Spelling: d en t bij werkwoorden

Invuloefening

Vul alle openingen in en controleer de antwoorden met de knop "Controleer".

Schrijf een t achter het werkwoord in de 2de en 3de persoon enkelvoud tegenwoordige tijd.

jij gaat, het gebeurt, hij komt, zij springt, jij (bieden) , zij (raden)

uitzondering 1: als de stam van het werkwoord al eindigt op een -t schrijf je geen extra t
Dus niet: hij giett maar hij giet

uitzondering 2: als het onderwerp jij of je achter de persoonsvorm staat
Dus: kom je en heb jij en (bieden) je
Maar ook: (komen) je vriend (want je is geen onderwerp)

Schrijf een t bij een voltooid deelwoord van een werkwoord dat ch, f, k, p, s of x heeft voor de uitgang -en

gewacht, geboft, gehakt, gestopt, gewist, (faxen) , (vermaken)

Schrijf een d bij een voltooid deelwoord van een werkwoord waarvan de stam eindigt op een klinker of op een andere medeklinker dan in het vorige punt opgesomd

(ribben) , gehoord, versteend, gehelmd, gehuwd, (geloven)

Enkele eigenaardige woordbeelden:

(< sleeën), (< judoën), (w rugbyen)

uitzondering: bij een voltooid deelwoord komt geen extra d als de stam eindigt op -d
Het is niet gedoodd maar gedood.