Gepubliceerd op 2 maart 1912
Een declamator, die zich in stilte tot zijn groote taak heeft
voorbereid in 't Nederlandsche leger, en die de klimmende
rangorde in de wapenen heeft vaarwel gezegd uit liefde voor de
kunst. Eerst in 1900, als volwassen man, kwam hij met zijn
proefstuk voor de dag: zich noemend een “dilettant” trad hij
op te Rotterdam met “Starkadd” van
Hegenscheidt. De liefhebber bleek al dadelijk een Meester
te zijn. De “Nieuwe Rotterdammer” prees hem vooral om het
realisme zijner dramatische begaafdheid. Niet lang daarna trad
hij op met Byron's “Manfred”. En nu prees hem hetzelfde
blad om het romantisme van zijn bewonderenswaardige aanleg.
Genoeg om te bewijzen dat Vogel zich van meet af thuis voelde in
ieder groot kunstwerk van om 't even welke school, en juist als
zoodanig staande als meesterwerk boven alle scholen; evenals hij
staat als self-made man, boven alle geschooldheid.Met rasse schreden klom Vogel naar den roem; een eigenlijk tooneelspeler, een gestudeerd man van 't vak als de groote Willem Royaards is hij niet. Maar enig is zijn faam als declamator; en overal in Europa en nog verder kent men zijn naam; Duitschland dweept met hem; in China en Japan werkte hij bewondering; en Carmen Sylva noodigt hem telken jare aan haar hof en leert uit zijn mond hoe verrukkelijk schoon ons Nederlandsch is.
“Een der eigenaardigste kanten van Vogel's kunstenaarsnatuur is zijn geestelijk transformatie-vermogen.Nemen wij aan dat zijn stem, figuur en geaardheid, noch die van een zijner groote voorgangers of tijdgenoten er zich toe leenen, meer dan een aantal gestalten uit te beelden, dan zal het opvallen met welk een gemakkelijkheid |
hij de verschillende overgangen daartusschen doorloopt en, terwijl hij b.v. de verschillende stemmen en geluiden, het gerucht der volksmenigte doet hooren, men elk dier uitklinkende stemmen nauwkeurig herkent als te behooren tot een bepaald individu, uit de veelhoofdige massa, doch dat tevens het type zijner soort is.”1
“Zoo moet ge zien, hoe deze ongeleerde kunstenaar zich beweegt en staat en gebaart, zoo sober, zoo van ingehouden kracht, zoo met eene zachtheid van handspreiding of met de in woede gebalde vuisten, of fier den hals hoog en den kop trotsch achterwaarts gebogen, de felle oogen neer blikkend als een vorst”2
Vogel heeft zich ingewerkt in 't geniaalste der meesters van
vroeger en later tijd: Hij draagt voor uit Œdipus Koning en
Coriolanus, Antigone en Coppée's werkstaking, Julius Caesar en
Gudrun, Havelaar's Rede en Harkondi en koning Svend en
Godenschemering en Wildenbruch's Hexenlied en wat al meer... Nu
komt zijne heerlijke kunst ons Oorda's
“Passie” vertolken. Laat onze Vlaamsche steden Albert Vogel steeds ontvangen zooals hij 't verdient en zooals 't onzen vlaamschen kunstzin past!...
|