|
In het voorwoord van zijn boeienden roman Trimards,
zegt Edward Vermeulen, en wel terecht, dat het spijtig is
het uitmuntend “Werk der Bescherming onzer Vlaamsche Uitwijkelingen naar Frankrijk” zoo in den donkeren hoek geduwd
te zien!
Kan hetzelfde niet gezegd worden van een ander werk, dat even
verdienstelijk is, dat eveneens op maatschappelijk gebied een
der eereplaatsen bekleedt, en dat aan onze Vlaamsche
stamgenooten onschatbare diensten heeft bewezen? Wij bedoelen
Het Werk der Bescherming der Landverhuizers naar Amerika, door het Genootschap van den Aartsengel Rafael.
Het is ons overbekend dat het verhuizen naar andere landen de
laatste jaren snel is toegenomen, doch, wat wij minder
vermoeden, zijn de menigvuldige kwalen, welke iedere uitwijking
met zich mee sleept, met name het groote verderf naar ziel en
lichaam, dat den uitwijkeling beroert en helaas reeds zoo menige
slachtoffers heeft gemaakt.
Wee den eenvoudigen buitenmensch, die zijne geboortestreek
verlaat en, op goed valle 't uit naar Amerika afreist,
zonder juist te weten waar hij heentrekt, die met blij gemoed
den verren tocht aanvaardt, steunend op eigen krachten,
mangelend alle verdere hulp.
Nauwelijks bereikt hij de plaats zijner inscheping of daar
rijzen de hinderlagen en valstrikken overal rond hem op.
Een wolk van roofvogels, lieden zonder geweten, wachten hem af,
bieden hem in vleiende en vriendschappelijke taal hunne diensten
aan, zullen, mits eene geringe belooning, hem alles bezorgen,
hem overal op den rechten weg helpen.
De onwetende en lichtgeloovige landman betaald veel te veel voor
de overvaart, laat zich eene kaart van derde klas in plaats van
tweede opdringen, kiest het schip uit dat men hem aanwijst, en
betaalt in alles en voor alles de hoogste en onredelijkste
prijzen.
Als de afvaart denzelfden dag niet geschiedt, dient men een
onderkomen voor den nacht te vinden.
Gaarne belasten zich onze roofvogels met deze bezigheid en
brengen hunne slachtoffers in kroegen waar ontucht en spel den
scepter zwaaien en waar veelal eene breede bres geschoten wordt
in 't ponkske geld, dat de landverhuizer met z'n zuren arbeid
bijeengaarde!
De landverhuizer komt op het schip.
Door toedoen hunner trawanten hebben de gewetenlooze
aftruggelaars een stoomboot genomen, toehoorende aan een
zeevaart-maatschappij, wier eenig doel is, schatten geld te
winnen en die alle eischen omtrent zedelijkheid en
gezondheidsleer over 't hoofd zien.
Op de tusschendekken hunner schepen stapelen zij zooveel
mogelijk volk op en herscheppen deze verblijven in een echte
hel.
Een smalle plank dient er den uitwijkeling tot bed en tot kamer.
Op die plank slaapt hij, eet hij, brengt er zijne dagen en
nachten door, ademt er onophoudelijk de verpestende dampen in
eener plaats, waar de zeeziekte weelderig broeit.
Beklagenswaardiger nog het lot der kinderen.
Sommige maatschappijen immers weigeren volstrekt in het voeden
der kleinen te voorzien, en ongelooflijk is het dan ook hoevelen
van die arme schaapjes wegkwijnen.
Op de tussendekken stijgt het sterftecijfer tijdens de
overtochten dan ook zeer hoog...
Zoo wordt het feit aangehaald dat een stoomer, die uit
Antwerpen naar Buenos Ayres stevende, gedurende de
reis veertig lijken van het tusschendek over boord wierp!
Kan men zich een akeliger doodsstrijd inbeelden dan zoo te moeten
zieltogen, in eene beperkte ruimte zonder licht, noch klaarte,
midden de woelige menigte mede-landverhuizers, die onverschillig
weg, eten en drinken, lachen en zingen, en zich allerminst om
den stervenden bekommeren?
