Vorige: Kaloeloe, de Haas.   Omhoog: Kaloeloe, de Haas.   Volgende: Hoe Kaloeloe, nog voor zijn geboorte, aan kreupele Fisi werd toegezegd.
Inhoudsopgave   Index


Ter inleiding.

Gepubliceerd op 20 april 1912

Kaloeloe, de haas, is een allermerkweerdigst dierenepos, eene belangrijke zante, de kunstige verwerking van een lief onderwerp, eene kostelijke bijdrage tot de studie der zeden bij de volkeren of ethnologie, is dit alles, en is daarbij nog “de stem uit het graf”, de zwanenzang, van den onvermoeiden geloofsbode, den harde kristen, den blijde Vlaming, den echte woordkunstenaar, den luimigen, schalksen, kleurigen en fleurigen verhaler dien we allen betreuren, in wijlen Eerweerden Vader Gustaaf Van Acker, van Brugge.
Gestorven spreekt hij nog, en hij zal nog lang spreken.
Niemand leest de “Annalen der zendelingen van de Witte Paters in Afrika”, of hij heeft telkens verlangend uitgezien naar het verschijnen van een nieuwe aflevering, om er iets in te vinden uit die begaafde pen; niemand of hij heeft met bewonderende belangstelling en innige voldoening dien volbloedigen Bruggeling gevolgd op zijne reis bij de Baluba's1.
Thans is hij afgereisd naar de streken van 't hiernamaals, die goede, die naar 's Heren voorbeeld, zijn wegen ging al weldoend. Nu oogst hij, met God's genade, de vruchten van zijn onverdroten arbeid, en heeft hij den hemelzang gehoord hem tegenluidend: Quam speciosi... hoe schoon zijn de voeten van hen, die voeren de blijde mare van vrede en van goed!
Daar bloedt, daar strekt het woeste land wijd uit. Daar predikte en leeraarde hij, daar ging en kwam hij, daar pijnde en daar wrocht hij in den zielenoogst, en midden in den drukkenden last, de volle dagen, en de dikwijls verpletterende ontmoediging van 't zendelingenleven, onder den heeten hemel, in een moordend geluchte, daar hield hij recht, hield hij staande, bij den stam van het allesverwinnend kruis, zijn stalen werkkracht en zijn blij gemoed; en daar wist hij nog tijd te maken en lust te vinden om kunstig en leerzaam letterwerk voort te brengen.
De onverbiddelijke hand des doods, die zijne taakgenooten zoo talrijk neervelde rondom hem in de laatste jaren, is ook hem komen halen; 't was God's aanbiddelijk raadsbesluit dat hij niet langer werken zou, en zijn arm verlamde, het hoofd viel stervend bij de werke, latend onvoleind zijn Kaloeloe, waar hij met zooveel lust aan wrocht om het te brengen tot de volmaaktheid van een wezenlijk kunstwerk.



Dierenepos, zoo doopte men met eenen naam uit der schoolvossentaal, een slag letterkundige voortbrengsels waar ook Kaloeloe bij behoort. Eene reeks, te weten, de vertellingen, in gebonden of ongebonden stijl, op rijm, of onrijm, waar de dieren de helden van zijn, en één dier voornamelijk, de hoofdheld.
Aan die dieren schrijft men dan menschenvoeren toe, men laat ze denken en doen, spreken en oordeelen, handelen en wandelen als menschen, met een ander woord, daar alles in den huidigen tijd zijn wetenschappelijk plakbriefje moet dragen, men antropomorfiseert ze. 't Bijzonderste is, dat de schrijver van zulk een dierenheldendicht eene beste gelegenheid vindt om in en door die doening van dieren, de zeden te schetsen, de gebreken en ondeugden over den hekel te halen van sommige menschen of sommige standen uit zijnen tijd. En zulke schets is natuurlijk levendig, zulke spot en hekel zijn zooveel te meer vliemend, daar de mensch hier door zijn mindere, door het ignobile pecus zijne les gespeld wordt.
Zulk een werk is Kaloeloe ― een zedenschets door een dierenfabel. Was het op Vlaamschen bodem geboren geworden, dan zou het geen Kaloeloe maar Cuwaert geheeten hebben, en geen Congoleesche negerzeden vertaald, maar Vlaamsche gebruiken geteekend hebben naar den aard en de wijze van onzen Reinaert de Vos.
'k Wil zeggen dat zulk werk in zijn soort niet nieuw is, afgezien van de behandelde stoffe. De middeneeuwen bijzonderlijk hebben het gekend, en Bestiaris genoemd, of dierenfabel wanneer minder van gehalte; de tijd der gemeenten vooral bracht er voort: immers dan begon het volk, in stoffelijke welvaart, ook uit te zien naar zijn aandeel in geestelijke vervolmaking, in genot voor het verstand, het leerde, en, wetenschap, die vroeger een eigen heiligdom was van edelen en geestelijken wordt nu binnengetreden door den derden stand, het volk. Het begon te dichten, en door zijn dichten ook grijnst dezelfde vinnige spotlust, dien men ziet lachen uit zijn prenten, doeken en beelden; in lollige, boertige vrijzeggerij scheert het met alles, smoeit het naar alles, trekt het naar alles zijn guitige gespe, en liefst van al slaat het aan den disch de ondeugden en gebreken van alles wat hoger staat ― van adel en geestelijkheid.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Wie is er die niet ook nu, met altijd splinternieuw genot, zijn Reinaert de Vos of Reineke Fuchs of le Roman du Renard ter hand neemt, en zich met welgevallen laat de waarheid zeggen en de passie preken door den sluwen Vos; zijn poetse heeft hij gereed en zijne bestraffing bij de hand, voor elk zwak en elke ondeugd in de samenleving.

