|
Een der grootste aantrekkelijkheden van Brugge zijn
ongetwijfeld de menigvuldige kanalen, welke, gevormd door de
Reye en de zijarmen der stadswallen, dateerende uit de XIe
eeuw, de stad in alle richtingen doorkruisen.
Omzoomd door verschillende kaaien, monumenten en boomen, die
zich weerspiegelen in de stille wateren, geven zij ons
allerprachtigste panoramas te aanschouwen.
Veel aantrekkelijkheid hebben deze binnenwateren nog
bijgewonnen, toen men in 1911 de gelegenheid openstelde om ze
met roei- en motorbootjes af te varen en te zien, hetgeen dan
ook een geweldigen bijval verwierf. In 1911 maakten niet minder
dan tien duizend personen zoo'n boottochtje, terwijl in 1912,
niettegenstaande er geheel den tijd een echt hondenweer heeft
geheerscht, dit cijfer nog werd overschreden.
Deze bijval getuigt dat deze kanalen groote waarde hebben en dat
het van groot belang is om ze ongeschonden te bewaren en in
stand te houden.
Prachtige zichten vertoonen zich aan het bewonderende oog van
den waterreiziger.
Nu vaart men onder boogvormige steenen
bruggen, dan tusschen hooge holklinkende muren; nu onder een dak
van looveren en bladeren, dan voorbij de geheimzinnige blankheid
eener groote zwaan. Altijd zijn de zichten afwisselend, nooit
hetzelfde, immer schilderachtig, zonder weerga.
Drie gevaren echter bedreigen deze prachtige kanalen, namelijk,
de bezoedeling van het water, de slijkophooping en de
schendende hand der oeverbewoners.
Het zou dwaas zijn te beweren dat genoemde bezoedeling voortkomt
van het water van de stad Brugge. Zij komt enkel van de hennep-
en vlasweeking in de Leye en van
de verschillende fabrieken in het Noorden van Frankrijk aan
de boorden van de Spier. Deze bevuiling is in den zomer een
ware plaag voor alle rivieren van Vlaanderen, die in verbinding
staan met Gent, èn voor het leven in het water zelf èn
voor de aantrekkelijkheid der rivieren. De lichamen die hieraan
verbetering kunnen brengen zijn de Spiercommissie ―in
werking sedert 60 jaar― en het Beheer van Bruggen en Wegen.
De slijkophoping heeft vooral plaats in het gedeelte dat aan de
stad Brugge toebehoort. Het gedeelte dat van Bruggen en Wegen
afhangt, en bevaarbaar en met kaaien omgeven is, is veel beter
onderhouden.
Om hierin verbetering te brengen zou het voldoende zijn de
aandacht van de stad te trekken op het ongeduld der bewoners van
dat gedeelte der stad, om krachtiger in te grijpen, dan tot hier
toe gedaan is.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
De langzame inpalming door oeverbewoners is nog het grootste
gevaar. Men noemt het dikwijls verzanding, omdat het een
bezinksel van water is, maar men heeft ongelijk, want al het
vuil dat de kanalen met den dag ondieper maakt komt van boven,
van de bewoners der private huizen, die als regel hebben
aangenomen: “Alle vuiligheid in het water smijten”.
Alle mogelijke afval wordt er in de kanalen gegooid; aarde,
slijk, glas, lappen en vodden, in één woord: alles waar men
slecht kan afraken bij de vuilkarren der stad.
Een spoorslag hiervoor is nog het vooruitzicht om alzoo zijn
eigen grondgebied uit te breiden. Weldra rijst hier en daar een
paal, eene omheining, een boompje, wat struikgewas of
brandnetels en de uitbreiding hunner bezittingen is verzekerd.
Alzoo hebben de kanalen op een derde van hun loop reeds meer dan
de helft aan breedte verloren en elken dag nog worden ze smaller
en smaller. Wat het ergste nog is, is dat het juist de meest
schilderachtige gedeelten zijn, die nl. welke liggen aan de
steenen bruggen. De tijd zal niet lang meer uitblijven dat de
bootjes er niet meer door kunnen, want het is natuurlijk, dat
met de versmalling ook de ondiepte aangroeit.
De oeverbewoners moeten zich nu echter geen illusie maken en
moeten niet denken, dat ze in hun recht zijn, want te Gent heeft
men reeds lang aangekondigt, dat al de oeverbewoners van de Leye
geen enkel recht hebben om daar eenig gebouw neer te zetten.
Men moet daar eerst vergunning vragen en men zorgt wel dat er
steeds beslist geweigerd wordt een gebouw, ook het meest kleine,
op te trekken.
De Staat kon hierdoor een toezicht instellen, dat in de toekomst
alle verdere inpalming zou beletten. De kwestie is dringend,
want eerstdaags zou men voor een voldongen feit kunnen staan, op
dezelfde manier als met de schilderachtige stadswallen, 16 jaar
geleden op meer dan 300 meter vernield, en waarvan elkeen de
verdwijning betreurd.
We geven hier twee voorbeelden. Vermelden we eerst de
Leeuwenbrug met 3 bogen, waarvan de
twee buitenste bogen dienst doen als magazijnen. Vervolgens het
kanaal achter de Sleutelbrug, waar
de eigenaar in 1911, die eenen kelder moest graven, de aarde en
steenen hiervan in het water stortte. Deze aarde ligt verder dan
op de helft der breedte van het kanaal in het water!
|