|
Folklore
|
|
Klik aan voor de
sprekende dialectkaart
Cliquez pour
agrandir
Aanklikken om te vergroten
|
|
Hoe talrijk zijn niet de
liederen, spreekwoorden, uitdrukkingen en raadsels in verband met de
molen en de molenaar? We weten hoe traag de administratieve
molen maalt, en dat gij best geen slag van de molen krijgt,
en hoe nutteloos het is te gaan vechten tegen molens!
Ook is
het niet goed te diep in andermans zakken te gaan zitten...
Deze laatste uitdrukking is een allusie op het vroegere
gebruik dat de molenaar mocht multeren: zijn
maalloon was namelijk in natura, dus een deel van het meel;
en dat mocht hijzelf uit de zak van de klant scheppen,
waarbij hem al vlug werd verweten... te diep in de zak te
scheppen.
Ooit gebeurde het dat in een molen een spiegel was
aangebracht aan de wand. De uitleg die er door de
molenaar voor gegeven werd, was dat hij bij het
scheppen van zijn multer voor de spiegel ging
staan, en dat hij schepte totdat hij in de spiegel zag
dat hij rood werd van schaamte, omdat hijzelf vond dat
hij overdreef.
Wie wacht tot de laatste zondag na Pasen om zijn
paasplicht te vervullen gaat te biechte met de
mulders; dat gebeurt dan op Maalderszondag.
Eertijds was de molen ook de plaats waar alle
dorpsnieuws werd verspreid en van het nodige
commentaar zoniet geroddel werd aangedikt. De molenaar
zelf speelde daarbij natuurlijk de hoofdrol. In die
context dient de spreuk te worden begrepen: Dat
zullen we God en de maalder laten scheiden.
Wie met een windmolen maalt, houdt voortdurend de
lucht en de wolken in de gaten. De natuurkrachten zijn
grillig en ieder mulder weet dat "hij in een half
uur wel arm kan worden, maar niet in half jaar rijk
zal zijn".
En wanneer hij voelt dat de wind aan
het krimpen gaat, durft hij al eens mijmeren:
"Krimpende winden en uitgaande vrouwen zijn niet
te betrouwen".
Tot in de volkse spreektaal was het karakteristieke
beeld van de molenaar doorgedrongen. Zo kenden we in het
Brusselse dialect twee soorten van
meikevers: de prinkier'n en de moalers.
Het dekschild van deze laatsten was als
witbestoven en het docht ons dat ze warempel wat
zwaarder ronkten wanneer ze vlogen: ze hadden dus hun
naam niet gestolen.
Le
folklore du moulin et du meunier est d'une grande richesse.
Il suffit d'entamer une étude des proverbes et des chansons
populaires pour se rendre compte que ce thème est
pratiquement inépuisable.
Quand le curé Martin de Cucugnan, après un songe
prémonitoire effrayant, veut sauver ses paroissiens en les
confessant, pour que ceux-ci aient accès au ciel, il
organise une journée entière pour confesser le
meunier: " Ce n'est pas trop d'un jour pour lui tout
seul"!
Dans nos régions le jour des meuniers est le
dimanche après Pâques: les meuniers ne se presseraient pas
de faire leurs Pâques et attendraient le dernier jour pour
observer ce commandement de l'Eglise. D'où l'autre
expression: faire ses Pâques avec les meuniers,
appliquée à ceux qui ne se confessaient que le dernier
jour du temps pascal.
Quant au meunier à qui le curé avait donné comme
pénitence de diminuer la longueur de sa pelle, il avait,
lors de son retour de l'église vers son moulin, trouvé la
solution astucieuse de raccourcir sa pelle à farine en
commençant par... le manche.
Dommage qu'à nos enfants nous n'apprenions toujours que la
rengaine du "Meunier, tu dors", alors qu'il existe
tant de mélodies et d'airs pour chanter le vent, les ailes,
le meunier et la meunière, l'eau et la roue...
|
|
|
|
|
|
|
Aanklikken om te vergroten
Cliquez pour agrandir
Cliquez pour
comparer
Aanklikken om te
vergelijken
|
|
En
fin connaisseur de la bande dessinée "Bob et Bobette",
Pierre Borms nous a
fait remarquer que le moulin apparaissant dans Le
Fantôme espagnol pourrait bien avoir été inspiré par
la silhouette du Luizenmolen.
Willy Vandersteen (1913 - 1970) a construit cette aventure
autour du tableau Le Repas de Noces de Pierre Breugel
l'Ancien. Toutes les nuits y apparaît le fantôme Don
Persilos y Vigoramba qui finit par emporter notre trio Bob,
Bobette et Lambique dans le Brabant du 16e siècle.
