Aan Nederland

 

Voorgedragen op de feestzitting van 31 augustus in het Vluchtoord Ede

 

 

Het ruwe oorlogsmonster waarde grimmig rond,

verwoestte huis en haard en trof het vreedzaam volk

dat raad'loos, angstig vluchtte, 't harte diep gewond,

en dof de droeve blik als bitt're lijdenstolk,

verlangend, smekend wendde, bang, naar 't broederland

dat troostend, als een lieve ster aan 't zwart gewelf

de duist're nacht verlicht, een koest'rend, heilzame plant

een zoet gevoel van hoop in 't hart van d'arme Belg.

 

En 't gastvrij broederland ontving de grote schaar

met grote, reine, eed'le liefde, onvermengd,

verpleegde liefdevol de Belgen altegaar

en troostte 't schreiend hart in bitter leed geplengd.

En langzaam keerde weer in 't diep geschokt gemoed

der ruw verjaagden kalme rust en stille hoop.

De trouwe broederliefde schonk hun kracht en moed

om 't hoofd te beuren als 't heimwee 't hart bekroop.

 

Nog steeds, o edel, groots en dierbaar Nederland,

nog spijst uw milde, gulle hand der Belgen mond.

Ge hebt ons vastgesnoerd in onverbreekb're band

van diepe dankbaarheid en trouwe broederbond.

En leeft straks het Belgisch volk weer vrij in rust

in 't dierbaar vaderland, in eigen huis en haard,

steeds zullen wij, de heil'ge, zware plicht bewust,

u minnen, edel land dat zulke liefde baart.

 

31-8-1915

 

Dit gedicht werd voorgedragen ter ere van Koninginnedag. Waarschijnlijk heeft M. K. De Roeck het voorgedragen.

 

Ik zelf heb het eerste couplet gebracht in de reportage op de Vlaamse Radio en TV.

 

Zie video op pagina vluchtoord Ede.