Vorige: Hoe Kaloeloe, nog voor zijn geboorte, aan kreupele Fisi werd toegezegd.   Omhoog: Kaloeloe, de Haas.   Volgende: Hoe Kaloeloe Fisi's kot plundert en hem op den hoop toe aftakelt.
Inhoudsopgave   Index


Hoe Kaloeloe zijne eerste perte speelt en hoe Fisi daar leelijk van t'huis komt.

Gepubliceerd op 4 mei 1912

Het wilde nu lukken! Den volgenden morgen kwam het hazenwichtje ter wereld. Het heette Kaloeloe, gelijk ten andere al zijne stamgenooten. Maar de hazenwijven uit de gebuurte waren het al samen eens om te beweren dat het geen hazenjong en was gelijk de andere hazenjongens: het was immers van den beginne af veel verstandiger en oolijker vooral; anders gezeid: men 'n kon niet meer Kaloeloe zijn dan dat kind Kaloeloe was. Het kwam trouwens met zijn volle hazenverstand ter wereld, het ging op denzelfden stond aan het kouten, en het wonderlijkste van al, het groeide zoo zienlijk rap, dat het 's avonds reeds tot eenen volgroeiden haas opgeschoten was, zoodat het den volgenden dag met de andere hazenjonkers al mee liep achterweg en een geestig leven te leiden begon.
't En duurde niet lang of Fisi achterhaalde het nieuws zijner geboorte. Varings kwam hij afgestreken, hikke-patjakke trippelbeenend op zijne drie goede pooten, naar vrouw Haze heur huis.

FisiKomMaarBinnen ―Is er geen belet? riep hij, tenden asem, aan het deurgat.
Nee, Fisi, kom maar binnen, zei moeder Haas, die bij den haard neergefokt zat, bezig met den brij voor haren jongen te roeren.
―Vrouw Kaloeloe, ik ben hier om mijn recht...
―Om uw recht? antwoordde Kaloeloe's moerke, terwijl ze met haar vingers den brij van den houten lepel wreef.
―Zoodat ge daar zijt om mijn jongen? voer ze voort na een spanne zwijgens, binst dat ze nu een mandeke patateblaars bijtrok en aan het verlezen ging...
―Wel, de gasten zijn er mee gaan spelen, maar ge zult hem vinden op de heide. Kijk, die jongen daar zal u den weg wijzen en een stapke meegaan. Die jonge haas was Kaloeloe zelve in levende lijve; doch Fisi mankepootte maar mee zonder nadenken - de haas waarop hij recht had, moest volgens hem nog bitter klein zijn.

Ginder, op de werf, zagen zij de hazeknechtjes met hunne toppen aan 't spelen; bij dat druistig jong volk en moest hij voorzeker zijnen kleinen niet zoeken. Maar bezijds, onder eenen boom, zaten de meiskens geschaard, in een troppelken, al bijeen. Een van hen sloot een bergske zand tusschen zijn twee opene voorpootjes en trok ze dan voort, zoodat het zand uitlangde tot een lang bermstriepke. Dan zette za haren vinger op een bloedrood zaadje, sleepte het voort door dat heuvelken en liet het entwaar steken -waar?- niemand was het gewaar geworden, en dat was nu juist de kunste! Het zandreekske werd daarna met den vinger in enthoeveel heuvelkens gedeeld; de andere mochten er drie van uitkiezen en was het rood zaadje in een van de drie heuvelkens, zoo waren ze gewonnen.
Fisi en schafte op dat spel niet, maar hetgeen hij met den eersten oogopslag bemerkte, 't was dat een van die haze meiskens een boombasten doek over hare schouders gebonden had en gestadig met hare leden schuddewiegde, net zoo 't eene moeder doet om haar kind te paaien...
In zijn ouden kop leed het al dadelijk geen twijfel of het was zijn hazejong, dat daar op 's meiskens rug in dien doek geduffeld zat... Hij gaf een stoot in Kaloeloe's lenden, wees op het meisken, en:

(Naar het begin van de volgende kolom)

