Het correct optuigen en afstellen van zeilen
 

 

 

Het correct afstellen van de zeilen van een zeilboot is een erg moeilijk gegeven, en ingaan op alle mogelijke details zou ons in het kader van deze website veel te ver leiden. Gelukkig zijn er zoals steeds wel een aantal basisbeginselen die ik hier graag even zou willen toelichten. Gemakkelijkshalve gaan we uit van een zeilboot met 2 zeilen, nl. een grootzeil en een fok, omdat dit in de meeste gevallen zal overeenkomen met het type zeilboot dat door beginnende zeilers zal aangeschaft worden.

Vooraleer we van start te kunnen gaan, dienen er een aantal basistermen volledig duidelijk te zijn :

Voor het optuigen en afstellen van de zeilen staan volgende mogelijkheden ter beschikking : voor- en achterstag, (mastbevestiging in de romp), zijwanten, voorlijkspanner, schootbevestigingen, neerhouder hoofdgiek, achterlijk spankoord fok, schoten.

In hoofdzaak zijn er twee grote afstellingen : de globale balans tussen zeilen en romp die bepalend is voor de koersvastheid van de boot, en de afstelling van de zeilen met het oog op maximale voortstuwing.

A) De globale balans (basistrim) : de ideale toestand is een boot die bij iedere wind en ook bij plotse windstoten zijn koers blijft behouden. In de praktijk zal een plotse windstoot gewoonlijk tot gevolg hebben dat de boot of in de richting van de wind draait (oploeven) of van de wind wegdraait (afvallen). Om de oorspronkelijke koers te behouden zal er dan met het roer moeten bijgestuurd worden en dat resulteert steeds in snelheidsverlies. Het belangrijkste element in deze problematiek is de buiging van de mast :

  • indien de mast naar voren gebogen wordt resulteert dit in een afvallen van de boot. Het is een weinig interessante afstelling, behalve bij veel wind of sterke windstoten.
  • mast volledig recht heeft een licht oploeven tot gevolg. Dit is een goede basisinstelling bij normale wind.
  • de mast licht naar achter gebogen resulteert in een sterker oploeven. Het is een goede afstelling bij weinig wind.

B) De afstelling van de zeilen

Praktische tip : het is aan te bevelen bij het ganse instelgebeuren de boot op de grond te leggen omdat men op die manier van bovenuit heel goed de vorm van de mastbuiging en het profiel van de zeilen kan beoordelen. Bovendien heeft de wind veel minder vat op de zeilen, er is niets zo moeilijk een boot (correct) op te tuigen als de wind continu in de zeilen blaast !