Dit is het best bekende doch niet het eenige dier dierenepossen of dierenfabels. Er zijn er meer. Naar men beweert zijn ze uit het Oosten afkomstig, bepaaldelijk uit Indië. In Egypte zelfs, werd een papyrus gevonden met den fabel van de Leeuw en de Muis. Uit het Oosten kwamen ze over naar Griekenland en de Hellenen hadden hunnen grooten dierfabeldichter Aesopus; van Griekenland gingen ze naar Italië over en Phoedrus en Avianus deden den Griek na en dichtten dierfabels in 't Latijn.
De middeneeuwen was hun bloeitijd: er waren Latijnsche als de Ecbasis Captivi ―de vlucht van de gevangene― uit de 10e eeuw, waarin een vluchtende wolf een pater voorstelt, die uit zijn klooster wegloopt; en de Isegrims uit de 12e eeuw (Isen grim of het ijzeren grijm of masker - le masque de fer), verhalend de gevaartenissen van den wolf. Er waren Duitsche, de Isengrînes Nôt uit de 12e eeuw; er waren Fransche onder den naam branches, en den Reinaert bestaat in bijna alle bekende talen van dien tijd.
In Frankrijk zijn er sedertdien veel dierfabeldichters geweest, en boven allen munt meester Lafontaine uit, in de 17e eeuw; in de 18e eeuw Lessing en Hagedorn, en in de 19e eeuw hebben we in Duitschland de Gebroeders Grimm en Clemens Brentano in hunne Tiermärchen die soort letterkunde weder laten opleven. In de heel laatste tijden zijn over de dieren uit Engelsch-Indië een paar heerlijke boeken verschenen: Rudyard Kipling's Jungle Books, meen ik.

Doch wat ik hier bij onze lezers in te leiden heb, is geen Jungle Book; even getrouw geeft het ook de zeden der dieren weer; even meesterlijk is het afgekeken, schetst het en stelt het voor, even meeslepend verhaalt het, maar 't doet iets meer, te weten, het laat door 't verhaal wonderwel aan het licht komen de gewoonten en gebruiken der negers. De haas en andere dieren spreken en handelen zooals negers gewoonlijk spreken en handelen. De hazejongen spelen zooals kinderen spelen in de negerdorpen, en zooveel te belangrijker is de stof, daar ze springlevend komt recht uit de bronne, zooals ze door de zwarten zelf uitgepeinsd en belichaamd werd.
Hoe ging immers Pater V. Acker te werke bij 't verzamelen zijner materialen? “Om die te kennen,” zoo leert me een brief van zijnen ambtgenoot, E. P. Jos. Weghsteen, “gaf P. Van Acker, die ten dien tijde professor was bij de Catechistenschool te Mpala, aan zijne leerlingen oefeningen in opstel, en hij legde hun zekeren dag op allen een opstel te maken met eene of andere volksvertelling die ze kenden over Kaloeloe, en zoo had hij er ineens eene gansche reeks.”
KaloeloeDeHaas En waarom nu den haas, die juist geen toonbeeld is van schrandere onverschrokkenheid, tot held gekozen van al die looze streken? Dezelfde E. P. Weghsteen antwoordt mij met eene gissing, waarmee hij wel een deel van de waarheid treft: “Daar zijn hazen in evenaarstreken. Bij de zwarten is de haas het zinnebeeld van vernuft en slimheid, ook ziet men hem iedereen bedriegen en op de kosten van alleman leven. Waarom, zult ge zeggen, is de haas hier meester van alle slimheid? Het is, zoo meen ik, daar men de hazen moeilijk vindt, omdat ze zich zoowel weten uit de voeten te maken, en opnieuw in hunne holen te verdwijnen, wanneer men denkt ze te kunnen grijpen; en het gebeurt werkelijk zelden, dat een zwarte met een haas thuis komt.”
Daarbij is 't genoeg bekend, hoe het een onfeilbaar middel is tot verwekken van lach en spot en vernedering, de rollen om te keeren; dat zien we dikwijls ten nutte gebracht in de spotprenten ―caricatures― uit alle tijden, en een middeneeuwsche spotvoorstelling verbeeldt den haas te peerde op 'nen jachthond, alias, de verkeerde wereld, zoo spelt hier de haas de les aan den jager, den mensch2.
Om nu nog beter te weten wat P. Van Acker's Kaloeloe is, dient men het stuk te lezen. Mijn proloog is al lang genoeg, te lang wellicht, en ik neem dus oorlof, trek bachten de schermen en heb de eer u voor te stellen aan Kaloeloe zelf.

Caesar Gezelle



Voetnoot

...Baluba's1
P. G. Van Acker: Een Vlaamsch Geloofszendeling bij de Baluba's in Congoland. J. De Meester, uitgever, Roeselaere. Prijs: 2,50fr.
...mensch2
Men kan hierover nagaan het belangrijk werk van Thomas Wright: Histoire de la caricature et du grotesque; uit het Engelsch vertaald door Octave Sachot. Parijs, Garnier Frères.


Vorige: Kaloeloe, de Haas.   Omhoog: Kaloeloe, de Haas.   Volgende: Hoe Kaloeloe, nog voor zijn geboorte, aan kreupele Fisi werd toegezegd.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009