Vorige: Paascheieren.   Omhoog: België.   Volgende: Natuur.
Inhoudsopgave   Index


Blankenberghsche Sage.

Gepubliceerd op 29 juni 1912

Oorsprong, volgens de legende, der lapnamen bij onze visschersbevolking.

Aan Mr Achiel de Reyker

SelmVanNapoleons 't Is algemeen geweten dat, om zeggens, ieder Blankenberghsche visscher een bij- of lapnaam draagt. Den eenen heeten ze Spelle, den andere Tabel. Deze is Keerse, en gene is Schele musche. Nooit zult gij een visscher door zijne maten of gezellen bij zijnen eigen en waren naam hooren noemen. De familienaam is volstrekt onbekend...

Zoo komt het dat het postbeheer, in het visscherskwartier, zooveel onbekende brieven telt. Zet immer een volledig adres, met naam en toenaam en volledige thuiswijs op de brief dien gij den visscher stuurt, zooniet blijft hij verloren liggen, of krijgt ge hem terug.

De bijnamen zijn zoodanig in zwang en gebruik dat er zelfs vele visschers zijn ―vooral de jongere― die hunnen eigen familienaam noch kennen noch bevroeden.

Het volgende komt mij onwillekeurig te binnen: 'k zat in de lagere school en een nieuwe leerling kwam binnen. 't Was een “visschersjong”. De meester vroeg hem zijn naam. “Tabak”, zei de jongen. “Jamaar,” hernam de meester, “hoe is uw eigen naam?”. “Tabak” antwoordde de knaap. En niettegenstaande de aanhoudende vragen van den meester, welke dien naam niet natuurlijk vond, wilde hij van zijne beweering niet afzien. De jonge visscher had zich altijd Tabak horen noemen, en wist niet dat hij nog een andere naam droeg.

HavenhoofdVanBlankenberge StadhuisVanBlankenberge OudeKerkVanBlankenberge



Vanwaar komen die lapnamen? Hoe werden zij in het leven geroepen? Luister naar wat de sage zegt:

AanDenVoetVanDeDuinen WaarinEeneToverheksZat In de jaren zeventien honderd en zooveel, stond er aan den voet van de Blankenberghesche duinen, oostwaarts weg, een hutteke, waarin eene toverheks verscholen zat. Niemand zou het gewaagd hebben langs daar voorbij te trekken; want hij was zeker betooverd te worden door het helsch venijn!

Reeds lang duurde die schrik, toen zekeren dag, in 1791, een geweldigen storm losbrak. 't Was een dier naajaarsche orkanen, die immer zooveel schade berokkenen. De golven waren zoo groot dat ze tot Uitkerke gezien werden! De daken der huizen werden voor 't meerendeel afgeslingerd; sommige hutjes of kotjes waaiden omver; de hut der heks zelf werd teenemaal vergruisd: het uitspuwsel lag onder de puinen begraven...
Nu was het alom feest te Blankenberghe. Al de inwoners kwamen hunne vreugde luidruchtig uitschreeuwen rond de verwaaide tooverhut. Men danste en zong tot laat in den nacht! Des anderdaags kwam men even terug, want de verlossing was te groot om die maar een dag te vieren! Opeens, terwijl daar iemand in de overblijfsels der hut roerde, kwam uit de puinen een zwart hondje geloopen, met bellen aan den hals, dat, naarmate het verder liep, merkelijk in grootte toenam; het riep voortdurend “roes! roes! roes!”. Zoo kreeg het den naam Roeschaard...
't Werd algemeen aangenomen en gevreesd dat de heks in een dier veranderd was!...

Van dien dag af vertoonde Roeschaard zich onder alle gedaanten midden de Blankenberghsche bevolking en vooral onder de visschers. De hond veranderde soms in een kat, dan in een ezel en dikwijls in een visscher. Dikwijls gebeurde het dat hij de nachtrust onzer zeelieden storen kwam door te roepen dat er een storm op handen was. Andere malen sleurde hij kleine kinderen weg, en 't gebeurde zelfs dat hij zich in de besprekingen der visschers bemoeide.
Een woord verried echter Roeschaard; 't was de de naam van den Almachtige, dien hij onmogelijk naar behoren kon uitspreken; hij noemde hem altijd Pot. Daar moet toch iets van die legende waar zijn, meenen de visschers, want ten huidigen dage nog hoort men onder de visschers zeggen “Potdomme!”, “Potverblomme!”, enz... 't Is, zoo denken ze werkelijk, een laatste spoor van Roeschaard...

