Gepubliceerd op 3 mei 1913
Dezer dagen werd de bekende beiaardier van het stadje Lier,
de heer Antoon Nauwelaerts, tot
stadsbeiaardier te Brugge benoemd. Terg gelegenheid dezer
benoeming mag een welverdiende hulde aan het talent van dezen
jongen, bij uitstek Vlaamsche volkskunstenaar die, zijn taak
getrouw, naar zijn beste vermogen meewerkte aan het heropbeuren
onzer volkskunst in Vlaanderen, niet achterwege blijven.Nu men, als doeltreffend middel tot volksverheffing en -ontwikkeling, op onze dagen den invloed niet meer onderschat van een goede, gezonde volksmuziek, en overal door liederavonden en anderszins, den verachterden volkssmaak tracht herop te beuren, is het een zeer verheugend feit, dat ons aloud beiaardspel ook weer opnieuw aan 't leven en aan 't bloeien is gegaan.
Dit danken wij eerst en vooral aan Meester Jef Denijn, den wereld-vermaarde kunstenaar,
waaraan Ons Volk reeds vroeger een artikel wijdde.
Hij toch is het die de schaar onzer jongere klokkenspelers op de
goede baan is voorgegaan, die hen heeft doen inzien dat zij, meer
dan welk kunstenaar ook, de krachtige stemmen moeten zijn van
Vlaanderen, de tolken van hun schoon-herlevend volk. Hij was den
inrichter van den eersten prijskamp voor beiaardiers te
Mechelen, in Augustus 1910, prijskamp die heel het land door
zooveel belangstelling heeft gaande gemaakt en zoo'n grooten bijval
oogstte.
|
Dat was een welgekomen aanmoediging voor den jongen laureaat en
tevens een spoorslag tot eigen volmaking. Van dien stond af heeft
hij zich in zijne geboortestad, waar hij over een ongemeen schoon
en welluidend klokkenspel beschikt, aan
ernstige studie en oefening gezet, en thans bespeelt hij zijn
instrument als een ware virtuoos, die tevens een gewetensvol
kunstenaar toont te wezen.
Het is vooral in de oude, kleine stedekens van ons Vlaanderen en
ons lieve Kempenland, dat men best de roerende poëzij doorvoelt
die uit het lied van beiaardklokken spreken kan. Zoo'n stedeken is
Lier. Alles, èn het eenvoudige landschap, dat vol kalme kleur en
stille, frissche schoonheid is, èn de gemoedelijk-rustige
straatjes, waar in gezellige huizekens met trapgeveltjes en
boogvensterkens ―nog onverbasterd― Vlaamsche menschen leven,
stemt er tot ingetogen rust en vrede, tot een kalm geluk.Wat is het een rijk genot, bij teederen zomeravond, te wandelen door de stille, vroom-luisterende stad, twerwijl de beiaard ginder hoog zijn zilveren liederen klingelt, en de gevleugelde akkoorden vèr-weg heen gaan rinkelen door de trillende, helmende lucht... Geen concertpubliek, geen eivolle operazaal kan het halen bij de heele stad die haren beiaardier beluistert, den kunstenaar die hare ziel uitzingt ginder boven, in een stralende regel van harmonijen, in klaterende, lustige gamma's ― in smartelijke, breede adagio's... Wat is dat schoon! En wat doet dat goed aan het hart! En hoe heerlijk klinken niet die oude Vlaamsche liederen, zooals het weemoedige “Van twee Coninckskinderen”, het schakse “Van een kwezelken”, “Dat looze Visschertje”, het “Reuzenlied” en andere liederen en gezangen, die zooveel geniale meestersons in den loop der tijden schonken. Waarlijk, de beiaard is een der schoonste, en ook een der meest populaire instrumenten die de kunst tot hare beschikking heeft. En diegenen onder onze beiaardspelers die begrijpen dat hun kunst, om echt en waar te wezen, den stempel van hun Vlaamsch-zijn dragen moet, diegenen is een schoone toekomst weggelegd en immer zullen zij recht hebben op de gunst en de dankbaarheid hunner stadsgenooten.
|