord Liefde kan de mensch antwoorden op de woelingen der zee. Naar licht zwoegde zij in hare eerste beweging, doch het trok voorbij (1e symfonie); dan wendde zij zich naar de aarde. Dit geeft een oogenblik bedwelming (2e symfonie). Doch ook die begoocheling valt in doode wanhoop neder (3e symfonie).
Het antwoord van den mensch op de symfonieën der zee is eene symfonie van machtige liefde (4e symfonie). Liefde echter die 't laatste einde wil bereikt de mensch op aarde niet; doch liefde kan en moet immer streven en strevende liefde is hoop 95e symfonie of symfonie der hoop).
Ik ken geen zeegedicht dat, wat de opvatting en het heerlijk symbolisme betreft, met “Zeesymfonieën” gelijk staat. “Aan Beethovens werk is dit werk gelijk”, schreef mejuffer Belpaire. Een ander bewonderaar vat het aldus samen: “Oorda heeft het groot en edelvoelend Vlaamsche volk gevoerd tot een hoogte die ook in wereldtalen niet of slechts ternauwernood werd bereikt.”

Lodewijk Dosfel



Vorige: Prof. Dr Julius Persyn.   Omhoog: België.   Volgende: Ingenieur Aloïs Van Loy.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009