  ―'t Zit ginder in dien draagdoek! beweerde hij.
―Ik zou het gelooven, zei Kaloeloe, maar blijft gij hier, Fisi, of ze zullen anderszins wegloopen; 'k zal er voor u om gaan.
Het hazemeiske verweerde haar wat in 't eerste; maar op het eind liet zij haar toch al janken en knijzen van haar vracht ontdoen. Kaloeloe sloot weigerlijk den doek toe en bracht hem voorzichtig naar de hyena.
―Fisi, zei hij, het slaapt gelijk een steen! Draag het zoo gezapig mogelijk en alzoo komt get thuis zonder ongelukken.
Fisi spoeterde, blij gelijk een kind, naar zijn krocht. Jamaar, daar werd hij onderwege onverwachts aangesproken door twee van zijn bloedverwanten; twee getijgervlekte hyena's1 die het land door als schaamtevrije baanstroopers geboekt stonden. Fisi en was maar half en half in zijnen schik met deze ontmoeting.
―Scheeve mankepoot, verweet er hem een, g'hebt gestolen, en hij hunkerde met gretige oogen naar Fisi's pakske.
―'k En doe, Kisoempa, ik zweer het u, stotterde Fisi, het was mijn recht, waarachtig waar.
―Uw recht!... ook goed; we zijn uw naaste bloedverwanten, en uw recht is ons recht; wij zullen deelen bijgevolg.
―Deelen!... maar beste neven toch, daar is geen deelen aan, 't en waar nog voor elk geen mondvol.
Niet te doen, oude smeerpijpe, ge zoudt het geern alleen in uw krage slaan, omdat het iets is van lek-mijn-lippe.
Fisi zag wel dat tegenspraak hier boter aan de galge was.
―Hoort, beste neven, zei hij, ik en ben geen hond ik; komt mee naar mijne krochte, we zullen 't eerlijk samen binnenspelen.
De twee rekels gingen mee. Ze trokken van voldoening een oogske naar malkaar en ze wetten hun tanden in 't vooruitzicht van dat lekker buitenkanske.

Ze waren eindelijk toegekomen. Fisi liet zijne neven zitten. Hij begon den doek te vouwen met eene gemaakte gewichtigheid en zienlijk preutsch. De twee kisoempa's zaten 'lijk aan den grond vergroeid; ze leunden voorover op hun twee voorpoten, ze keken hun oogen uit hunnen kop van benieuwdheid en 't water lekte uit hunne muil.
Ten lange leste kwam daar van uit den doek eene pop voor den dag, 't is te zeggen een eindje bananenstruik, met platgeslegen, zwartgemaakten vezelkop, met een perelsnoerke en een stukske stoffe; eene pop daar de meiskes moederke mee spelen!
Fisi meende door de grond te zinken! Hij voelde van verlegenheid al zijn bloed verkruipen, en hij lonkte al onderuit, beteuterd naar de twee stropers. Deze waren op slag kwaad geworden lijk duivels.
―En dat heet gij buikvulling! vloekte eene.
―En ge denkt gij dat daarmee af te stoven! zwoer de andere.
Al hoe meer ze 't bepeinsden, hoe gloeiender kwaad ze werden. Al wat onder hun pooten viel vloog naar Fisi's kop; ze sloegen zijn huis en have kort en klein.
―Dood moet ge! tierden ze.
Maar Fisi liet geheel zijn boeltjen in den brand en vluchtte de gaten uit met een geblutsten kop en drie van zijn tanden uit zijn bakkes. De rabouwen plunderden en pluimden alles wat onder hunne pooten viel en hebbe- en etelijk was; ze roofden Fisi's vijf geiten, al zijne kiekens, en tot slot van rekening bonden ze zijn wijf aan een bul, temidden van een stuk Turksche tarwe2, daar stond ze de wacht te houden tegen het vogelvolk.



Voetnoot

...hyena's1
In Congoland vindt men twee soorten hyena's.
1) De Fisi of getreepte hyena (hyena vulgaris). Die is geelachtig-grijs van vel met bruine strepen op den rug en op de pooten.
2) De Kisoempa of getijgervlekte hyena (hyena crocuta). Die heeft een bleekrost vel, met donkerbruine vlekken. Zij is zwaarder en sterker dan de Fisi en gevaarlijker ook.
Beiden blijven binst den dag gedoken en komen maar des nachts uit om voedsel te zoeken. Zij eten hetgeen ―dier of mensch― zij dood vinden in het bosch en in de akkers, of hetgeen zij kunnen in slaap verrassen. Daar zij niet rap genoeg ter beene zijn, kunnen zij van de jacht niet leven.
...tarwe2
Turkse tarwe: maïs (Pros)


Vorige: Hoe Kaloeloe, nog voor zijn geboorte, aan kreupele Fisi werd toegezegd.   Omhoog: Kaloeloe, de Haas.   Volgende: Hoe Kaloeloe Fisi's kot plundert en hem op den hoop toe aftakelt.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009