|
I
't Zijn geringe menschen. Ze loopen als verloren in de woeling van de
stad, en ze voelen zich maar veilig op hunne schuit, liefst binst de
koele, kalme nachten. Ze wonen in kleine huisjes, ievers langs de
kaai, op de vesten, in eenzame wijken of verlaten straten. Rijk zijn ze
niet. 't Meestendeel krijgt ge nog in 't geniep van den disch; zij
hebben geenen eergierigen aard. Nochtans, te beklagen zijn ze ook
niet, ze doen stil voort, en allen hebben in eigendom hunne schuit en
netten ―een kapitaaltje van rond de zevenhonderd frank― en ook in
't algemeen nog “een boekje op den post”, waar 't bedrag van een
nieuwen boot ingeschreven staat. Eenigen zijn zelfs “burger” en
hebben hun huizeken in bezit. Dit zijn de ouderen, die nog in den
“goeden tijd” begonnen zijn, over jaren, en geleefd hebben als arme
dutsen, de laatste brokke brood uit den mond sparende; en niet
overlast en “opeten” geweest zijn door de jongens, want bij hen
brengen deze toch nooit op, 't geen ze gekost hebben, daar zij, pas in 't
verdienen van hun brood, de zaken alleen ondernemen en even gerust in
't huwelijks- dan in 't visschersbootje stappen.
Ze leven onbekommerd om den dag van morgen; ze gaan door de dagen in eene
simpele onbewustheid van de levenszorgen, en... ze werken hen niet
dood! Slenteren langs de kaai, of, binst den avond, pijpen zitten
dampen op de vensterzulle van 't kassijn, buiten de armen
gekruist, de beenen idem, en paffend in zalig genot.
Moeder de vrouw troont dan op den voordeurdorpel, plat gezeten, de
knieën opgetrokken en de armen errond geslagen. 't “Nest”
kinders, dat ze gewoonlijk kweeken, ravot en mooscht op de strate in de
goot, of in de kamers, zonder dat ze in iets gestoord worden... indien
't niet te verre gaat... Dan kunt ge de stem van moeder hooren sakkeren
en 't “kloef argument” doet dan gewoonlijk zijn dienst op kop en
schouders van hun afstammelingen... De man ziet er niet naar, moeder
moet de klenen opvoeden, 't is haar plicht; ze heeft niets anders te
doen. Ze moet enkellijk zien, dat ze later jongens worden lijk boomen,
die hunnen man kunnen staan en niet verlegen zijn van eene takeling.
Hun leven is als een veld, waar weelderig groeien al de mannelijke
hoedanigheden, maar ook wild tieren de vele onaangenaamheden van
hunnen tijd, die later als zooveel onkruid hunne innigheid en hunne
goede hoedanigheden zullen overweldigen. Jammer is 't; want dit
visschersvolk is zoo'n goed volk, zoo vatbaar voor edele
gevoelens... doch ze staan alleen, en hunne schuld is 't niet.
II
Hunne huizekens hebben al 't
zelfde uitzicht. Laag gezakt, de
euzie1 dalend tot boven het eenig venster,
gestoken in de geelgekalkte muur, met twee groen-witte
vensterblinden. Kleine gordijntjes voor de ruiten en op de
binnentablet drie, vier potten bloemen: geraniums,
klokskens, wijde papaverbladen en
trosbellekens.
Ge moet stuipen om binnen te komen. Een nauwe gang, waarin
dooreengeworpen staan: vischmanden, netten, gebroken hendels,
versleten “beunders”, emmers en dies meer. Een houten trap,
die men optrekken kan, leidt naar de zoldering, waar de kleinen
slapen, ondereen. Ze hebben allen een klein “achterplekske”, waar
ze wat groensels kweeken; langs de muren staan de konijnenkoten, en
dikwerf van boven op 't dak ontwaart ge een gerievig
duivenslag.
Langs achter is de keuken. 't Ligt er al dooreen, potten en pannen,
stoelen en zitbankjes. De stove blinkt in 't midden en op de schouwe een
koperen Kristusbeeld beschermend met zijne wijdopene armen.
Van voren is de “schone kamer”, waar man en vrouw slapen, ordelijk
ingericht! Een ouderwets kaske waarop heiligen beelden onder groote
glazen, met roode bandjes errond. De groote trouwkas, glinsterend
gevernist, staat te blekken in een insprong. Voor de schouw, in
strepen geveegd wit zand. Op de schouw-tablet, weer een
Kristus-beeld, nog eens heiligenbeelden, met van weerszijden een
steenen mannetje of een steenen vrouwtje: “De Geliefden”. Eene
alkoof is er gewoonlijk bij. Er voor hangen de wit-blauwe gordijnen
van boven met een grooten strik vastgesnoerd. De zoldering uit ruw
hout is netjes geschuurd; een lastig karweitje alle drie maanden voor
de vrouw. In 't midden, aan den dweerschbalk vastgesnoerd, hangt een
klein schuitje, gesneden uit een blok dennenhout. 't Is het
prutselwerk van den man in de lange winteravonden. Langs de wanden:
schel gekleurde heiligenprinten verbroederen met “kopjachten”
en “veldslagen”. Alles is zindelijk: de schoongeveegde vloer uit
blauw en roze ticheltjes en de witte netgekalkte muren.
