Appellation Contrôlée
INLEIDING
SITUERING
GESCHIEDENIS
VINO-TECHNISCHE GEGEVENS
DE PERIODE NA W.O. II
APPELLATION IROULÉGUY CONTRÔLÉE (DECREET VAN 23 OKTOBER 1970)
GEOLOGIE
GEOMORFOLOGIE
PEDOLOGIE (BODEMKUNDE)
HYDROLOGIE
CLIMATOLOGIE
MESOKLIMAAT
MACROKLIMAAT
ASSORTIMENT AAN WIJNSTOKSOORTEN
VEREISTEN VAN DE APPELLATION EN LEIDING VAN DE WIJNSTOK
DE TERRASSEN
DE VINIFICATIE EN DE OPVOEDING
SYNTHESE VAN APPELLATION IROULÉGUY
PRODUCTIE
EVOLUTIE VAN DE BEPLANTING
Inleiding
Situering
IRULEGI (Baskisch) is een kleine stadje van tweehonderdvijfitig inwoners in het kanton Baïgorry, in Basse Navarre, het maakt deel uit van acht gemeenten met een rijk verleden. Samen vormen zij de vallei van Baïgorry. Dit stadje gaf haar naam aan de wijn IROULEGUY, waarvan de wijngaarden zich vandaag uitstrekken op de steile en zonovergoten flanken van de Baskisch gebergte. in het hart van de Pyrenées, niet ver van de Spaanse grens.
Geschiedenis
In 1512 wordt het koninkrijk van Navarre gesplitst in twee : Haute Navarre wordt ingelijfd door Charles Quint en Basse Navarre vormt met de Béarn het nieuwe koninkrijk Navarre.
In de zeventiende eeuw ondernam de Burggraaf van Urdos, die in het versterkt kasteel woonde dat de gelegen was in het noorden van Saint-Etienne-de-Baïgorry, de wijncultuur op de nabije steile hellingen en hij motiveerde de landbouwers van de vallei. Elke Bask mocht zijn eigen wijn produceren en drinken: vanaf deze tijd breidde de wijngaarden zich uit van dorp naar dorp het Baskisch gebergte veroverend.
De achttiende eeuw kende een periode van welvaart en overvloed door de aanwezigheid van de mijnen, door een sterke locale consumptie en door de afzetmogelijkheden van de haven van Bayonne. De handel van de wijn naar Duitsland, Engeland en de Nederlanden bloeide.
Maar het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw geven het verval van de wijngaarden van Irouléguy aan. A.L. Le Canu , professor aan de Ecole Supérieure de Pharmacie de Paris, lid van de Académie de Médecine en van de Conseil de l'Hygiène et de la Salubrité, onderzoekt echter in 1868 op zijn eigendom Château de Licerasse de criteria die zo goed mogelijk de karakteristieken van de rijpheid van de druif beschrijven. Zijn werk wordt gepubliceerd en zelfs vertaald in het Spaans. In deze studie bestudeerd Le Canu de gekende druiverassen in het Baskenland : Churi Cerratia, Crochenta, Picapota, Izkiriota, Acheria (Zorra Negra), Camalua, Mancinga, Borrdelasa en Erre Manchaua alsook de Pinot Noir uit de Bourgogne door hem geacclimatiseerd in 1860.
Voor de wijnbouw begon een langdurige periode van achteruitgang.
Oorzaken: de ziekten aan de wijnstokken zoals de oïdium (1868) en de phylloxera (1912), de lange oorlog van 1914 die de dorpen ontnam van de waardevolle mannen die de wijngaarden onderhielden met een houweel, gestut op de steile hellingen van de wijngaarden en tenslotte de vervreemding van wijncultuur zelf.
