Zijn laatste brief

 

Een grote drukte heerst in 't houten slaapgebouw.

't Is avond reeds en morgen wacht de zondagsrust,

een vroeger blijde dag, nu altijd droef en grauw

voor d'arme vlucht'ling, levend doelloos, zonder lust.

D' eentoon'ge taak die week'lijks weer gebeurt,

het schuren ener zaal wordt vluchtig gauw verricht

door een'ge mannen, vrouwen, aangesteld om beurt

wijl*1 't elke vlucht'ling doet als algemene plicht.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Te midden 't luid rumoer een vrouw staart peinzend rond.

't Vervallen, lief gelaat getuigt van zielenleed.

wijl*2 haar gedachten toeven steeds aan 't verre front

waar haar aanbeden man nu strijdt of... streed...

Een stemme wekt haar plots uit 't dof gedromerij.

Een buurvrouw roept haar toe: “Een brief van uwe man

op 't postkantoor.” Ze schrikt. Ontroerd en sidd'rend, blij

verhaast ze 't nieuws te halen heen zo gauw ze kan.

Wat al gedachten flitsen dwarr'lend door haar geest!

Een brief van hem! 't Werd tijd, het was zo lang geleên.

Wat zoet geluk! En toch. Ze voelt zich vaag bevreesd.

Wat brengt die brief? Is 't vreugdenieuws of droef geween?

Ze treedt de postloods in, bezweet en aangedaan.

Ze vraagt en krijgt weldra het lang verbeide*3 schrift

en even later staat ze bevend op de laan

met wangen, gloeiend heet, vol ongeduld en drift.

Gejaagd en ongeduldig stapt ze haastig voort,

haar schreden richtend naar een lichtend vensterglas,

beziet daar scheem'rend 't schrift. Verschrikt en dof, gesmoord,

ontglipt een gil haar borst, haar wang wordt bleek als was.

O God, dat schrift is niet van hem, haar echtgenoot!

Ze kent het niet, ze zag het niet, het is haar vreemd.

Verwilderd ziet ze rond, doch niemand heeft haar kreet gehoord

en koortsig, bang, verscheurt ze 't omslag, leest versteend:

"Mijn dierb're vrouw, ik lig op 't stervensbed gestrekt.

Ik kan niet schrijven, 't scheidensuur is daar, de dood.

Mijn makker schrijft mijn laatste brief, want moog'lijk dekt

reeds morgen d'aarde m'eeuwig in haar zachte schoot.

Het scheiden valt me bitter hard, ook reddend zoet,

want 'k lijd onmens'lijk leed met diep doorboorde borst.

Vaarwel o dierb're vrouw, mijn laatste zoen en groet

voor jou en kleine Jan die 'k vrucht'loos weerzien dorst.

"Dood "! zo gilt ze aak'lig, woest, met hees geweld.

"Hij is dood !" Gevoelloos leunt ze tegen 't houten schot,

verdoofd door 'd ijs'lijk ruwe slag teneergeveld.

Z' ontwaakt gebroken, smart'lijk 't oog gericht tot God.

Zij kreunt en steunt, haar boezem siddert op en neer,

en wank'lend keert zij weer naar d' houten woning, loom,

waar blij, verlangensvol, haar wacht haar zoontje teer

naar nieuws van va die rust'loos leeft in 's knaapjes droom.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

De mensen staan in groep vergaard en spreken saam.

Ze snelt hen schuw voorbij en richt zich naar het hok.

Men merkt haar droef en bleek gelaat en vraagt begaan

de reden van haar*4 smart. Doordringend huilt z' in brok:

"Mijn man is dood, gesneuveld. 'k  Zie hem. nimmer weer!"

 

*1    omdat

*2    terwijl

*3    Originele tekst: verbeidde

*4    Originele tekst: harer

*5    moesje, moeder (kindertaal)

*6    een poosje

*7    klompen

*8    (personificatie) maan

*9    weduwe

*10  beide. Het betreft de handen

*11  eega, echtgenoot terug inleiding

Ze leunt vermoeid. Men dringt zich rondom d' arme vrouw.