La première planche du Fantôme espagnol paraît dans le
journal hebdomadaire Tintin le 16 septembre 1948 et la
première édition de l'album voit le jour en 1952, comme
deuxième volume dans la
"série bleue".
Elément important: depuis mai 1944 Vandersteen avait élu
domicile à Anderlecht à quelques pas du Luizenmolen, qui
dominait encore le paysage.
Dans le passage se déroulant autour du château de Gaasbeek,
Vandersteen fait passer la nuit à ses héros dans un moulin
sur pivot, dont l'aspect extérieur ressemble étrangement au
Luizenmolen, principalement par son haut toit en mansarde. Peu
de moulins en sont équipés et ceux qui le sont datent d'une
époque relativement récente. Le toit du Luizenmolen en
présente un exemplaire bien typique. Sur la même image le
dessinateur met dans son décor la petite église avoisinante
de Sint-Anna-Pede, rendue célèbre par Breugel. Après la
scène autour du moulin, qui finira par être mis en cendres,
nos héros se dirigent vers une auberge située à...
Anderlecht.
Précisons, pour être complet, que les images où Vandersteen
dessine des détails du moulin, ne correspondent en rien à
celles d'un moulin sur pivot. Quant à la façon dont il présente l'intérieur du moulin, elle trahit que
jamais Vandersteen n'est entré dans un moulin.
A l'aide d'une photo dont nous disposons, nous avons essayé
d'illustrer la réelle vraisemblance de cette supposition que
Willy Vandersteen a eu devant les yeux l'ancien Luizenmolen,
lorsqu'il a dessiné le moulin pour sa bande dessinée. Pour
cela nous avons inversé la vieille photo en noir et blanc et
l'avons mise côte à côte du dessin du moulin. Cliquez sur
l'image extraite de l'album qui se trouve en marge: la
ressemblance nous paraît pour le moins troublante.
Als kenner van het stripverhaal "Suske en Wiske",
liet Pierre Borms ons opmerken
dat de molen die een rol speelt in Het
Spaanse Spook wel eens geïnspireerd zou kunnen zijn op
het silhouet van onze Luizenmolen.
Willy Vandersteen (1913 -
1970) bouwt dit verhaal rond de schilderij Boerenbruiloft
van Pieter Bruegel. Dat wordt elke nacht betoverd door het
spook Don Persilos y Vigoramba dat het trio Suske, Wiske en
Lambik meeneemt naar het Brabant van de 16de eeuw.
De eerste plaat van Het Spaanse Spook verschijnt in het
weekblad Kuifje op 16 september 1948 en de eerste druk
van dit tweede "blauwe reeks" album dateert van 1952.
Vandersteen woonde sinds 2 mei 1944 in Anderlecht, op
wandelafstand van de
oorspronkelijke Luizenmolen die nog overeind stond.
Nadat onze helden hebben kunnen ontsnappen uit het kasteel
van Gaasbeek, doet Vandersteen ze overnachten in een
staakmolen, die qua uiterlijk sterk gelijkt op de Luizenmolen,
heel bijzonder omwille van het hoge mansardedak, een dakvorm
die in de molenbouw vrij recent is, en niet zo heel dikwijls
voorkomt. Echter was dat type van dak wel specifiek voor de
Luizenmolen... Op de prent valt ook duidelijk het nabijgelegen
Bruegelkerkje van Sint-Anna-Pede te herkennen. En wanneer de
scène bij de molen eindigt met de dramatische brand van deze
laatste, begeven
onze helden zich naar een herberg in... Anderlecht.
Volledigheidshalve dient hier toch te worden toegevoegd dat de
prenten waarop Vandersteen de molen in detail weergeeft en de
binnenkant van het molenkot tekent, er duidelijk op wijzen dat
hij nooit van nabij een molen aandachtig heeft bekeken, en dat
hij zeker nooit is binnengetreden in een standerdmolen.
Aan de hand van het beeldmateriaal waarover we beschikken,
hebben we getracht met de hedendaagse technische middelen een
visuele aanwijzing te bieden die ons toelaat de gelijkenis
vast te stellen tussen een oude foto van de Luizenmolen (die
we daarvoor speciaal in spiegelbeeld hebben gebracht!) en het
plaatje van Willy Vandersteen. Klik in de linkermarge op de
gekleurde tekening van het stripverhaal, en oordeel zelf.
|
|
|