Maar wat nog pijnlijker is dan deze lichamelijke kwellingen, is
het zedelijk verderf dat op deze tusschendekken heerscht.
Niet zelden gebeurt het dat kinderen, getrouwde lieden, jonge
dochters en jongelingen daar lange weken in eene schandelijke en
ordelooze vermenging opeengepakt doorbrengen!
En als men nagaat welk aandeel het schuim der samenleving in de
landverhuizing bijbrengt, kan men zich gemakkelijk inbeelden,
welke wraakroepende tooneelen op deze vaartuigen plaats
grijpen!
Zal het einde der overvaart die lange reeks ellenden doen
ophouden?
Meen dit niet.
In Amerika zelf, het land zijner dromen en begeerten, staan den
landverhuizer bittere ontgoochelingen te wachten.
Hier ook waren listige bedriegers rond, die bij de ontscheping
den uitwijkeling in hunne netten trachten te vangen.
En zoo hij deze bloedzuigers der haven ontsnapt en de streek
bereikt welke hij zich uitkoos, dan hoede hij zich voor zekere
zaakvoerders, die hem stukken grond te koop bieden, doorgaans
ver verwijderd, doch wonder vruchtbaar en al de hoedanigheden
bezittende, welke men maar wenschen kan.
De koop wordt gesloten en bezegeld met een lustige drinkpartij.
's Anderendaags gaat men op weg.
Lang duurt de reis, moeilijk zijn de wegen, en op de plaats van
bestemming gekomen, bestatigt de ongelukkige met groote wanhoop
hoe het heerlijk stuk veld niets anders is dan wat aarde van
geener waarde, zoo de plaats al niet, gelijk meer dan eens
geschiedde, gelegen is in een of ander uitgestrekt meer!
Dergelijke toestanden, dergelijke opeenstapeling van
lichamelijke en zedelijke onheilen, hadden weldra een terugslag.
Tijdens de groote uitwijkingsperiode naar de Argentijnsche
Republiek breidden zich de misbruiken en de uitbuiting der
landverhuizers op zoo'n ongehoorde wijze uit dat de reactie een
vasteren vorm kreeg.
De St. Rafaelsvereeniging1 werd gesticht.
Haar stichter was graaf Frederik Waldbott de Bassenheim, een man wien het Vlaamsche volk
eerbied en erkentelijkheid verschuldigd is, want onschatbaar
zijn de diensten welke hij onze Vlaamsche uitwijkelingen
bewees.
Geboren te Munchen den 19en Juli 1844, vestigde hij zich in
1885 te Brugge en wat later te St. Andries bij Brugge.
Begaafd met een rijk verstand en eene onvermoeibare werkzucht,
wist hij zich op korten tijd op de hoogte te stellen onzer
Belgische politiek en nam hij een merkelijk deel in de
ontwerping onzer maatschappelijke inrichtingen.
Hij stond in hoog aanzien bij de leiders der Katholieke partij,
die zijne bevoegdheden naar waarde schatten en steeds met hem de
vriendelijkste betrekkingen onderhielden.
Het Kongres van maatschappelijke werken, dat in het jaar 1889 te
Luik plaats greep, nam hij ten bate om den grondsteen te
leggen van het werk der Landverhuizers.
Senator van Ockerhout, Mgr Rutten, destijds
vicaris-generaal van het bisdom Luik, graaf Frederik de Merode, graaf August d'Ursel, Mr Hanquet van Luik en
Mr Verhaegen van Gent, waren de eerste en ijverigste zijner
medehelpers.
Het verblijf op de tusschendekken der schepen verzedelijken in
de mate der mogelijkheid, de uitwijkelingen behoeden tegen de
aftruggelarijen in de haven, hen in Amerika een midden
verschaffen, waar zij niet alleen een treffelijk en ruim
opbrengend bestaan kunnen vinden, maar ook tevens ongeschonden
hun geloof en hunnen godsdienstzin zouden kunnen bewaren,
kortom, den onervaren landman hulp en bijstand verleenen,
ziedaar het verheven streven der nieuwe inrichting.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Het standhouden der vereeniging en het jonge werk doen bloeien
en vruchten dragen, vergde een duren en hardnekkigen arbeid,
want ongemeen lastig en ondankbaar was de taak.
