|
Kaloeloe, de haas, is een allermerkweerdigst dierenepos,
eene belangrijke zante, de kunstige verwerking van een lief
onderwerp, eene kostelijke bijdrage tot de studie der zeden bij
de volkeren of ethnologie, is dit alles, en is daarbij nog
“de stem uit het graf”, de zwanenzang, van den onvermoeiden
geloofsbode, den harde kristen, den blijde Vlaming, den echte
woordkunstenaar, den luimigen, schalksen, kleurigen en fleurigen
verhaler dien we allen betreuren, in wijlen Eerweerden Vader
Gustaaf Van Acker, van Brugge.
Gestorven spreekt hij nog, en hij zal nog lang spreken.
Niemand leest de “Annalen der zendelingen van de Witte Paters
in Afrika”, of hij heeft telkens verlangend uitgezien naar het
verschijnen van een nieuwe aflevering, om er iets in te vinden
uit die begaafde pen; niemand of hij heeft met bewonderende
belangstelling en innige voldoening dien volbloedigen Bruggeling
gevolgd op zijne reis bij de Baluba's1.
Thans is hij afgereisd naar de streken van 't hiernamaals, die
goede, die naar 's Heren voorbeeld, zijn wegen ging al weldoend.
Nu oogst hij, met God's genade, de vruchten van zijn onverdroten
arbeid, en heeft hij den hemelzang gehoord hem tegenluidend:
Quam speciosi... hoe schoon zijn de voeten van hen, die
voeren de blijde mare van vrede en van goed!
Daar bloedt, daar strekt het woeste land wijd uit. Daar predikte
en leeraarde hij, daar ging en kwam hij, daar pijnde en daar
wrocht hij in den zielenoogst, en midden in den drukkenden last,
de volle dagen, en de dikwijls verpletterende ontmoediging van
't zendelingenleven, onder den heeten hemel, in een moordend
geluchte, daar hield hij recht, hield hij staande, bij den stam
van het allesverwinnend kruis, zijn stalen werkkracht en zijn
blij gemoed; en daar wist hij nog tijd te maken en lust te
vinden om kunstig en leerzaam letterwerk voort te brengen.
De onverbiddelijke hand des doods, die zijne taakgenooten zoo
talrijk neervelde rondom hem in de laatste jaren, is ook hem
komen halen; 't was God's aanbiddelijk raadsbesluit dat hij niet
langer werken zou, en zijn arm verlamde, het hoofd viel stervend
bij de werke, latend onvoleind zijn Kaloeloe, waar hij
met zooveel lust aan wrocht om het te brengen tot de
volmaaktheid van een wezenlijk kunstwerk.
Dierenepos, zoo doopte men met eenen naam uit der
schoolvossentaal, een slag letterkundige voortbrengsels waar
ook Kaloeloe bij behoort. Eene reeks, te weten, de
vertellingen, in gebonden of ongebonden stijl, op rijm, of
onrijm, waar de dieren de helden van zijn, en één dier
voornamelijk, de hoofdheld.
Aan die dieren schrijft men dan menschenvoeren toe, men laat ze
denken en doen, spreken en oordeelen, handelen en wandelen als
menschen, met een ander woord, daar alles in den huidigen tijd
zijn wetenschappelijk plakbriefje moet dragen, men
antropomorfiseert ze. 't Bijzonderste is, dat de schrijver
van zulk een dierenheldendicht eene beste gelegenheid vindt om
in en door die doening van dieren, de zeden te schetsen, de
gebreken en ondeugden over den hekel te halen van sommige
menschen of sommige standen uit zijnen tijd.
En zulke schets is natuurlijk levendig, zulke spot en hekel zijn
zooveel te meer vliemend, daar de mensch hier door zijn mindere,
door het ignobile pecus zijne les gespeld wordt.
Zulk een werk is Kaloeloe ― een zedenschets door een
dierenfabel. Was het op Vlaamschen bodem geboren geworden, dan
zou het geen Kaloeloe maar Cuwaert geheeten hebben, en geen
Congoleesche negerzeden vertaald, maar Vlaamsche gebruiken
geteekend hebben naar den aard en de wijze van onzen
Reinaert de Vos.
'k Wil zeggen dat zulk werk in zijn soort niet nieuw is,
afgezien van de behandelde stoffe. De middeneeuwen bijzonderlijk
hebben het gekend, en Bestiaris genoemd, of
dierenfabel wanneer minder van gehalte; de tijd der
gemeenten vooral bracht er voort: immers dan begon het volk, in
stoffelijke welvaart, ook uit te zien naar zijn aandeel in
geestelijke vervolmaking, in genot voor het verstand, het
leerde, en, wetenschap, die vroeger een eigen heiligdom was van
edelen en geestelijken wordt nu binnengetreden door den derden
stand, het volk. Het begon te dichten, en door zijn dichten ook
grijnst dezelfde vinnige spotlust, dien men ziet lachen uit zijn
prenten, doeken en beelden; in lollige, boertige vrijzeggerij
scheert het met alles, smoeit het naar alles, trekt het naar
alles zijn guitige gespe, en liefst van al slaat het aan den
disch de ondeugden en gebreken van alles wat hoger staat ― van
adel en geestelijkheid.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Wie is er die niet ook nu, met altijd splinternieuw genot, zijn
Reinaert de Vos of Reineke Fuchs of le Roman du Renard ter hand
neemt, en zich met welgevallen laat de waarheid zeggen en de
passie preken door den sluwen Vos; zijn poetse heeft hij gereed
en zijne bestraffing bij de hand, voor elk zwak en elke ondeugd
in de samenleving.