  1. voorstag/achterstag/mastbuiging : de voorstag (6) dient steeds zo stevig mogelijk gespannen te zijn (hierop is geen enkele uitzondering) maar voor alle andere touwen/kabels geldt: liever iets te weinig aanspannen dan te veel (ook niet bij veel wind), te veel spanning werkt het vormen van rimpels en plooien in de zeilen namelijk in de hand. Een voor de hand liggende manier om het vorig punt te verwezenlijken is door de achterstag (5) hard aan te spannen, maar dit is fout : door dit over-spannen van de achterstag zullen er zich namelijk lelijke diagonaalplooien vormen in het grootzeil (van het midden van de mast naar het uiteinde van de hoofdgiek) doordat de mast te sterk naar achter gebogen wordt. Dit proberen op te lossen door de voorlijkspanner (14) sterker aan te halen haalt niets uit, integendeel, er zullen zich nu ook plooien vormen parallel aan de mast, met als eindeffect dat het geheel totaal uit de haak zit. Een andere techniek zou erin kunnen bestaan eerst de voorstag zo straf mogelijk aan te spannen via de hiertoe aangebrachte "schuiver" tussen bovenkant voorstag en mast, maar ook dit zal geen goed resultaat opleveren omdat de mast op die manier naar voor gebogen wordt, wat ervoor zal zorgen dat het voorlijk van het grootzeil zijdelings tegen de mast gedrukt wordt. Hoe gaan we dan tewerk ? Wel, eerst moet een onderscheid gemaakt worden tussen boten mét en zonder verschuifbare mastvoet. Wanneer de mastvoet (in beperkte mate uiteraard) kan verschoven worden, wordt het mogelijk, na aanspannen van de achterstag, de daaruit volgende mastbuiging wat te compenseren door het naar voor schuiven van de mastvoet. Door te spelen met de combinatie mastpositie/spanning voorstag/spanning achterstag is het in principe steeds mogelijk een combinatie te vinden waarbij de mastbuiging overeenstemt met de vorm van het achterlijk van het grootzeil, de achterstag voldoende gespannen staat en er zich geen plooien vormen in het grootzeil. Wanneer de mastvoet niet verplaatsbaar is (de mast staat bv. bovenop het dek), wordt het wat moeilijker. Hier kunnen de zijwanten (15) oplossing brengen, tenminste indien ze wat achter de mast geplaatst zijn. Eerst wordt de mast in de gewenste neiging gebracht door instellen van de voorstag, daarna wordt de achtertag aangespannen. Door het aanspannen van de wanten kan vervolgens de mast in het midden wat naar achter getrokken worden, waardoor de mastbuiging geredudeerd wordt.
    Samenvattend moet men dus zolang voorstag/achterstag/mastvoet of zijwanten bijregelen tot wanneer de voorstag voldoende hard gespannen is, er geen plooien zijn in het grootzeil en de mastbuiging overeenkomt met het profiel van het grootzeil-voorlijk. De mast moet recht tot licht naar achter gebogen staan.
  2. de neerhouder (8) heeft een analoge functie, maar werkt omgekeerd, ttz door de wind in het grootzeil wordt de hoofdgiek achteraan omhoog getild, de neerhouder moet ervoor zorgen dat deze opwaartse beweging niet te ver gaat. In rust moet de neerhouder los zitten, hij mag slechts onder last (wind) gespannen komen, alléén zo kan het grootzeil mooi bol komen te staan. Stel de neerhouder zo in zodat er ongeveer 45-50mm diepte komt in het achterlijk (visuele controle met behulp van achterstag)
  3. de spankoord aan het fokachterlijk (7) moet ervoor zorgen dat het achterlijk (16) niet te erg opgespannen wordt als de wind in de zeilen komt, want dan kan de fok geen mooie bolvorm aannemen. Met de spankoord word de fokgiek achteraan wat opgetild, woordoor het achterlijk van de fok automatisch in een boog komt te staan. De diepte moet ongeveer overeenstemmen met die van het grootzeilachterlijk.
  4. de voorlijkspanner (14) dient slechts licht worden aangetrokken, enerzijds omdat er anders parallelplooien in het grootzeil zullen ontstaan (zie hoger), anderzijds omdat het grootzeil onvoldoende soepel rond de mast zal kunnen draaien
  5. onderlijk fok en grootzeil (17) : hier geldt dat het onderlijk nooit vlak aan de giek mag gespannen zijn, maar steeds wat diepte moet hebben. De bolling van de fok dient daarbij iets minder te zijn dan die van het grootzeil. Hoeveel diepte hangt af van de wind, in de regel meer bij weinig wind, minder bij veel wind. De exacte diepte kan alleen proefondervindelijk bepaald worden. Maar er zijn uitzonderingen :
    • bij zéér weinig wind kan het zinvol zijn de zeilen wat vlakker te trimmen omdat er zo dichter aan de wind kan gezeild worden. Als er namelijk zo goed als geen wind is, dient het beste profiel tot niets als er slechts één koers kan gevaren worden, het verdient dan de voorkeur te opteren voor een instelling die beter toelaat alle koersen te varen.
    • bij veel wind kunnen de zeilen wat boller ingesteld worden wanneer er ook veel golven zijn. In dit geval moeten de zeilen voldoende kracht kunnen zetten om de boot over de golven te heisen, het heeft dan geen zin dichter aan de wind te kunnen zeilen als de boot na iedere golf zijn snelheid kwijt raakt.
  6. stand van de zeilen :
    • bij volledig dichtgehaalde zeilen moet het grootzeil nog enkele graden spel hebben, de fok komt ongeveer halverwege wantbevestiging en mastvoet
    • bij volledig gevierde toestand moeten beide zeilen ongeveer 85° open staan, de stand van de fok kan bijgeregeld worden door de dekbevestiging (9) wat verder naar voor of achter te verschuiven; de fok mag in geen geval verder openen dan het grootzeil.
    • bij hoog aan de wind varen moet eerst de fok beginnen flapperen en daarna pas het grootzeil, is dit niet het geval moet je de fok in basistrim wat verder openzetten.
    • de vorm van de fok moet harmonieus aansluiten/overlopen bij/in die van het grootzeil, door een correct afstemmen van enerzijds de stand/profiel van de fok tov het grootzeil en anderzijds de instelling van de neerhouder tov de spankoord aan het fokachterlijk. In dit opzicht dien de fok steeds aan het grootzeil te worden aangepast, niet omgekeerd.