Vorige: Begijntjes en Begijnhoven - De Hofjes.   Omhoog: België.   Volgende: Het H. Bloed te Voormezeele.
Inhoudsopgave   Index


Begijntjes en begijnhoven - Begijntjes' regel en leven.

Gepubliceerd op 14 juni 1913

“Dansen is onze regel niet” zoo doet het volksdeuntje ons Begijntje zingen. Wat zegt dan haar heilige regel?
Wees gerust, lezers van “Ons Volk”, dien regel zal ik u hier niet voorhouden en uitrafelen. Gij zijt geen Begijnen, nietwaar, en ik ben even min een Begijnenpastoor. Slechts enkele bijzonderheden om nogmaals het typische dezer instelling te doen uitschijnen.
In de oude standregelen staat het nergens vermeld, dat de Begijnen geloften afleggen, maar wel dat ze leven onder de gehoorzaamheid van een Overste, die Grootjufvrouw genoemd wordt. De Begijnen waren dus noch menschen van de wereld noch kloosterlingen. Wat waren ze dan? Iets tusschen die twee: Begijnen... Dàt juist is het eigenaardige van deze orde van deze orde en stempelt ze tot eene nationale instelling. De Vlaming mint de vrijheid en legt ze niet licht voor altijd aan banden... Thans echter schijnt het een algemeene regel te zijn dat de Begijnen beloften doen van zuiverheid en gehoorzaamheid, doch deze zijn niet bestendig, maar slechts voor bepaalden tijd.
BegijnenStAmandsberg Het kleedsel der Begijnen is heel eenvoudig en donker van kleur. Zoo zijn, of waren er althans vroeger, van diverse pluimage: zwarte, blauwe, grijze, bruine. Gaan zij uit, dan slaan zij de familie om. Deze is een oude Vlaamsche dracht en wordt nu nog, in de Kempen b.v. in sommige families als een kostbaar stuk bewaard, en gedragen op de begrafenis ten teken van rouw.
Nog een eigenaardig iets bij de Begijnen: wanneer ze uitgaan spelden ze zorgvuldig haar bovenrokje op. Waarom? 'k Weet het niet, en moestet gij het haar vragen, dan zoudt ge waarschijnlijk tot antwoord krijgen: “Dat is altijd zoo geweest”. En weet gij wat dit “'t is altijd zoo geweest” beteekent in den mond van vrouwen, en niet het minst van geestelijke dochters? Iets als de hoogste wet, waar geen duimbreed van wordt afgeweken.
'k Vroeg eens aan een moeder overste van nonnekens, die altijd zonder paraplu uitgaan, en dan ook, onder onzen aan regen zoo milden hemel, dikwijls doornat worden en bedropen thuis komen: “Waarom neemt ge nooit een regenscherm mede?” - “Wel, eerwaarde, 't is in onze Congregatie nooit geplogen geweest een paraplu mee te nemen, omdat onze heilige stichter (het uitspreken van dien naam ging met een diepe hoofdbuiging gepaard) altijd zonder regenscherm uitging en er zelfs geen rijk was”.
't Is bij die brave zieltjes gelijk in den beginne, nu en altijd, en zoolang er op de wereld geestelijke dochters zullen zijn van den heiligen Vader-zonder-paraplu.

Hoe leven de Begijnen? Met twee woorden: zij bidden en werken. 's Morgens vroeg en 's avonds laat gaan zij ter kerke.

En klinkt het kloosterbelleke,
Ze sluit het stille celleke,
en drentelt naar 't kapelleke
met de oogen neergeslaan;
en knielt er op het zedigste
en prevelt op het vredigste
en laat heur zieltje gaan.

