Uit "De Hei is groot genoeg" door Gerard van Bruggen.

Schaffelaarreeks nr. 47. Barneveld, Kon. BDU Uitgevers B.V. 2008

 

Foto's, enkele illustraties en aangehaalde gedichten zijn hier weggelaten, ook heb ik enige kleine correcties uitgevoerd, aangeduidt: ph

 

Eén van de Belgische vluchtelingen die door de periode in het Vluchtoord Ede tot creatieve expressie kwam is Jo Hoeck.

Als 17-jarige jongen heeft hij in de barakken op de Ginkelse heide zijn gedachten en gevoelens omgezet in een aantal gedichten. In de aanhef van hoofdstuk 2 is het eerste vers van het 15 coupletten gedicht In Ballingschap afgedrukt.

(zie blz. 19 uit: De Hei is groot genoeg, ph)

 

Jo, (voluit Jozef Ph.A., maar meestal aangeduid met Jos. Hoeck), wordt op 5 december 1898 in Antwerpen geboren. Hier groeit hij op en volgt hij de studie aan het Atheneum, die hij vanwege de oorlog moet afbreken. Vader Hoeck is in het begin van de oorlog aan een ernstige ziekte overleden. Moeder bleef met vier kinderen achter en trekt in oktober 1914, (val van Antwerpen), met de grote vluchtelingenstroom mee noordwaarts. (op blz 115 staan hier foto's moeder Elenora Anna Segers, geboren 29 november 1874 te Antwerpen en tekening Jo Hoeck, ph)

 

Het gezin Hoeck passeert bij Essen de grens, wordt opgevangen in Roosendaal en doorgezonden naar Dordrecht. Op 24 oktober komt de naam van Jos. Hoeck voor op een lijst Belgische vluchtelingen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant; uit de kop blijkt dat hij zich zelf voor deze lijst heeft aangemeld om daardoor zijn verblijfplaats bekend te maken. Waarom van de familie hier alleen Jo genoemd wordt is niet duidelijk. Was men elkaar kwijtgeraakt en heeft men door deze vermelding elkaar weer gevonden? Hoe het ook zij op 14 april 1915 komt het gezin via Vogelenzang (Bloemendaal) terecht in Vluchtoord Ede. Met elkaar delen ze ‘cabien’ 31 in slaapzaal W. de Mol in het Scheldedorp. Waarschijnlijk was het de bedoeling om zo snel mogelijk terug te keren naar Antwerpen, want in het vertrekregister staat het gezin Hoeck (moeder 'Leonia', zoon Jozef en de dochters Irma, Elodie en Cecile) geboekt voor vertrek op 20 april. Alle namen zijn echter doorgehaald en de opmerking ‘niet gegaan’ is bijgeschreven. Tot de ontruiming van het Vluchtoord blijft het gezin in Ede.

 

Als oudste kind en enige zoon zal Jo ongetwijfeld een grotere verantwoordelijkheid op zich genomen hebben dan normaal is voor een jongen van zijn leeftijd. Hoewel zijn schoolopleiding nog niet was afgerond is hij bij zijn aankomst in Ede ingeschreven als kantoorbediende – misschien heeft hij binnen het Vluchtoord enige administratieve werkzaamheden vervuld om op die manier aan de werkplicht die iedereen had, te voldaan.

 

In het Vluchtoord is Jo Hoeck bekend geworden als dichter. In het al in april 1915 opgerichte kampblad Ons Leven zijn enige,  gedichten van hem opgenomen. Later heeft hij – volgens zijn zoon – afstand genomen van deze gedichten als zijnde een "jeugdzonde"en "te naïef". Toch zijn deze gedichten het eerste blijk van zijn taalgevoeligheid, die later zal blijken uit zijn enorme talenkennis en letterkundige activiteiten. Als op 15 juli 1915 een ‘Oordfeest’ wordt georganiseerd, staat ook poëzie op het programma en het is zeker niet uitgesloten dat Jo Hoeck dit onderdeel voor zijn rekening heeft genomen of zijn medewerking hieraan heeft verleend. Zekerheid hierover is er niet omdat op het programma geen namen voorkomen. Dit is wel het geval op het feestprogramma voor 31 augustus 1915, een feest ter ere van de verjaardag van Koningin Wilhelmina.