Vino-technische gegevens
De periode na W.O. II
Na de tweede wereldoorlog, toen de omstandigheden er zich niet toe leenden, stichtte een groep ondernemende landbouwers niet zonder problemen onder het voorzitterschap van Alexandre Bergouignan de Cave coopérative de Saint-Etienne-de-Baïgorry. Op die manier werd de wijnstreek ontwikkeld en de typische wijnen van kwaliteit verbouwd. Op 23 januari 1953 werden de wijnen van Irouléguy verheven tot de A.O. V.D.Q.S. waarbij het geografisch productiegebied de volgende gemeenten omvatte: Anhaux, Irouléguy en Saint-Etienne-de-Baïgorry.
Een Besluit van 27 september 1963 voegde 6 gemeenten toe in het geografisch gebied: Ascarat, Bidarry, Ispoure, Jaxu, Ossès en Saint-Martin d'Arrossa.
Op 27 oktober 1970 bereikte de Irouléguy wijnen de AOC-standaard; het productiegebied zal beperkt blijven tot deze negen vermeldde gemeenten.
Appellation Irouléguy Contrôlée
(decreet van 23 oktober 1970)
Om in aanmerking te komen voor Appellation Irouléguy Contrôlée, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
Alleen witte, rode en rosé wijnen, die aan onderstaande vereisten voldoen, hebben recht op de appellation contrôlée Irouléguy:
gewonnen worden op het territorium van de volgende gemeenten van het departement Pyrenées Atlantiques: Anhaux, Ascarat, Bidarray, Irouléguy, Ispoure, Jaxu, Ossès, Saint-Etienne de Baïgorry, Saint-Martin d'Arressa, uitgezonderd de terreinen door de aard van hun ondergrond of ligging niet geschikt zijn om de wijn van de appellation te produceren.
De wijnen met recht op de appellation contrôlée Irouléguy moeten voortkomen van de volgende cépages, zonder alle andere rassen te gebruiken:
De rode, rosé en witte wijnen die recht hebben op de appellation contrôlée Irouléguy moeten afkomstig zijn van geoogste druiven met een goede rijpheid en een natuurlijk alcoholmetrische volumegehalte hebben van minimum 10 %.
Elk oogstlot dat een suikergehalte heeft onder 162 gram/liter most voor rode wijn en 153 gram/liter most voor witte en rosé wijnen, wordt beschouwd als niet goed rijp.
Daarenboven, terwijl het toegelaten is te chaptaliseren, mogen de wijnen niet een maximaal alcoholgehalte van 15 % voor witte wijnen en 14 % voor de rode en rosé-wijnen overschrijden.
De appellatie kan toegekend worden aan wijnen met een hoger alcoholgehalte zonder chaptalisatie, als de aanvrager rechtvaardigt met een certificaat afgeleverd door het INAO, na onderzoek uitgevoerd op diens aanvraag ten laatste acht dagen voor de oogst van de betreffende wijngaarden. (aangepast in het decreet van 5 april 1982).
Het basisrendement is vastgelegd op 50 hl/ha.
De wijnen van jonge druivelaars komt in aanmerking voor de AOC vanaf het derde jaar volgend op dat van de aanplanting voor 31 augustus. (aangepast in het decreet van 5 april 1982)
De enkelvoudige of de dubbele guyot snoeiwijze zijn toegestaan.
De wijnen moeten volgens de locale gebruiken worden gevinifieerd. Het gebruik van horizontale (continue) persen is verboden. De wijnen genieten van alle oenologische toepassingen toegelaten door de geldende wetten en reglementen, behalve van concentratie, wat namelijk verboden is.
Zij mogen niet in verkoop gebracht worden zonder een certificaat afgeleverd door een degustatiecommissie aangesteld door het INAO na advies van het syndicaat van de appellation. Deze commissie onderzoekt of de wijn beantwoordt aan de vastgestelde voorwaarden door de geldende reglementering en in het bijzonder door het huidige decreet. Haar gemotiveerd advies wordt overgemaakt aan de geïnteresseerde en aan de administratie van de indirecte belastingen.
