Vorige: Begijntjes en Begijnhoven I.   Omhoog: België.   Volgende: Het Vlaamsch Huis te Kortrijk.
Inhoudsopgave   Index


Begijntjes en Begijnhoven II.

Gepubliceerd op 26 april 1913

GrootBegHofGent De Begijnhoven dan waren, tijdens de middeleeuwen, in maatschappelijk opzicht, een hoogst nuttige, ja, noodzakelijke instelling, en middelpunten van innig-vroom, rein-zedig leven. Ook stonden zij onder de machtige bescherming van vorsten en adellijke geslachten, in 't bijzonder van de graven van Vlaanderen en de hertogen van Brabant. In zijn keure van 1354 erkent graaf Lodewijk van Nevers 't Begijnhof te Gent als een instelling tot nut van 't algemeen.
Het geestelijk gezag waakte er met vaderlijke zorg over, al werden zij nooit tot een kerkelijke instelling verheven. Godvruchtige schrijvers en beroemde kanselredenaars uit dien tijd, als Thomas van Cantimpré en Jacob van Vitry, staan er in bewondering voor; zelfs zou Fulco eene reis naar Luik ondernomen hebben, om aldaar met eigen oogen den heilige levenswandel der Begijnen gade te slaan. Deze bisschop verhaalt o.a. den heldenmoed van Luiksche Begijnen, die bij de inneming der stad, door eene bende woeste soldaten overvallen, op levensgevaar in de Maas sprongen, begeerende liever te sterven dan onteerd te worden. Tot eer der Begijnen strekt het verder dat onze grootste Vlaamsche mystieke schrijver, Jan van Ruusbroeck, in zijn boek “Het boek van den twaelf beghinen” enkele Begijnen doet optreden, om een samenspraak te houden over de liefde tot Jezus en het beschouwende leven.
Ook de gunst van het volk genoten zij in ruime mate, en een der meest populaire godsdienstige instellingen waren zij van te lande. Nu nog, in de volkstaal, dient de naam begijn om vrouwelijke kloosterlingen en over 't algemeen godvruchtige jonge en oud-jonge dochters aan te duiden. Haar kraakzindelijkheid is ook spreekwoordelijk geworden. “De Vlamingen”, zegt deken De Bo, “om uit te drukken dat iets klein en bevallig is, stellen er 't woord begijn vooraan, b.v. begijnekannetje, begijnestukske1 enz.”
Doch 't kon niet anders, of de spotgeest van ons volk, de geest van Reinaert de Vos, die niets of niemand ontziet, zou evenmin onze Begijnen sparen. Deze humor leeft steeds voort in woorden, als kwezel, een schimpnaam, die naar haar hoofd wordt geslingerd; in spreekwoorden als deze:

