Gepubliceerd op 4 mei 1912
|
Het wilde nu lukken! Den volgenden morgen kwam het hazenwichtje
ter wereld. Het heette Kaloeloe, gelijk ten andere al zijne
stamgenooten. Maar de hazenwijven uit de gebuurte waren het al
samen eens om te beweren dat het geen hazenjong en was gelijk de
andere hazenjongens: het was immers van den beginne af veel
verstandiger en oolijker vooral; anders gezeid: men 'n kon niet
meer Kaloeloe zijn dan dat kind Kaloeloe was. Het kwam trouwens
met zijn volle hazenverstand ter wereld, het ging op denzelfden
stond aan het kouten, en het wonderlijkste van al, het groeide
zoo zienlijk rap, dat het 's avonds reeds tot eenen volgroeiden
haas opgeschoten was, zoodat het den volgenden dag met de andere
hazenjonkers al mee liep achterweg en een geestig leven te
leiden begon.
Ginder, op de werf, zagen zij de hazeknechtjes met hunne toppen
aan 't spelen; bij dat druistig jong volk en moest hij voorzeker
zijnen kleinen niet zoeken. Maar bezijds, onder eenen boom,
zaten de meiskens geschaard, in een troppelken, al bijeen. Een
van hen sloot een bergske zand tusschen zijn twee opene
voorpootjes en trok ze dan voort, zoodat het zand uitlangde tot
een lang bermstriepke. Dan zette za haren vinger op een
bloedrood zaadje, sleepte het voort door dat heuvelken en liet
het entwaar steken -waar?- niemand was het gewaar geworden, en
dat was nu juist de kunste! Het zandreekske werd daarna met den
vinger in enthoeveel heuvelkens gedeeld; de andere mochten er
drie van uitkiezen en was het rood zaadje in een van de drie
heuvelkens, zoo waren ze gewonnen. |
―'t Zit ginder in dien draagdoek! beweerde hij. ―Ik zou het gelooven, zei Kaloeloe, maar blijft gij hier, Fisi, of ze zullen anderszins wegloopen; 'k zal er voor u om gaan. Het hazemeiske verweerde haar wat in 't eerste; maar op het eind liet zij haar toch al janken en knijzen van haar vracht ontdoen. Kaloeloe sloot weigerlijk den doek toe en bracht hem voorzichtig naar de hyena. ―Fisi, zei hij, het slaapt gelijk een steen! Draag het zoo gezapig mogelijk en alzoo komt get thuis zonder ongelukken. Fisi spoeterde, blij gelijk een kind, naar zijn krocht. Jamaar, daar werd hij onderwege onverwachts aangesproken door twee van zijn bloedverwanten; twee getijgervlekte hyena's1 die het land door als schaamtevrije baanstroopers geboekt stonden. Fisi en was maar half en half in zijnen schik met deze ontmoeting. ―Scheeve mankepoot, verweet er hem een, g'hebt gestolen, en hij hunkerde met gretige oogen naar Fisi's pakske. ―'k En doe, Kisoempa, ik zweer het u, stotterde Fisi, het was mijn recht, waarachtig waar. ―Uw recht!... ook goed; we zijn uw naaste bloedverwanten, en uw recht is ons recht; wij zullen deelen bijgevolg. ―Deelen!... maar beste neven toch, daar is geen deelen aan, 't en waar nog voor elk geen mondvol. Niet te doen, oude smeerpijpe, ge zoudt het geern alleen in uw krage slaan, omdat het iets is van lek-mijn-lippe. Fisi zag wel dat tegenspraak hier boter aan de galge was. ―Hoort, beste neven, zei hij, ik en ben geen hond ik; komt mee naar mijne krochte, we zullen 't eerlijk samen binnenspelen. De twee rekels gingen mee. Ze trokken van voldoening een oogske naar malkaar en ze wetten hun tanden in 't vooruitzicht van dat lekker buitenkanske.
Ze waren eindelijk toegekomen. Fisi liet zijne neven zitten. Hij
begon den doek te vouwen met eene gemaakte gewichtigheid en
zienlijk preutsch. De twee kisoempa's zaten 'lijk aan den
grond vergroeid; ze leunden voorover op hun twee voorpoten, ze
keken hun oogen uit hunnen kop van benieuwdheid en 't water
lekte uit hunne muil.
|