En heel dit zieltje ontvouwende
en 't door en door beschouwende,
klopt ze op heur hartje, rouwende:
“'k Heb zooveel kwaads gedaan;
dat mij de Heer geduldige,
ik wil me niet ontschuldigen,
'k Zal beteren voortaan”
BegijntjesInProcessie Zie ze daar zitten, in de avondschemering, onder het Lof, die honderden Begijntjes, roerloos neergeknield, met gebogen hoofd, onder haar groote witte doeken...
Het laatste daglicht dringt door de ruiten en gaat aan 't vechten met de duistere schaduwen die uit hoeken en kanten komen gekropen. Het hoogaltaar en enkele heiligenbeelden worden beschenen door het flauwe, vale licht der kaarsen. Wierook stijgt walmen omhoog, vervult de kerk en verwekt hier en daar een fijn gekuch. Ongekunstelde, eenvoudig-naïeve stemmekens zingen den hemelschen Bruidegom en diens lieve Moeder ter eere. Treffend, mysterievol schouwspel! Ik twijfel er niet aan of onze Vlaamsche Primitieven, toen zij voor hun meesterstukken figuren en stemming zochten, hebben beide gevonden in onze Begijnenkerkjes, op dat oogenblik van aanbidding.
Toen, in 't begin der zestiende eeuw, de groote Duitsche kunstenaar, Dürer, de Nederlanden bezocht, werd hij getroffen bij het zien der Begijnen in de groote processie te Antwerpen. Hij vond het de moeite waard zijn indruk in zijn Reisverhaal aan te teekenen: “In deze ommegang was ook eene zeer groote schaar weduwen, die met het werk haar brood verdienen en een bijzonderen regel onderhouden, allen met lange witte lijnwaden, sluiers, bijzonder daartoe gemaakt, van het hoofd tot op den grond toe bedekt, zeer begeerlijk om te zien”.
In den dag zijn de Begijnen aan den arbeid, want meest allen moeten met werken het dagelijksch brood verdienen. Weliswaar waren er altijd die bemiddeld zijn en dus op haar slofjes kunnen leven in het zoete (?) niets doen. Op zulke doelt waarschijnlijk het spreekwoord: “Werken is zalig, zei 't Begijntje; maar ze liet het aan anderen over”... Doch dat is een uitzondering...
In de dertiende eeuw vonden veel Begijnen een broodwinning in de wolnijverheid; anderen hadden een wasscherij of hielden zich met het onderwijs der kinderen onledig, of waren kantwerksters en echte kunstenaressen in haar vak, of gingen zieken aan huis verplegen. Nu houden zij zich vooral met kant- en naaiwerk bezig. Toen ik het oordeel van hoogleeraar Pirenne las: “De Begijnhoven zijn in de Middeleeuwen de oplossing geweest van de vrouwenkwestie” en overdacht hoe ook deze kwestie met den dag op den voorgrond treedt, vroeg ik me af: zou er op dit gebied voor onze Begijntjes niets te doen zijn? 't Arbeidsveld is zoo groot. Zou b.v. in het vakonderwijs- huishoud- kant- en naaischolen, in de verpleging der arme zieken aan huis, voor haar geen schoone zending zijn weggelegd? Wie weet?
Haar werk wisselen de Begijntjes af door 't gebed, of door een geestelijke lezing, of door een of ander frutselwerk.
“Het zit, voorzichtig knippende,
hier stekende, daar stippende,
papier en tijd versnippende,
en frutselt hoe of wat...
en slentert eens door 't kamertje,
of leest uit Thomas Hamertje,
een vroom beduimeld blad.”

                        Pater Fleerackers.
KlBegHofGent Indien het Begintje een stemmeken heeft, zingt het af en toe een sueverlic liedeken. Het lijdt geen twijfel of tel van de kinderlijk-naïeve liedekens, welke uit de middeleeuwen tot ons zijn gekomen, werden door de Begijnen gedicht of althans gezongen, en alzoo aan de vergetelheid ontrukt. In zijn Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde drukt prof. Kalff de meening uit, dat zuster Hadewich, de vurige dichteres der sute hemelsce minne, een tijdlang Begijn zou geweest zijn... Van een Hollandsche Begijn weten wij met zekerheid dat zij geestelijke liedekens gedicht heeft. Haar wonderbaar leven staat bij de Bollandisten te lezen en werd door de gemoedelijken verteller Jozef Alberdingk-Thijm tot een romantisch verhaal1 verwerkt. Zij heette Geertrui, was uit Voorburg herkomstig en leefde op 't Begijnhof te Delft, maar wordt Geertrui van Oosten genoemd, omdat zij Het Daghet in den Oosten placht te zingen. Heeft zij dit zelf gedicht, of slechts verwerkt? Wij laten het hier volgen.
“Het daget in den Oosten,
Het licht schijnt overal;
Hoe weinig weet de liefste,
Waar dat zij henen zal.”