Werken is zalig, zei het Begijntje, maar ze deed het niet gaarne.
Ze droegen een boonstaak getweeën.
De gelegenheid maakt den dief, en 't Begijntje kreeg een lief.
KleinBegHofGent In liedekens, als het lustige “Zeg, Begijntje, wilde gij dansen?”. De geestelijke bestuurder wordt gewaarschuwd: “Elke Begijn is een parochie”. Kent ge de formuul, die een Begijn uitspreekt, wanneer ze gekleed wordt? “'k Neem op dezen doek, tot er komt een met een broek”. Op vrolijke bijeenkomsten wordt meermalen, door een of anderen lustigen gezel, het sermoon voorgedragen, warin de predikant de Begijnen op geestige wijze in 't ootje neemt en waarvan vele varianten bestaan2. Ja, vele grappen ―en enkele zelfs waar een reukje aan is― worden op de kap onzer Begijnen verteld.
Dat is over 't algemeen onschuldige spotternij, waarmee de heilige zieltjes de eersten zijn om te lachen. Maar ―wat erger is― ook de kwatongerij heeft zich aan hare eer vergrepen. Droeve dagen zijn er geweest, waarop de laster, als een vratige gier, over haar vreedzame hofjes kwam neergevlogen, om er zijn prooi te zoeken naar hartelust.
't Was in het begin der veertiende eeuw; een tijd van godsdienstige twisten. De middeleeuwen worden dikwijls uitgemaakt voor tijden van lompe onwetendheid. Zoo erg niet als men beweert! Toen meer dan nu, stelden de mensche belang in wijsgeerige en godsdienstige vraagstukken; verscheidene gewesten ―ook de onze― werden keer op keer broeinesten van allerhande ketterij. We zeiden reeds dat de vrouwen meededen aan de mystieke beweging. Tot daar alles wel; maar sommigen kregen het in haren bol en, wanneer zij zich zelf op bijzondere wijze begenadigd waanden, of door een visoen begunstigd, kakelden zij 't aanstonds uit als eene hen die een ei heeft gelegd. Andere begonnen zich in de theologie te verdiepen en zich in kerkelijke twisten te mengen. Weliswaar heeft Sint Paulus gezeid: “de vrouwen moeten zwijgen in de kerk”, maar voor vrouwen, bijzonder voor kwezeltjes, valt zwijgen lastig. 't Gevolg daarvan? In dien tijd dat het krioelde van ketters als Fratricellen3, de Begaarden, enz. praatten vele vrouwen haar neus voorbij en vervielen in ketterij. Hebben ook de Begijnen zich daar schuldig aan gemaakt? In Duitschland, ja. Hier ten onzent? Is er misschien een naamverwarring ontstaan tusschen onze Begijnen en andere geestelijke dochters, die zich ook Begijnen hadden genoemd? Altemaal vragen waarop de heeren geschiedschrijvers het beslissend antwoord4 schuldig blijven.
Wat er ook van zij, de Begijnen werden bij den Paus aangeklaagd door niemand minder dan den Franschen koning: Philiep den Muntenschrooder, een kerel nochtans die zelf niet zuiver in zijn schoenen stak5. De Paus heette Clemens V en had zijn hof te Avignon. Dit buurschap met Parijs was de katholieke kerk noodlottig. Op de algemeene kerkvergadering van Vienne, ten jare 1311, kwam de zaak der Begijnen ter berde en werd er nopen haar een decreet uitgevaardigd6. 't Was meer dan een veroordeeling van enkele Begijnen; de totale afschaffing der orde. Licht te begrijpen valt de opschudding, welke 's Pausen decreet in België en niet het minst bij de Begijntjes te weeg bracht... De banvloek kwam ongetwijfeld op de hofjes neer als... nu zou men zeggen een bom, maar dat speelgoed voor gevaarlijke kinderen was in die dagen nog niet bekend.
BegijnhofDixmuide Na een eerste oogenblik van bedwelming en verslagenheid, kwamen de Begijnen tot bezinning en staken zij de hoofden bijeen. De Paus had gesproken, ja, en de Vlaamsche Begijntjes waren te brave kinderen om tegen het kerkelijk gezag in opstand te komen; maar slachtoffer vallen van een valsche aanklacht, ten aanschijn van de gansche kerk voor schuldigen doorgaan, en daarbij den kop gedwee in den schoot leggen zonder zich te verdedigen: dat nooit! Ook zij behoorden tot het ras der Vlamingen, “die wilden wat was recht, en wonnen wat zij wilden”. Zich van haar onschuld en van haar goed recht bewust, door de graven van Vlaanderen gerugsteund, gingen de Begijnen in verzet bij de bisschoppen van Doornik en Kamerijk, van wie, in dien tijd, onze Vlaamsche gouwen grootendeels voor het geestelijke afhankelijk waren. Beide bisschoppen raadden haar aan, zich rechtstreeks tot den Paus te wenden; wat zij deden, eerbiedig, doch krachtdadig. Joannes XXII, die ondertusschen Clemens had opgevolgd, richtte tot de bisschoppen een schrijven, waarin hij verklaarde van de Vlaamsche Begijnen niets dan goed vernomen te hebben, en waarbij hij beval een onderzoek in te stellen... Wat dan ook gebeurde.
Een vertoog dat destijds door iemand wiens naam tot ons niet is gekomen, opgesteld werd en aan de onderzoekers overhandigd, is een flink pleidooi ten gunste der Begijnen en laat ons toe een blik te werpen in 't Begijntjesleven der middeleeuwen. 't Bleek weldra dat de Vlaamsche Begijnen op gelijken voet waren gesteld mat hare Duitsche zusters, die niet wit te wasschen waren. De bisschop van Kamerijk getuigde van haar eerzaam en lofwaardig leven, en zijnerzijds bracht die van Doornik hulde aan haar geloof en reine zeden, verklaarde haar van alle verwijt vrij, alleszins prijsbaar en de bescherming van den H. Stoel ten volle waardig. Paus Joannes gaf aan de deugdzame, maar zwaar beproefde dochters van Sint Begga volkomen eerherstelling, en beval ze in 't vervolg aan de goede zorgen der bisschoppen aan (1322).
HuisGrBegHofGent Toen deze goede tijding op de begijnhoven aankwam, zal wel niet de beiaard hebben gespeeld, om de simpele reden dat de toren van haar eenvoudig kerkje er geen rijk was, maar in mijn verbeelding zie ik, op het zodenpleintje onder de lommerrijke boomen, oud en jong malkaaar de hand reiken en een flinken rondedans doen, terwijl het getrippel van haar voetjes het gekende refrein begeleidt:

'k zal wel dansen, 'k wil wel dansen,
dansen is onze regel wel.

's Pausen veroordeeling was echter voor de orde een gevoelige slag geweest, en sindsdien begint een tijd van verval, al mochten de Begijnhoven zich steeds verheugen over de bescherming van Kerk en Staat. Ook de tijd gaat vooruit en brengt in zijn schoot andere gedachten, nieuwe behoeften en andere instellingen mede. Daar kwamen nog droeve dagen: het protestantisme liep ook storm tegen den maagdelijken staat. In den vreemde waren de Begijnen tegen dien aanval niet bestand, maar in België bleven zij haar staat en de moederkerk getrouw. De achttiende eeuw, met haren nuchteren spotgeest, was haar niet gunstig; dan barstte de Fransche Omwenteling los en spaarde ―o wonder!― de instelling om reden van haar liefdadig karakter. Tusschen de jaren 1867-1874 verklaarden de liberalen den oorlog aan de twee voornaamste Begijnhoven van ons land: 't Groot- en Klein-Begijnhof te Gent, welke, sinds de Revolutie, in bezit waren der burgerlijke Godshuizen.
Er werd beslist: de Begijnen moeten uiteen en haar hoven verdwijnen. Tegen dit besluit kwamen de katholieken, bij monde hunner pers, en de Commisie van monumenten in verzet; doch niets baatte. Toen trad de hertog van Arenberg als haar beschermer op... Hij kocht het Klein Begijnhof van de godshuizen af en, daar het Groot Begijnhof grootendeels gesloopt werd, deed hij een nieuw Begijnhof bouwen te St. Amandsberg bij Gent. Door de heeren A. Verhaegen en baron Béthune ontworpen, werd het in zuiver-gothischen stijl gebouwd. 't Heeft een edel en streng voorkomen en gelijkt heelemaal op een stadje uit de middeleeuwen.
“Een wonder”, zegt baron de Hauleville, “wat wetenschap en smaak, werk en kunst betreft”. Een bezoek overwaard.

Op den dag van heden bestaan er Begijnhoven:

In Holland, ten getale van twee, te Amsterdam en te Breda
In ons land, ten getale van zestien, naar de opgave van het kerkelijk jaarboek. Is het getal verminderd, het bevolkingscijfer7 bewijst dat zij steeds in een werkelijke behoefte voorzien.

E. Van de Perre, pr.



Voetnoot

...begijnestukske1
zie A. De Cock. Spreekwoorden en zegswijzen over de Vrouwen, de Liefde en het Huwelijk.
...bestaan2
Zie o.a. bij Jozef De Cock in Ons Leven.
...Fratricellen3
Een mystieke sekte, die armoede als het hoogste goed beschouwde - dat kon nooit kosher zijn in de ogen van de kerkleiders, die zelf in schandelijke weelde leefden. (Pros)
...antwoord4
Theun de Vries wijdt in zijn magnus opus, “Ketters” een gans hoofdstuk aan Begijnen. Maar ook hier blijkt, dat nog vele vragen onbeantwoord blijven. (Pros)
...stak5
Filips de Schone, die voordien een andere paus, Bonifatius VIII, beschuldigd had van “ketterij, godslastering, moord, sodomie, simonie, tovenarij en het niet in acht nemen van de vastentijd” (Pros)
...uitgevaardigd6
De stukken van dit geding staan te lezen bij Paul Fredericq in zijn Corpus documentorum Inquisitionis Neerlandicae, I, blz. 178 en volgende.
...bevolkingscijfer7
Ver boven het duizendtal in België.


Vorige: Begijntjes en Begijnhoven I.   Omhoog: België.   Volgende: Het Vlaamsch Huis te Kortrijk.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009