Een intern reglement, goedgekeurd door het Institut national des appellations d'origine, bepaalt de te volgen procedure om het certificaat af te leveren.
Geologie
De geologische architectuur van het Baskisch massief is complex. Dit gebied resulteert uit de superpositie van twee orogenetische cycli - hercynisch en alpien. Zij situeert zich op de snijding van de oprijzende Pyrénées, van de cantabrique keten en de golf van Gascogne en vormt de kern van de "Baskische boog".
De Baskische massieven zijn voortgekomen uit het naast elkaar bevinden van lithologische, stratigrafische en andere structuurlagen. Deze reliefs van de Paleozolische en Triassische Tijd komen tegen elkaar door verschoven zones, over het algemeen samengesteld uit formaties keuper en ofiet (serpentijn) waar de valleien dieper worden.
Geomorfologie
Nauw verbonden in de baskische ketens heeft deze regio een specifieke geomorfologie, onder controle van een complexe geologie, die zich onderscheidt van de rest van de Pyrénées.
Men kan dit omschrijven als een geheel van lage depressies in het middengebergte van de Basse-Navarre.
De massieven hebben een hoogte die de 1500 m niet overschrijdt en zijn gericht rond de twee hoofddepressies: de inzinking van Cize-Baïgorry en de kloof van Ossès.
De inzinking van Cize-Baïgorry strekt zich uit van Mendive tot Urdos over een afstand van 20 km met een breedte van 3 à 6 km.
De kloof van Ossès is kleiner. Er is een hoogte van 150 m, omzoomd door de hoge reliëfs in het Noordoosten (Artzamendy 926 m, Baïgura 897 m) die hem beschermen tegen koude en natte invloeden.
Pedologie (bodemkunde)
De ondergronden zijn verschillend, rekening houdend met de topografie en de geologie.
In de vallei ontwikkelen zich rijke gronden op aanslibbingsgronden licht geëvolueerd naar alluviale gronden. Zij vertegenwoordigt niet het wijnbouwbelang op het vlak van rijkheid en de waterhuishouding van haar gronden; hun topografische situatie stelt de beplanting aan vorst bloot.
Aan de rand van de vallei vindt men gronden licht geëvolueerd naar alluviaal een colluviaal. Bovendien is hun relatieve hoogte ten opzichte van het dal van de valleien niet voldoende om de risico's voor vorst uit te sluiten. Hun wijnbouwkundig belang is van de striktste.
Op de hellingen zijn de ondergronden onmiddellijk afhankelijk van het moedergesteente, dus van de geologie.
Samengevat worden de wijnbouwgronden in drie families gegroepeerd:
Hydrologie
Het hydrografisch netwerk dat het bekken van de Nive draineert is de weerspiegeling van de algemene organisatie van het complexe landschap. De afwatering in de inzinkingen van Cize is van Oost naar West, een richting die niet courant is in de Pyrénées.
"De 4 Nives" doorkruisen de inzinking van Cize, de Nives van Aldudes en Arnéguy in de richting Zuid-west/Noord-oost, de Nive van Beheroby Zuid/Noord en de Lauribar Zuid-oost/Noord-oost.
Zij vloeien samen in Eyharce om de Nive te voeden. De kloof van Ossès wordt gedraineerd door de Laka die loopt van Oost naar West om uit te monden in de Nive te Gahardou.
Climatologie
Mesoklimaat
De belangrijkste factor bepalend voor het mesoklimaat is de vorm van de valleien (richting, inbedding en zone). De richting controleert de luchtstroming; de openingen in het Noorden of Noordoosten brengen de strengheid terwijl de openingen in het Zuiden de zachtheid en de warmte leveren.