“O waren 't al mijn vrienden,
Dat mijn vijanden zijn,
Ik voerde u spoedig uit den lande,
O zoetste maagdelijn.”

“Waarheen woudt gij mij voeren,
O ridder fel en koen?”
“'k Wil naar den lindenboom u voeren,
O zoetste maagdelijn.”

“Daar, ridder, toeft mijn liefste,
Daarbij de linde groen;
En zal mijn woord van trouw ontvangen,
O ridder fel en koen!”

“Zal hij uw trouw ontvangen?
Bijlo! 't en is niet waar!..
Gaat onder uwe linde groene,
Verslagen leit hij daar”

Het meisken nam haar mantel,
En zij gink eenen gang
Al onder heur linde groene,
Daar zij 'm verslagen vand...

“Och, ligt gij hier verslagen,
Die mij te troosten plach,
Wat hebt ge, eilaas, mij nagelaten,
Zoo menig droeven dag”

BegijnDichteres Het meisken keerde haar omme,
En zij gink eenen gang.
Al voor haar vaders poorte
Die zij ontsloten vond.

“En is hier niemand inne,
Noch heer, noch edelman,
Die hier met mij dees eedlen doode
Ter aarde helpen kan?”

De heeren zwegen stille,
Zij en gaven geen geluid;
Doe keerde het meiske omme,
Zij ging al weenend uit.

Zij nam hem in haar armen,
Zij kuste hem den mond,
Zij kuste hem geen korter wijlen,
Maar al zoo menigen stond.

Met heuren blonden haren
Dat zij hem vaagt van 't bloed;
Met hare beven, witte handen
Dat zij zijn oogen sloot.

Met zijn blanke zweerde
Dat zij dat grafken groef;
Met hare al te zwakke handen
Dat zij 'm ter aarde droeg.

Met hare koude handen
Dat zij dat belleken klonk;
Met hare stille droever stemme,
Dat zij vigieljen zonk.

“Nu wil ik mij begeven
In een klein kloosterkijn,
En dragen daar de zwarte wijlen2
Ter eer des liefsten mijn.”
Lezer, ge kijkt verwonderd op, omdat sinte Geertrui een minneliedje zong. Maar sinds wanneer staat vroomheid gelijk met preutschheid? Daarbij, zooals haar geschiedenisschrijver het getuigt, bracht zij dit liedeken op haar hemelschen minnaar over.

* * *

Om te eindigen. Onze Begijnhoven zijn stemmingvolle hoekjes voor droomers, kunstenaars, dichters, oudheidliefhebbers; maar nog grooter is hun schoonheid inwendig. Die eenvoud in alles, de witheid der huizekens binnen en buiten, die geluidlooze stilte zijn het zinnebeeld van het naïef, rein en vreedzaam leven dat binnen de muren geleid wordt. Het Begijnhof is een besloten tuin, waar de Heer weidt onder leliën en lieve hemelblommekens plukt; heden, even als voorheen, een nuttige sociale instelling voor vele Vlaamsche jonge dochters; naar het woord van een ouden geschiedsschrijver, het sieraad der Belgische en de roem der Roomsche kerk, en terecht; “want”, zegt de beroemde kanselredenaar, Pater Ollivier, “op twee manieren kan men Gods glorie en zijn rijk onder de menschen bevorderen: door het voorbeeld der christelijke deugden en het beoefenen der naastenliefde. In dit dubbel opzicht heeft het Groot Begijnhof te Gent3 zich hoogst verdienstelijk gemaakt jegens hemel en aarde.”4

E. Van de Perre, pr.



Voetnoot

...verhaal1
Verspreide verhalen. Deel I. Een Duitsch Begijntje.
...wijlen2
falie, sluier
...Gent3
ook van andere Begijnhoven mag dat gezegd
...aarde.”4
Le Grand Béguinage de Gand, par le R. P. Ollivier, Dominicain


Vorige: Begijntjes en Begijnhoven - De Hofjes.   Omhoog: België.   Volgende: Het H. Bloed te Voormezeele.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009