Z' ontvlucht hen, het 't teed're hart doorplengd met hartezeer.

Ze wil alleen, alleen zijn met haar smart en rouw.

Zij treedt haar houten hokje binnen, valt teneer.

Haar zoontje komt bij haar en vraagt beangstig aan

moes*5 waarom zij huilt zo droef en gaat zo vreemd te keer.

Zij drukt haar kind aan 't hart en zoent het zacht in roes.

Het knaapje zegt met zoeter  stemme: "Wat schrijft ons va?

Is 't vechten haast gedaan en komt hij gauw terug ?

'k Verlang zo vurig steeds naar hem. Ach moog' hij dra

bij ons weer zijn, dan speel ik paardje op zijn rug."

Des schuldloos' knaapjes taal vergalt de gal der smart.

Zj zoent het mart'lend kindermondje dicht en snikt:

"O zwijg, mijn kind, o zwijg. Je pijnigt mij het hart,"

terwijl haar smekend oog in 's knaapjes kijkers blikt.

De kleine vraagt niet meer, hij is vermoeid van 't spel.

Hij wil naar 't bed van stro. Zijn moesje dekt hem goed.

Zij zoent hem vurig, teer, en fluistert: "Sluimer wel!"

En 't kindje droomt van va die vecht met lust en moed.

Een wijle*6 staart ze dof met wanhoop in het hart

naar 't slapend, blozend wicht, hun liefdepand.

D' herinnering aan hun vroeger blijde leven tart

de arme vrouw en bevend grijpt haar klamme hand

het klein portret van haars doden mans van 't houten schot

en lange schouwt ze 't beeld met vreemde blikken aan.

Hij ziet haar lachend aan en zinloos roept ze : "O God,

dat kan,  dat mag niet zijn.! Is alles dan gedaan?"

Het wordt haar erg benauwd in 't warme slaapgebouw.

Weg van hier, in d' avondkoelte gevloôn!

Gejaagd, niet ommeziende, strompelt d' arme vrouw

het stille, nacht'lijk duister in, op d'houten kloôn.*7

Waarheen? Zij weet het niet. Ze ijlt steeds rust'loos rond,

tot eind'lijk, afgemat, ze verder niet kan gaan

en plots'ling nedervalt ze op d' harde ruwe grond,

en kreunend roept haar man in zinloos ijle waan.

De bleke nachtvorstinne*8 kijkt haar droevig aan

als leed ze ook door 't bittere leed der arme vrouw.

De kille nachtwind rukt en giert als woest begaan,

verstomt de bittere klacht der jonge weeuw*9 in rouw.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Een wijl wordt alles stil, de stormwind ligt aan perk...

en plots... De tonen der muziek weerklinken zacht

of krachtvol, naar gelang, door 't duist're zwerk.

In 't feestgebouw viert vreugde hoogtij, men lacht.

- - - - -  - - - - - - - - -  - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

En d' arme jonge vrouw door 't lijden overmand,

kruist bevend d'  handen op haar teed're boezem, bei.*10

Ze luistert stil, ze droomt zich zoet in 't dromenland

en hoor.. In koor de eng'len zingen vrij en blij.

Geen kwellend leed gevoelt zij meer, 't wordt  alles licht.

Hoe schoon, hoe hemels schoon haar alles tegenlacht!

Ze luistert, luistert steeds met stralend, vroom gezicht.

En... plots'ling opent zich de schitt'rend' eng'lenwacht.

- - - - -  - - - - - - - - -  - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Gehuld in reine glans, gekleed in gouden pracht,

een engel nadert haar en strekt de armen uit.

Mijn God! Het is haar gâ,*11 die blijde op haar wacht.

Ze werpt zich juichend aan zijn borst en jubelt luid.

- - - - -  - - - - - - - - -  - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Zielsbegoch'ling, hemelbalsem, vloei als 't kan

nog lang verkwikkend zoet in 't lijdend harte vroom.

O, laat haar toeven  lang bij hare dode man,

al zij 't bedrieglijk, ook in  lieve, zachte droom.