Dit is het best bekende doch niet het eenige dier dierenepossen
of dierenfabels. Er zijn er meer. Naar men beweert zijn ze uit
het Oosten afkomstig, bepaaldelijk uit Indië. In Egypte zelfs,
werd een papyrus gevonden met den fabel van de Leeuw en de
Muis. Uit het Oosten kwamen ze over naar Griekenland en de
Hellenen hadden hunnen grooten dierfabeldichter Aesopus; van
Griekenland gingen ze naar Italië over en Phoedrus en
Avianus deden den Griek na en dichtten dierfabels in 't
Latijn.
De middeneeuwen was hun bloeitijd: er waren Latijnsche
als de Ecbasis Captivi ―de vlucht van de gevangene― uit de
10e eeuw, waarin een vluchtende wolf een pater voorstelt, die
uit zijn klooster wegloopt; en de Isegrims uit de 12e eeuw
(Isen grim of het ijzeren grijm of masker - le masque de
fer), verhalend de gevaartenissen van den wolf. Er waren
Duitsche, de Isengrînes Nôt uit de 12e eeuw; er waren
Fransche onder den naam branches, en den Reinaert
bestaat in bijna alle bekende talen van dien tijd.
In Frankrijk zijn er sedertdien veel dierfabeldichters geweest,
en boven allen munt meester Lafontaine uit, in de 17e eeuw;
in de 18e eeuw Lessing en Hagedorn, en in de 19e eeuw
hebben we in Duitschland de Gebroeders Grimm en Clemens Brentano in hunne Tiermärchen die soort letterkunde weder
laten opleven. In de heel laatste tijden zijn over de dieren uit
Engelsch-Indië een paar heerlijke boeken verschenen:
Rudyard Kipling's Jungle Books, meen ik.
Doch wat ik hier bij onze lezers in te leiden heb, is geen
Jungle Book; even getrouw geeft het ook de zeden der dieren
weer; even meesterlijk is het afgekeken, schetst het en stelt
het voor, even meeslepend verhaalt het, maar 't doet iets meer,
te weten, het laat door 't verhaal wonderwel aan het licht komen
de gewoonten en gebruiken der negers. De haas en andere dieren
spreken en handelen zooals negers gewoonlijk spreken en
handelen. De hazejongen spelen zooals kinderen spelen in de
negerdorpen, en zooveel te belangrijker is de stof, daar ze
springlevend komt recht uit de bronne, zooals ze door de zwarten
zelf uitgepeinsd en belichaamd werd.
Hoe ging immers Pater V. Acker te werke bij 't verzamelen zijner
materialen?
“Om die te kennen,” zoo leert me een brief van zijnen
ambtgenoot, E. P. Jos. Weghsteen, “gaf P. Van Acker, die ten
dien tijde professor was bij de Catechistenschool te Mpala,
aan zijne leerlingen oefeningen in opstel, en hij legde hun
zekeren dag op allen een opstel te maken met eene of andere
volksvertelling die ze kenden over Kaloeloe, en zoo had hij er
ineens eene gansche reeks.”
En waarom nu den haas, die juist geen toonbeeld is van
schrandere onverschrokkenheid, tot held gekozen van al die looze
streken? Dezelfde E. P. Weghsteen antwoordt mij met eene
gissing, waarmee hij wel een deel van de waarheid treft: “Daar
zijn hazen in evenaarstreken. Bij de zwarten is de haas het
zinnebeeld van vernuft en slimheid, ook ziet men hem iedereen
bedriegen en op de kosten van alleman leven. Waarom, zult ge
zeggen, is de haas hier meester van alle slimheid? Het is, zoo
meen ik, daar men de hazen moeilijk vindt, omdat ze zich zoowel
weten uit de voeten te maken, en opnieuw in hunne holen te
verdwijnen, wanneer men denkt ze te kunnen grijpen; en het
gebeurt werkelijk zelden, dat een zwarte met een haas thuis
komt.”
Daarbij is 't genoeg bekend, hoe het een onfeilbaar middel is
tot verwekken van lach en spot en vernedering, de rollen om te
keeren; dat zien we dikwijls ten nutte gebracht in de
spotprenten ―caricatures― uit alle tijden, en een
middeneeuwsche spotvoorstelling verbeeldt den haas te peerde op
'nen jachthond, alias, de verkeerde wereld, zoo spelt hier de
haas de les aan den jager, den mensch2.
Om nu nog beter te weten wat P. Van Acker's Kaloeloe is, dient
men het stuk te lezen. Mijn proloog is al lang genoeg, te lang
wellicht, en ik neem dus oorlof, trek bachten de schermen en heb
de eer u voor te stellen aan Kaloeloe
zelf.
Caesar Gezelle
|