Indien men aanneemt dat de kwaliteit van de gronden bepaald wordt door hun vermogen om zich aan de grillen van het klimaat te compenseren, zijn de velden die in het gebied over het algemeen genieten van een werkelijk mesoklimaat in de O.A.C. beperkt tot de Zuidelijke flanken van de inzinking van Cize Baïgorry en deze van Ossès. De wijngaarden zijn vooral aangeplant in deze gebieden. De kleine gebieden die verspreid zijn in de streek profiterend van de kronkelende reliefs zijn gunstig voor de wijnbouw. De rotsachtige ondergronden op rode zandsteen warmen snel op.
Macroklimaat
Het macroklimaat is van het vrij uniform oceanisch type maar is volgens Th. Lefebvre het resultaat van het optreden van drie factoren:
Bovendien zijn het hellingseffect - zonzijde of schaduwzijde - en de richting van de valleien, die de luchtstromingen kanaliseren in de valleien determinerend.
a) De seizoenen De lente is regenachtig en kent vorst in de valleien. De wijngaarden op de Zuidelijke flanken verdragen deze weersomstandigheden behalve de koude regenval vanuit Noordoost die de coulure stimuleert.
De zomer is droog en zonnig, de regenbuien zijn zeldzaam en kort. Bepaalde rotsachtige ondergronden, zoals deze van Arradoy of van Jara kunnen sterk uitdrogen. De droogte blijft hierbij een locaal fenomeen. De maximale temperaturen kunnen oplopen tot 41°C en felle onweders kunnen losbarsten. Hagel is een risico tijdens het gehele jaar.
De herfst wordt gekenmerkt door periodes van uitzonderlijk mooi weer met een heldere blauwe hemel, en een warmte die elders in Frankrijk niet voorkomt, tot 25°C in november. Deze temperaturen worden verklaard door foehn-fenomeen eigen aan de bergachtige streken. Ontdaan van de stoom door de neerslag op de Spaanse hellingen , de wind komend van het zuiden warmt geleidelijk op in de mate dat hij daalt op de noordelijke helling en dat de wolken zich oplossen.
Het is de Haize Hegoa (de zuiderwind in Baskisch) die jaagt door de valleien van Cize en Baïgorry, en dit gebied beschermt van de storingen uit het westen en die de rijping van de de druiven versnelt.
De winter is uitzonderlijk zacht maar nat. De sneeuw wit de naburige toppen maar daalt zelden onder de 500m.
b) Zonneschijn De climatologen weten dat Irouléguy geniet van een uitzonderlijke zonneschijn, en onderscheidt zich duidelijk van de andere plaatsen van de Pyrenese piedmont.
Assortiment aan wijnstoksoorten
De Appellation d'Origine Contrôlée Irouléguy is onderverdeeld volgens het besluit van 1953 in witte en rode wijnvariëteiten. Deze zijn respectievelijk de Mansengs, Courbus en Sémillon voor wit en Tannat, Bordelais en Cabernet voor rood.
Enkele wijnbouwers in deze Baskische regio zetten een wijnstok in het licht, de Zurizerritia, aanwezig in de zeer oude wijngaarden en nog met Franse onderstammen.
Het gebruik van edele druivenstokken is oud : opgetekend door Dr Doleris, hij noteert in 1920 zeer oude wijngaarden die de Cabernet (Acheria), de Cabernet Sauvignon, de Manseng noir en de Petit Verdot bevatten. De Tannat zou veel later geïntroduceerd zijn omwille van de productiviteit.
Voor R. Dion stamt de wijnstok "biturica" (van oorsprong in Bordelaise wijngaarden) van de cantabrique regio en bevindt zich ondere andere vormen in de wijngaarden van Bas-Navarre.
Vandaag zijn de wijnstokken toegelaten door het decreet de Tannat en de Cabernet voor de rode wijnen en de rosés, de Manseng en de Courbu voor de witte wijnen.