Menigeen had de zaak in den steek gelaten, doch graaf Waldbott de Bassenheim was daar de man niet naar.
In zijne vurige werkzucht, in den volhardingszin eige aan den
Duitschen stam, in zijne edele, grenzelooze naastenliefde putte
hij de noodige sterkte om degelijk de onderneming te schragen.
De heerlijkste uitslagen bekroonden dan ook zijn pogen en weldra
was het genootschap voor onze vrome Vlaamsche Landverhuizers de
lichtende baak die hen op hunne lange gevaarlijke reis den
rechten weg aanwees en hunne stappen leidde naar een zeker doel.
Eerst en vooral beijvert de vereeniging zich om den uitwijkeling
de streek te leren kennen, waar hij heen wil; of deze streek wel
de vereischte hoedanigheden bezit om hem te laten leven en
welgelukken, of er een priester verblijft, of er eene school
bestaat, of het ambacht of de nijverheid welke hij uitoefent er
wintgevend is, hoeveel hij ermede kan verdienen, hoe hoog het
onderhoud zijns huisgezin zal beloopen, enz.
In iedere Belgische gouw heeft de St. Rafaelsvereeniging eene
afdeeling, waar een afgevaardigde werkzaam is en wiens naam door
de dagbladen vermeld wordt, zoodat allen, die zinnens zijn te
verhuizen, zich tot dezen persoon kunnen wenden.
In volle zekerheid wordt dan de zaak onderzocht, de voor- en
nadeelen gewikt en gewogen.
Deze manier van handelen spaart den landverhuizer menige
teleurstelling.
Ook nog in alle voorname havens, zooals Antwerpen,
Liverpool, New-York, Buenos Ayres en meer andere, waar de
Belgen inschepen en aanlanden, treft men de gezanten der
vereeniging aan.
Op aanvraag duiden zij de beste zeevaartmaatschappij aan,
bezorgen de reiskaarten, wonen het wisselen van 't geld bij en
leiden hunne beschermelingen in een treffelijk verblijf voor den
nacht; 's avonds voor het inschepen worden de landverhuizers tot
eene plechtige godsdienstoefening uitgenoodigd, waar het hun
gegeven is te biechten en waar een verkleefd priester hun eene
laatste aanmoediging brengt. Geen dwang hoegenaamd!
Vrijheid wordt aan elk verleend er zich heen te begeven of zich
te onthouden.
Het Genootschap helpt allen zonder onderscheid, maar voor de
katholieken houdt het zich tot plicht hun de gelegenheid te
schenken zich met God te verzoenen, vooraleer eenen tocht aan te
vangen, waarvan misschien meer dan een het einde niet zal
zien.
Nopens het verblijf op de tusschendekken treedt de vereeniging
in onderhandelingen met de zeevaartmaatschappij; zij laat weten
wat zij voor haar volk verlangt, zij vertolkt de gegronde
klachten der landverhuizers en veelal wordt hare stem aanhoord.
Sommige maatschappijen hebben reeds aan hare wenschen voldaan en
van nu af aan kan men reeds uitmaken dat de toestand aan boord
veel zal verbeteren.
Op eenige schepen zelfs zullen de landverhuizers den bijstand
van eenen almoezenier genieten.
In de ontschepingshavens worden de uitwijkelingen, die onder de
hoede staan van het genootschap, door den afgevaardigde dezes
verwelkomd.
Hij kent vooruit de uitwijkelingen, hij heeft berichten
ontvangen van het middenbestuur, dat hem al de vereischte
inlichtingen zond over hunnen toestand.
Hij hoeft zich met de zaken van eenieder bezig te houden.
Velen heeft hij reeds eene plaats bezorgd, zoodat zij van den
eersten dag het werk kunnen beginnen.
Anderen verschaft hij raad tot het verkrijgen eener bediening;
hij is de verknochte vriend der landverhuizers, die hunne
noodwendigheden kent, hen bestuurt, helpt en beschut.