Vooral visschers moesten het ontgelden. Lag er een klein schuitje 's nachts kalm op zee, dan zag de waker den Roeschaard plotseling verschijnen. De kwelduivel kroop langs den zijkant uit de golven op, en deed door zijn zwaarte het vaartuig zoo sterk hellen, dat het bijna omsloeg. En met zijn geweldige “roes! roes! roes!” sprong hij dan weer te water.
Trok men het net op, ten vischtijde, dan zat den Roeschaard er niet zelden in. Schaterlachend verscheurde hij de mazen en verdween in zee.
Maar ook de visschersvrouwen ondervonden zijne plagerijen. 't Gebeurde dat er een kindje erbarmelijk nevens eene hut lag te schreeuwen. Een medelijdende vrouw nam het wicht op en verzorgde, haaide en laaide het, totdat... O schrik!... Wel Heere!... de vermeende vondeling luide begin te lachen, en met den kreet van “roes! roes! roes!” door de schouw verdween!

MenSprakVanNietsAnders EindelijkVerscheen Men sprak op den duur van niets anders meer, dan van den Roeschaard en zijn kwade perten. Moet er nog gezegd worden, dat de Blankeberghenaars waarlijk hun leven vergald zagen en dat spel moe waren?
Eindelijk kwam er uitkomst! Eindelijk verscheen er een man die beweerde aan de helsche kracht van den Roeschaard een einde te kunnen maken en den kwelduivel onschadelijk te leggen; die man was een vreemdeling, die een huisje bewoonde, dicht bij de plaats waar de vroegere tooverhut stond. In dit huisje had hij een altaar opgericht, waarop een groot boek lag en eene toverroede rustte, die, in 't uitoefenen van zijn ambt onontbeerlijk bleek. Nadat hij eenige dagen in zijn wonderboek gelezen had, in der werkelijkheid, vertoonde Roeschaard zich niet meer te Blankenberghe!

LangeWapper Nu kwamen de visschers bij den man om hem te bedanken. Wilde men voortaan bevrijd blijven van den kwelduivel, 't was volstrekt van noode ―zoo sprak hij― van naam te veranderen. Wie eenen lapnaam droeg en bleef dragen, bleef ook van Roeschaards plagerijen verschoond. Iedereen wilde 't gaarne wagen.
En, daad bij raad voegende, begon onze vreemdeling al ons visschersvolk te herdoopen met zeewater, en gaf aan elk eenen anderen naam, waaronder Roeschaard de visschers niet meer zou kunnen herkennen. Hij sprak, al doopende, de volgende woorden uit:


Ik doop u,
En Roeschaard,
Die leelijkaard,
Keere zich om,
Romme, dom, dom,
Uw naam is

(Dan zegt men den lapnaam)



Van dan af ontstond het gebruik de visschers te herdoopen; doch, daar Roeschaard weldra heelemaal was vergeten, bleef ook later in die plechtigheid geen enkel spoor van hem meer over. De doopverzen verliepen met den loop der tijden tot iets onkennelijks, dat gewoonlijk luidde in volgende voege:


De olme dol, de versche dol,
Den Edelbot, den Advokaet,
Waer 't water in gaet, Uw naam is...

Heden ter dage echter, is het gebruik de visschers te herdoopen verloren gegaan; de lijst der lapnamen zal dan ook waarschijnlijk geen uitbreiding meer vinden; maar de bestaande bijnamen gaan over van vader tot zoon. De naam van den zoon wordt gevormd eenvoudig door bijvoeging van zijn voornaam bij dien van den vader.

Kloefe heeft als zoon b.v. Sjef van Kloefes, Cis van Kloefes, en 't kleinste kind heet Kloeftje. Moest het gebeuren dat Sjef van Kloefes later dan ook trouwt en een zoon krijgt, dien hij onder het patroonschap plaatst van den H. Jozef, dan zou die zoon Sjef van Sjefvankloefes genoemd worden.

Lichaamshoedanigheden kunnen ook wel den naam vormen, als de Lange van Kloefes, de scheele, de dikke, de magere ― al de hoedanigheden die bij den naam van den vader gevoegd worden.

Hetzelfde gebruik blijft bestaan bij de andere Vlaamsche stammen, wier oorsprong in de oertijden verdoold loopt; wondere stammen, vreemdsoortige menschen, die, ondanks hun samenwonen met de overige Vlamingen , eeuwen lang ―ondanks dagelijksche gemeenschap met het ganse Vlaamsche volk― toch half afgezonderd blijven en, ondanks alles, hunne eigenaardige gewoonten blijven behouden.

Van dat slag zijn, buiten de visschers onzer kust, de Schouten te Ledeghem, de Turken te Meulebeke, de Nieuwmartenaars te Rousselaere, en bovenal misschien nog de Buschkanters of Buschkijten van Hulsthout en Tereerst ― die daar ten boorde nu wonen, en vroeger midden in het Vrijbos in West-Vlaanderen, en niets anders zijn dan een “gekappeld” en gemengeld overblijfsel van de vroegtijdige bevolking der West-Vlaamsche streek.

Blankenberghe.

Juul Tavernier



Vorige: Paascheieren.   Omhoog: België.   Volgende: Natuur.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009