Bepaalde oude en locale wijnstokken worden experimenteel gecultiveerd :
TANNAT : heeft als hoofdkenmerken een donkergroen blad, geribde twijgen, rood aan de knoppen en bruin aan de zonzijde, fijne en kleine hechtranken, met bruin gegroefde ranken en verdonkerde knoppen. De druiven worden gedragen door een lange steel, zijn zijn cylindervormig. Hij komt vrij laat uit de knop in de lente, en rijpt in de herfst. De bladeren worden volledig rood in de herfst. Deze druif geeft een alcoholische wijn, gekleurd en tanninerijk, maar na enkele jaren ouderen geeft hij een parfum dat doet denken aan framboos.
CABERNET FRANC : heeft donkergroene gewaferde bladeren, bladsteel verwijding in kleine liervorm. De twijgen zijn geribd, lichtgroen, licht roodgegroefd op de onderkant, de vlezige hechtranken vrij groot, de beige ranken aan de knoppen donkerder. Dit een kwaliteitsdruif van een goede soepelheid. Hij ontknopt vrij laat in rijpt in de zomer.
CABERNET SAUVIGNON : gecaracteriseerd door het zeer donzig in knop komen met aan de rand zeer karmijnrood. De schijfvormige bladeren, met tussen de bladnerven blazen, glanzend, donkergroen en de bovenzijde met elkaar liggendd randen geeft een kenmerkend aspect aan het blad dat doorboord lijkt met een drevel. Deze edele druivenstok produceert kleine bessen die in het tweede seizoen rijpen. Vanaf de herfst wordt het gebladerde rood op de bladtanden. Hij produceert kwaliteitswijn door de geringe productie en de organoleptische eigenschappen.
De onderstammen : men treft hoofdzakelijk Riparia Gloire aan, van 3309, 4014, van Ruggieri, zelfs SO4 op klonen 173; deze onderstammen en klonen worden aangeraden door de organisatie "Vigne Adour". Een experimenteerwijngaard is aangelegd om onder andere de verschillende onderstammen en geleidingsmethoden te testen, onder plaatselijke voorwaarden.
Vereisten van de Appellation en leiding van de wijnstok
De Appellation Irouléguy wordt enkel toegekend als het jaarlijks rendement van 40 hectoliter per hectare wijngaard in productie niet overschreden wordt.
De jonge aanplanten mogen niet in aanmerking genomen worden vóór het derde jaar volgend op dat waarin het planten is gebeurd en dit vóór 31 augustus.
De snoeiwijze van de wijnstokken voor de Irouléguy wijnen mag enkel in enkelvoudige of dubbele guyot gebeuren.
Vroeger kwan in de Irouléguy wijngaard twee snoeimethoden voor:
De eerste tegen latwerk, hiervan bestaan vandaag nog enkele ares verspreid in de nabijheid van eigenaars. De wijnstok werd geplant met paaltjes van drie meter hoogte en op een afstand van een meter veertig tussen elke wijnstok; de rank wordt op twee meter hoogte gesnoeid en vastgebonden met ijzerdraad.
De tweede, de meest momenteel meest gebruikte, in enkele of dubbele guyot. De snoei gebeurt op een hoogte van tachtig centimeter; elke plant ondersteund door een paaltje van twee meter hoogte en met een afstand tussen de wijnstokken van één meter tot één meter veertig.
Tegenwoordig wordt de wijnstok geleid volgens het tweede systeem, maar dan licht gewijzigd.
De terrassen
De wijncultuur is technisch mogelijk wanneer de hellingsgraad lager is dan 10 %. Maar bij de Irouléguy wijngaarden bereiken hellingen regelmatig 60 %. Men cultuveert derhalve de wijnbouw in de verticale richting met de steilste helling dankzij de verschillende technieken van terrasbouw.
Het terras moet een helling van 2 tot 5 % hebben en tevens enkele niveaucurven om het aflopend water tegen te houden dat een gevaar zou kunnen zijn voor bodemerosie.