Merk wel op, dat de Vereeniging geenszins tot doel heeft de
verhuizing uit te lokken of in de hand te werken.
Zij zoekt enkel diegenen te leiden die uit eigen beweging en op
eigene verantwoordelijkheid het land verlaten.
In zake uitwijking steunt zij haar princiep op de breedste
onzijdigheid, en telt in hare rangen zoowel tegenstanders als
partijgangers der landverhuizing.
Zoo meent zij een grooten dienst te bewijzen met al diegenen in
hun land te weerhouden die de uitwijking met geen kans van
welgelukken te gemoet zien.
De leus waaraan het Genootschap immer getrouw wil blijven is: de
waarheid zeggen en niets dan de waarheid.
De vereeniging streeft er zooveel mogelijk naar, onze
landgenooten en bijzonderlijk de Vlamingen, in kolonies bijeen
te zamelen2
en zoo ontstonden reeds de koloniën van
Moutano (Helena) en van Sint Niklaas in den Michigan.
De ondervinding leert dat de Belgen nimmer slagen en meest
altijd hun geloof verliezen, wanneer zij verspreid zijn.
Integendeel, als zij in eenzelfde oord gegroepeerd worden, zijn
zij elkander behulpzaam en bewaren zij ongeschonden hunne taal
en hun geloof.
Te dien arbeidt de St. Rafaelvereeniging samen met den
priesterbond in Amerika, ingericht ter bescherming der Belgische
en Nederlandsche landverhuizers, onder het knappe
voorzitterschap van den E. H. Notenbaert,
een geboren Oostendenaar en thans pastoor van
Rochester (N.-Y.).
Onlangs kwam, onder den titel “De Stem van het Vaderland”,
zelfs een bijzonder weekblad tot stand, zich richtend tot de
Belgen, en dan vooral de Vlamingen, in Amerika verblijvend.
Niet alleen brengt dit blad hun nieuws aan uit het kleine
verafgelegen vaderland, maar tevens streeft het ernaar hen in de
baan van het goede te houden.
Alle diensten door het Genootschap bewezen zijn volstrekt
kosteloos, het heeft zijn bestaan te danken aan de giften der
katholieke liefdadigheid.
Heerlijk dan, overheerlijk, zijn de vruchten, welke het St.
Rafaelswerk rijpen doet.
Rijk is den oogst die het ophaalt, en onder het ervaren bestuur
van zijnen edelen stichter komt het steeds tot hoogeren bloei.
Twintig jaar lang besteedde graaf de Bassenheim zijne
krachten aan het welvaren onzer verhuizende stamgenooten.Ten
jare 1895, na de dood zijns vaders, trok hij met zijne talrijke
familie terug naar het kasteel zijner voorvaderen te
Buxheim in Beieren.
Hij gelastte zich echter voortdurend met het leiden van het
Genootschap, doch verkoos als sekretaris van België, de heer
Ridder Stanislas van Outrijve d'Ydewalle van St. Andries bij Brugge en later
den heer baron Benedikt Gilles de Pélichy van
Iseghem.De E. H. Van Houtrijke werd
sekretaris-schatbewaarder van het werk.
Graaf de Bassenheim overleed den eersten Februari 1910 en werd
vervangen in hoedanigheid van voorzitter door Ridder Stanislas
van Outrijve d'Ydewalle.
Of deze de waardige opvolger is van zijn roemrijken voorganger,
of hij wel de man is om het werk voort te doen bloeien en steeds
vooruit te helpen, dat heeft hij reeds degelijk bewezen.
En wil men weten welke bezorgdheid hij den landverhuizer
toedraagt, hoe nauw het lot onzer uitwijkende Vlamingen hem ter
harte ligt, dan doorleze men enkele Bulletijns der Vereeniging.
Uit de daarin verschijnende brieven der landverhuizers, blijkt
genoegzaam hoe voortreffelijk d'Ydewalle de lastige taak van
voorzitter waarneemt!
Baron de Pélichy en E. H. Van Houtrijve staan hem trouw ter
zijde en ijveren krachtig mede tot leniging van al de ellenden
der verhuizing.
Apotheker
I. Impe
|