Gepubliceerd op 29 maart 1913
Lezer, 'k zie u monkelen. Begijnenpraat, waar Ons Volk
nu mee afkomt!..
De Begijnhoven zijn een eigenaardige uiting van ons nationaal
geestelijk leven, en komen met onzen volksaard wel overeen.
Ten allen tijde was ons landeken een schoon perceel van den
grooten Landbouwer, maar dat er op dezen vruchtbaren bodem
betrekkelijk weinig kloosterorden ontstaan zijn, mag ons
waarlijk bevreemden. Wat een verschil met onze Zuiderburen, wien
we, ook in dit opzicht, al te schatplichtig zijn. Iets toch
hebben wij: onze Begijnhoven. Een echt-vaderlandse instelling
dus, en daarom reeds onze belangstelling overwaard.
Nog om een andere reden. De Begijnhoven zijn een merkwaardige
bladzijde van het wonderschone kunstboek, zooals ons
vaderland door den Franschen kunstkritikus, Fromentin,
wordt genoemd; voor dichters en droomers hoekjes vol stemming en
poëzij; voor kunstschilders een echte bron van
bezieling1;
voor oudheidliefhebbers een kostbaar overblijfsel uit het
verleden... In Baedekers en prachtwerken worden zij beschreven
en vermeld; vreemdelingen die een open oog hebben voor zeer
schilderachtige hoekjes, komen er naar kijken, en pennen zelfs
de opgedane indrukken neder. Waarom dan gaan zooveel kinderen
van den huize onverschillig voorbij? De gewone geschiedenis:
naar den vreemde wordt er gereisd - maar eigen land en eigen
volk blijven onbekend. Nochtans
“Geen rijker kroonDus een woord over onze Begijntjes, haar ontstaan en geschiedenis; haar hofjes en leven.
dan eigen schoon.”
Oorsprong en Geschiedenis.
Door wie, waar en wanneer werd de orde ingesteld? Waar komt haar
naam vandaan? We weten daaromtrent niets met zekerheid.
Sommigen leiden het woord begijn af van het
oud-Dietsch woord begge, dat evenveel beteekent als
bidden, maar over den Oorsprong der orde zelf zwijgen zij.
Anderen aanzien, als stichter der orde, kanunnik Lambert,
die, op het einde der twaalfde eeuw, in de Luiksche kerk als
hervormer optrad,en op zijn tijd en omgeving een ontzaglijken
invloed had ten goede. Zeker is het dat hij te Luik de
St. Christoffelkerk bouwde, en
daarnaast een godsdienstige vrouwen - gemeente stichtte, in den
aard van onze Begijnhoven. Hij werd bijgenaamd de
stotteraar , in het Fransch le bègue; hiernaar
zouden al zijn geestelijke dochters Begijnen genoemd geweest
zijn 2.
Tegen deze woordafleiding voert hoogleeraar Pirenne het
volgende aan: “Men heeft niet bemerkt dat de toenaam van
Lambert: le bègue een bijnaam en geenszins een familienaam
is. Hadden de Begijnen zijn naam aangenomen, dan zouden zij
zich Lambertinessen maar niet Begijnen geheeten hebben”. De
geleerde professor schijnt te vergeten dat in den mond van het
volk ook sommige Franciscanen, naar hun hoofdkapje,
Capucienen, Norbertijnen, naar de kleur van hun pij,
Witheeren worden genoemd. Wat denkt deze gevierde
geschiedschrijver over het ontstaan der Begijnen? “De orde,
zoo schrljft hij, moet te Nijvel, in Waalsch Brabant, ingesteld
zijn... Het ware derhalve niet onmogelijk dat de naam dient
afgeleid van den naam der patrones dier stad : Sinte Begga,
zuster van Sinte Gertruida. De orde werd in de 12e eeuw
ingesteld, doch het woord beghin en komt eerst in de 13e eeuw
voor”3.
Eindelijk, om van geen andere gissingen te gewagen, een aloude
en eerbiedwaardige overlevering4 aanziet, als stichtster der orde,
Sinte Begga, een merkwaardige figuur uit de
kerk- en beschavings - geschiedenis van ons land. Dochter van
Pepijn van Landen, hofmeier der Merwigsche koningen en een
der grootste mannen van zijn tijd5, trouwde Begga met
Ansegies, zoon van Arnulf, een alleszins waardigen evenknie van
Pepijn.
Door hun echtverbintenis stichtten beide telgen uit de twee
adellijkste Frankische geslachten het roemrijk stamhuis der
Karolingers, dat aan de Kerk tal van heiligen, aan 't vaderland
en de christene wereld tal van vorsten schenken zou. Weduwe
geworden, stichtte Begga 'n klooster van kannunikessen te
Andenne, waar zij zelve den sluier opnam; tevens zou zij de
orde der Begijnen en der Begaarden ―mannelijke
Begijnen― ingesteld hebben. Moeder naar het vleesch van
doorluchtige vorsten, is Sinte Begga de geestelijke moeder van
een heilig en edelmoedig geslacht. Geen wonder zoo onze
Begijntjes gaarne schuilen onder de plooien van haren
vorstelijken mantel. Laten we haar die eer en die voldoening.
Wat er ook zij van den oorsprong der Begijnen en de herkomst
harer benaming, in de twaalfde en dertiende eeuw kwam de orde
tot grooten bloei, dank zij een bijzonderen godsdienstigen en
maatschappelijken toestand hier ten lande. Indien toendertijd
een goddelooze ketter als Tanchelm6 in
onze gewesten verscheen, en bij het volk een onverklaarbaren
bijval genoot, flakkerde anderzijds de godsdienstzin van onze
voorouders heerlijk op.
De gothische bouwtrant was ontstaan, en weldra zouden
prachtige kerken oprijzen als steenen symbolen van het geloof
onzer vaderen... Deze mochten het meesleepend woord horen van
een Bernardus, een Norbertus en van zooveel andere
predikers, die opgestaan waren om den inwendigen geest der Kerk
te bevorderen en ontdaanheid van de wereldsche ijdelheden voor
te staan. De mystiek werd geboren, dat is: het innig-vroom
gemoedsleven, het streven naar zelfvolmaking, de zucht der ziel
tot nauwer vereeniging met God...
Hoeft het gezeid dat de vrouwen aan deze godsdienstige beweging
medededen en er een voorname rol in speelden?
“Toen Bisschop Fulco van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommigen konden in de zielen der anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door verlangen naar den Hemelschen Bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honingsmaak op de tong; zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten zij een ganschen dag in zwijgende rust en zonder oog of oor voor den buitenwereld; voor een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.”7
Enkele namen van zulke wondere vrouwen zijn tot ons gekomen:
Christina van Sint Truiden, Margaretha van Yperen,
St. Luitgarde van Tongeren en Maria van Oignies.E. Van de Perre, pr.