In het wijnbouwgebied van Irouléguy wordt dus een wijziging van beplanting vastgesteld, en dat is zichtbaar op de bergflanken. De kleine wijngaarden worden stuk voor stuk gerooid om vervangen te worden door wat grotere wijngaarden.
Sedert minder dan een tiental jaren laat de aanleg van terrassen toe om de zeer steile gebieden om te vormen in productieve wijngaarden.
De vinificatie en de opvoeding wijnstok
De rode, rosé en witte wijnen die op de Appellation contrôlée Irouléguy aanspraak wensen te maken, moeten afkomstig zijn van geoogste druiven met een goede rijpheid en dienen een potentieel alcoholgehalte voor chaptalistie te hebben van minimum 10 %.
Het decreet van 29 oktober 1970 met betrekking tot de OAC Irouléguy omschrijft de voorwaarden van rijpheid van een oogstlot volgens dezelfde criteria als "Bordeaux".
Zoals in talrijke regio's in Frankrijk is het gebruik van verticale persen verboden bij de oogst.
De commissie "Vendanges" passeert minimaal vier maal in de percelen (bloemzetting, rijping, twee maal voor de oogsten). Na het classement per wijnstok van de oogsten in drie categorieën, worden de bessen, waarvan de rijpheidsgraad nauwkeurig gecontroleerd wordt, manueel geoogst.
Na aankomst in La Cave in de weegschulp doet men een nieuwe controle van het alcoholgehalte, vervolgens word de druif ontsteeld en gekneusd en hierna in de gistkuip gedaan.
De Cabernets en de Tannats worden afzonderlijk gevinifieerd na zorgvuldige ontritsing. De Cave beschikt over apparatuur om de temperatuur in de cuves te regelen, zoals koud als warm.
Voor de rosés wordt na 8 tot 10 uur macération pelliculaire een "saignée" van het leksap toegepast in de cuve om de most te verkrijgen die, na gisting, de rosé wijnen geeft, ook "vins d'une nuit" genoemd (40% van de A.O.C.).
De macération voor de rode wijnen gebeurt tijdens de gisting. Het sap wordt twee of drie keren over de druivenschillen gegoten. Na 8 tot 18 dagen naargelang het jaartal en de gewenste concentratie gaat men over tot het overtappen van de wijn.
De wijn wordt vervolgens overgestoken in voorraadcuves waar hij gedurende de winter de malo-lactische gisting ondergaat die hem de rondheid geeft.
De domeinwijnen worden opgevoed in eiken fûts meer of minder lang volgens het gevolgde protocol.
De gemiddelde oogsten bereiken hun optimale kwaliteit na het vierde jaar rijping maar zij reeds zeer aangenaam te drinken van de leeftijd van twee jaar.
Synthese van Appellation Irouléguy
Productiegebeid: Baskenland
Regio: Bidarray - St-Etienne-de-Baïgorry - Ispoure - St-Jean-Pied-de-Port
Ondergrond: hellingen en bergen (in terrasbouw) klei van Trias zandsteen en klei afkomstig van graniet en ofiliet, bovenlaag van kalk
Snoeiwijze: enkele of dubbele guyot
Type: rood, rosé en wit
Plaats van vinificatie: Cave Coopérative d'Irouléguy
Volume: 2800 tot 3500 hl
Druivenstokken: Tannat en Cabernet Franc - Cabernet Sauvignon - Courbu - Manseng
Rendement: 40 hl/ha
Gemiddeld gehalte: 12°2
Zuurtegraad: 3,5 tot 4 op eind van de malolactische gisting
Vinificatie: ontritsing en klassieke vinificatie met temperatuurscontrole
Gisting: gecontroleerd
Overheveling: in primeur - controle van het beëindigen van de gistingen.
I n t e r n e t
Le vin dans les Pyrénnées Atlantiques
SW France Magazine
World Wine Web
Vinternet
By Mario Parys
Mail your suggestions and remarks concerning this web-site.
Initial version 20 Apr 1997, Update on 16 Nov 1997