Die kamer gebruiken ze maar in buitengewone omstandigheden: binst de
kermisdagen, als er overkomste is, bij de plechtigheid van den doop
―minstens alle twee jaren― en van het huwelijk.
Op het voorland of voetpad, doet den man zijn werk: zijn netten breien
of vermaken, de bendels vastsjorren, kortom al 't noodige voor zijn
schuit.
Zoo slijten ze hunne dagen in de kalme rustigheid van dees aangename
plaatsen.
III
Goed volk is het, gemeenzaam, vriendelijk. Niet heel spraakzaam; ze
leven iets of wat op hun eentje. Boos is het niet; wat ruw en opvliegend;
dat komt uit hunne gewoonte van leven; maar de grond is vatbaar voor 't
goede en ze geven 't dan ook uit...
Uit hun aard zijn zij afgetrokken en stil. Ze gaan, liefst alleen, hun
wegen en zijn tevreden en gerust met hun zelven. Onder elkaar spreken
ze altijd over de vangste, het vischweer en 't water. Soms over hunne
aardappels, als ze een brokje land bedrichten. De vreemde kwesties
van den dag gaan hun ongemerkt voorbij. 's Zondags zitten ze dan,
stilzwijgend en scherpluisterend, in de herbergzaal er naar te
horken om het 's anderendaags weer vergeten te hebben.
Onbekommerd slijten ze hunne dagen. 't Bijzonderste is: dat ze maar
aan hun brood geraken ― 't andere kan hun niet schelen. Hun uiterlijk
is als hun inwendige. Simpel aangedaan; in de week met dymitten
broek, een saieten baai of ondervest, een paar klompen of
“kloeffen”. 's Zondags, een blauwe wijde opgesloofde
broek2, een blauwe baai en een blauwe, zware winterveste; op 't hoofd
eene klak met harde klep, schuins opgezet, en aan de voeten groote
baggerschoenen.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Ze kunnen, heele dagen alleen, op hun
boot zitten prutsen, in
winter- als in zomerweer. Als 't te heet is, luieren ze bij de kaai in 't
gras, spreken weinig en bijten gestaag op lange graspijltjes; of ze
zitten op de ijzeren leuningen langs de sassen en blikken doelloos in
't water. Ze zijn dat zoo gewoon te doen van in hun jongsten tijd en zoo
zullen ze voortleven tot hun ouden dag. Effen is hun gelaat, effen als
hun binnenste. Het wezen altijd geschoren, baard of snor ziet men bij
uitzondering, en in de ooren bengelen de zilveren of gouden
ringetjes.
Godsdienstig zijn ze allemaal. Dat ligt in de traditie, en dat getuigt
hunne devotie voor de beelden... Nochtans, ze loopen er niet mee te
koop. Ze houden hen tevreden met 's Zondags eene vroegmis te hooren in
weekedaagsche klederdracht. De vrouwen zijn inniger. Alle dagen
gaan ze naar de mis en den Zaterdag branden ze keersen in de luchters
voor de “O. L. Vrouwe van den Nood Gods”. Ze vereeren in dit beeld,
devotievol, de Moeder Gods en niemand zal 't hun afnemen.
De jongeren volgen, maar allengskens in onzen tijd, geraken ze buiten
die algemeenheid, en eens dat ze de twintig jaren bereikt hebben,
trouwen ze en gaan hun eigen wegen. Gelukkig als ze dan een kristelijk
vrouwtje huwen.
IV
Hun visschen bestaat
hoofdzakelijk in het gebruiken van het kruisnet. 't Is een
vierkant net, gewoonlijk 4 meters breed op 4 meters lang. De mazen zijn
gebreid met fijn en dun garen, en vervaardigd met de zoogezegde
“palingsteek”; opening waar nauwelijks de kleine vinger
doorkan. Dit kruisnet is vastgemaakt op de vier hoeken aan twee
overeen gekruiste stokken, “bendels” geheeten. Drie, vier
zware ijzeren bollen doen het in den grond zinken en 't wordt dan
opgehaald langs eene lange staak bij middel van een kleine katrol.
De vangst bestaat bijzonderlijk uit: paling, buts, spiering, en
andere kleine visch. In het seizoen (September - Maart en April) gaan
ze op vangste naar de “gullen”, soort van wijting. Daarvoor
moeten ze tot 't einden de havengeul, aan 't “havenhoofd” in de zee
varen.