Op het avondprogramma staat Aan Nederland, huldedicht van J. Hoeck. Vermoedelijk heeft hij het niet zelf voorgedragen maar M.K. De Roeck, aangezien ook deze naam vermeld wordt. Dit gedicht is ook tevens het eerste dat gepubliceerd wordt in de rubriek ‘De Muzen in het Vluchtoord’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook de bijdrage in de volgende aflevering van ‘De Muzen in het Vluchtoord’ staat op naam van Jo Hoeck:

Hun Huisje Lief en Kleen

 

Avondmijmering, geschreven op 10 augustus, is het volgende gedicht dat op 18 augustus in Ons Leven wordt gepubliceerd. Volgens de redactie wordt het gedicht ter opname aangeboden door "een jonge, melancholieke harpenaar" (Jo zelf?) en is het "opgedragen in trouwe vriendschap aan mijne makkers Edmond en Charles Wagemans". Hoewel het gedicht niet autobiografisch is, moeten de volgende regels mede betrekking hebben op de dichter zelf:

 

 

Mijn lijdend hart, dat klaagt in droef gefluister:

"O diepbetreurde, snel vervloden jeugd!"

En mijmrend ziet mijn geest in ’t ver verleden,

’t Bekoorlijk beeld der jeugd, zoo hemelszoet

Hoe leeg, gevoelloos schijnt het bitter heden,

Waar thans mijn harte, rouwend dwalen moet.

Na de oorlog keert moeder Hoeck met haar dochters terug naar Antwerpen, maar Jo verhuist naar Amsterdam, waar hij achtereenvolgens woont aan de Bilderdijkstraat en de Da Costakade. Met behulp van Dr. Portielje kan hij als werkstudent zijn weg vinden. "Portielje is voor hem duidelijk een vaderfiguur geweest, hij sprak altijd met veel ontzag over hem", schrijft zijn zoon. Nog tijdens de oorlog krijgt Jo Hoeck een baantje bij Artis (te danken aan Portielje die daar eveneens werkzaam was)waar hij blijkens een getuigschrift bijna een jaar tot "volle tevredenheid is werkzaam geweest en zich in dien tijd heeft doen kennen als een ijverig en gewillig jongmensch". In deze periode haalt hij de diploma’s Franse en Engelse handelscorrespondentie en is enige tijd werkzaam als correspondent voor het Nederlandse kantoor van een Amerikaanse autofabrikant. Waarschijnlijk om de Belgische dienstplicht te omzeilen, neemt hij kort na de oorlog voor enkele jaren de Nederlandse nationaliteit aan, maar misschien was de reden hiertoe ook wel de mogelijkheid een baan te kunnen krijgen op het Nederlandse consulaat in het Italiaanse Genua. Gedurende de korte periode (8 maanden) dat hij hier werkzaam is, leert hij Italiaans. Terug in Amsterdam volgt een baan bij de Amsterdamse Bank en de studie Duitse handelscorrespondentie.

 

Rond 1923/24 keert Jo Hoeck terug naar Antwerpen om daar op diverse scholen onderwijs in vreemde talen te verzorgen. Aan het rijtje Duits, Engels, Frans wordt toegevoegd Spaans, Italiaans en Portugees – zelf noemt Hoeck zich leraar Germaanse en Romaanse (op zijn visitekaartje Latijnse) talen. Naast het docentschap is er ook de functie van letterkundig adviseur van de Antwerpse schouwburg en vertaler voor diverse instellingen. Vele toneelstukken zijn door hem in het Vlaams vertaald.

 

Behalve leraar/vertaler was Jo Hoeck actief binnen de Vlaamse beweging en voorstander van een zelfstandig Vlaanderen binnen een verenigd Europa. Zijn betrokkenheid in Vlaanderen blijkt ook uit zijn activiteiten als gids en tolk voor de stad Antwerpen. Zoon Peter omschrijft zijn vader als atheïst en socialist, filosoof en non-conformist.

 

In 1936 trouwt Jo Hoeck met de 18 jaar jongere Augusta Eggers (20-01-2009, ph)

uit welk huwelijk twee zoons Jan (13-03-2012), Peter en een dochter Anneke worden geboren.

(namen toegevoegd, ph). Hoewel er in het gezin Hoeck weinig gesproken werd over de Edese periode uit de jeugd van vader Hoeck, hebben deze jaren hem ongetwijfeld gevormd en is misschien zijn opstelling in de tweede wereldoorlog mede hierdoor ingegeven. In de jaren 40-45 is Jo Hoeck in staat geweest (samen met de in zijn woonplaats Essen gelegerde Duitse commandant die geen aanhanger van het nazisme was, maar wel leraar) vele jongens te vrijwaren van tewerkstelling in Duitsland. Ook heeft hij hulp verleend aan een aantal Joodse vrienden. Helaas heeft hij ten gevolge hiervan enkele maanden vastgezeten in het voormalig concentratiekamp Breendonck, (of was het de gevangenis in Antwerpen? ph), en ongetwijfeld zijn zijn gedachten toen regelmatig teruggekeerd naar de Edese heide.

Op 6 november 1968 overlijdt Jo Hoeck in zijn woonplaats Essen, bijna 70 jaar oud.