Wanneer visschen ze? Bij kalme avonden met maneschijn ofwel bij
regenachtig weer; binst den dag niet veel. Ook als het tij opkomt. Dan
liggen ze met twee, drie booten nevenseen en sluiten zoo de geul af. Ze
visschen langs den kant waar 't water stroomt. De visch wordt
meegevoerd mat den vloed en komt zoo in hunne netten terecht. Ook als
het tij afgaat en het “water loopt”. Dan liggen ze bij de
sassen, die 't overtollige water
uitspoelen en zoo ook de visch.
Zoo verdienen ze hun dagelijks broodje. Nu schaars, dan overvloedig.
Toch hebben ze niet te klagen. In 't jaar komen voor hen ook
buitengewone kansjes. Zoo 't seizoen van de gullen en bijzonderlijk
't seizoen van de paling, rond “Bamisse”, halverwege October
tot November. Dan “scheppen” ze de paling, en, als 't goede jaren
zijn, is het niet te verwonderen als ze in een nacht bij de honderd kilo
opvisschen. Dat is hun “appeltje voor den dorst”.
Daarnevens hebben ze ook hun lastige dagen. 't Gebeurt dat ze weken aan
een stuk visschen en slechts pieterige beestjes ophalen. De kleine
paling wordt in de “beunders” gedaan, waar ze zullen gedijen en de
kleine buts wordt gedroogd, en verkocht vijftig centimen voor een
honderdtal.
Dan ook hebben ze slechte nachten, binst dewelke zij visschen en niets
verdienen; 't moet hen op de zenuwen werken dan ―in de stilte rondom
hen, met het duistere, boven en onder hen, en, ginder hooge, de
lachende maan― als ze een ganschen nacht 't net laten zakken en
ophalen, onophoudelijk, en slechts... zilveren waterdroppeltjes
visschen, die vonken in het licht van de bleke schemering...
Nochtans, ze weten dat hun bedrijf 't hun meebrengt, en ze gedragen er
zich naar. Ze hopen! Best zoo!
V
“Typen” onder dat volk kunt ge gemakkelijk herkennen. Ze dragen
―bijzonderlijk de oude― al de eenvormige kenteekens van hun
bedrijf. In hun spreken zijn ze stuur, inhoudend kort. Klagen doen ze
meer dan boffen. Ze hebben een... lastig leven! Moeilijk tot te komen!
Hunne gelaatsuitdrukkingen verraden nooit wat in hen omgaat. Ze zijn
koud; koel als 't water dat ze bevaren.
Hun gang is loom, waggelend. De beenen stijf, wijd-open. De rug
gekromd, breed en bonkig. Een hoekig gezicht, bolle kaken, rond de
oogen liggen roode randen. Dikwijls in den mond een kort, zwart,
doorgerookt pijpke.
Ze oefenen hun bedrijf uit zoolang ze kunnen. Hebben ze 't niet noodig
om te leven, ze doen 't voor 't vermaak en uit goeste. Zoo heb ik hem
gekend, den “ouden Pier”...
Bij de tachtig en ging hij alle nachten
nog op de vangste. Hij was opgedoffeld in zijn “oliegoed”. Hij
leefde met zijn vrouw heel alleen, gezapig lijk twee goede oudjes. Hun
twaalf kinders waren allen getrouwd... Ze moesten hem niet
ondersteunen, hij kon nog zijn broodje zelf verdienen.
De menschen zegden: Pier heeft 't niet nodig; Pier heeft ze zitten; bij
Pier ligt de ponke!... Mietje, zijne vrouw,
gebaarde van geen eentje, kloeg putten in den grond, lamenteerde op
den goeden ouden tijd... Ze droeg, wekedag en zondag, 't zelfde goedje
met de witte pijpmuts op, en de gekleurde falie aan, als ze samen
uitgingen. Ze sleten hun dagen, eenvormig, geregeld lijk een van over
jaren vastgesteld bestaan.
Pier had altijd tegenslag, ving nooit iets. Hij beklaagde zijn kwaad
gesternte. Zekeren morgen kwam hij naar huis, den korf op den rug. Ze
vroegen hem op de kaai: “Wel gevangen dezen nacht, Pier?” Hij zegde
dof, zonder opkijken: “Geen nagel! Geen nagel!” Hij stapte door.
Plots hoorde hij achter zich een zonderling gegichel, en eene
scharreling van menschenhanden op de straatstenen. Hij keerde zich
om. Een gansch zootje paling lag op de steenen. Zoo rond de twintig
kilos! Rap betast hij zijne korf en och heere! 't “gat” was
uitgevallen van 't gewicht van den visch. 't Was zijne vangste, die
daar spartelde.
Hij had geen nagel gevangen! Geen nagel gevischt! Raar volk toch! Ze
stierven alle twee korten tijd nadien en... ze vonden er een ferme
ponke!!!
Juul Filliaert
|