o
blomme, gij stinkt verdomme.
antinatuurgevoelens in de literatuurInleiding
Dwepen alle dichters met de natuur? Als je
het aantal natuurgedichten in bloemlezingen ziet of denkt aan de landschapsbeschrijvingen
in romans – u weet wel, de bladzijden die u als jonge lezer vaak snel omsloeg
– zijn er
literaire idylles te over. De knievallen van grote dichters liegen er niet om. Vondel:
'Het schone van natuur overtreft toch alle kunst.' Shakespeare: 'Thou, nature, art my
goddess.' En Goethe: 'Wie herrlich leuchtet mir die Natur!' De natuur was eeuwenlang de
literaire inspiratiebron bij uitstek. De minnezanger zong tussen de bloemen en probeerde
het gezang van de vogels rondom zich te evenaren. Niet voor niets begon hij met een
'Natureingang'. Voor de romantici werd de natuur een toevluchtsoord, waar ze konden
mijmeren en soelaas vinden, ver van de verdorven cultuur. Het landschap werd een spiegel
van hun gemoed. Guido Gezelle – romanticus ook, maar tegelijk een in de negentiende eeuw
verdwaalde middeleeuwer – zag in de natuur de openbaring van God. En in de symbolistische
literatuur en de natuurmagische poëzie van de twintigste eeuw probeerde de dichter de
tekens te duiden die hij vond in het geheimzinnige boek van de natuur.
Voor iemand als Goethe bestond er geen
kloof tussen natuurschoon en kunst. 'Wem die Natur ihr offenbares Geheimnis zu enthüllen
anfängt, der empfindet eine unwiderstehliche Sehnsucht nach ihrer würdigsten Auslegerin,
der Kunst.' (Maximen und Reflexionen, 1821) Natuurschoon was de graadmeter van
schoonheid tout court en de natuur gold zelfs lange tijd als garant voor recht en orde
('natuurrecht').
Intussen is de natuur –
ondanks het feit dat ze steeds meer wordt uitgebuit – in onze collectieve
voorstelling haast geëvolueerd tot heilige koe. Reclamelui,
milieubeschermers en beleidsmakers – "bien étonnés de se trouver ensemble" –
bewijzen haar voortdurend (lippen)dienst. Toen de beroemde postmoderne
architect Mario Botta zich onlangs in een interview liet ontvallen 'Om architectuur te
maken, moet ik de natuur doden', lokte dat grote verontwaardiging uit. 'Wat vroeger liefde
tot God was,' schrijft Ton Lemaire, 'is nu liefde voor de Natuur geworden.' Eenstemmigheid
dus, natuurlijk als het ware? De literatuur zou geen literatuur zijn, als er geen
afwijkende stemmen hadden geklonken en ook nu klinken: antinatuurgevoelens of toch zeker
relativerende geluiden tegenover dat waar iedereen het roerend eens over lijkt te zijn. Ik
laat er enkele de revue passeren, zonder volledig te willen zijn.
Twee visies
Nietzsche, de denker die zoveel Westerse
waarden en afgoden heeft verbrijzeld, geeft ook de natuur een mokerslag. In het vijfde
boek van Morgenröte (1881) roept hij eerst een natuurbelevenis op die recht uit
de romantiek lijkt te komen.
"Hier is de zee, hier kunnen we de
stad vergeten. [...] Nu zwijgt alles! De zee ligt er bleek en glanzend bij, zij kan niet
spreken. De hemel speelt zijn eeuwige stomme avondspel met rode, gele, groene kleuren, hij
kan niet spreken. De kleine klippen en rotsstroken die in de zee uitlopen als om de plaats
te vinden waar het het eenzaamst is, zij kunnen alle niet spreken. Deze ontzaglijke
zwijgzaamheid, die ons plotseling overvalt, is mooi en huiveringwekkend, het hart zwelt
erbij.-"
Dan komt de wending:
"O, de veinzerij van deze stomme
schoonheid! Hoe goed zou zij kunnen spreken, en hoe boosaardig ook, wanneer zij wilde!
Haar gebonden tong en haar lijdend geluk in haar aanschijn zijn een poets, opm met je
mededogen te spotten! [...] Maar ik beklaag u, natuur, omdat gij zwijgen moet, ook al is
het slechts uw boosaardigheid, welke uw tong bindt; ja, ik beklaag u om uw
boosaardigheid!"
De natuur imponeert de mens zo dat ze hem
aanzet om ook te zwijgen en aan zichzelf te twijfelen.
"O zee! O avond! Gij zijt
kwade leermeesters! Gij leert de mens op te houden mens te zijn! Moet hij zich aan u overgeven?
Moet hij worden, zoals gij thans zijt, bleek, glanzend, stom, ontzaglijk, rustend boven
zichzelf? Boven zichzelf verheven?" (vertaling P. Hawinkels)

Nietzsche kiest partij voor de mens, die
zich door zijn verering van de natuur niet mag laten verzwakken. De natuur verleidt tot
passiviteit, houdt de mens onder de duim. J.C. Bloem, domweg gelukkig in de Dapperstraat
(een naam die Nietzsche wel zou hebben bevallen), vat dat gevaar samen in zijn beroemde
dichtregel 'Natuur is voor tevredenen of legen'.
De filosoof met de hamer heeft met zijn
kritiek op de romantische natuurbeleving een zachtaardige voorloper in de verlichte
romanticus Heinrich Heine. Het bezingen van de natuur – waar hij zich ook nog
onproblematisch aan heeft gewijd – maakt bij hem plaats voor een kritisch commentaar op de
manier waarop mensen met haar omgaan. In zijn Buch der Lieder (1827) beschrijft
hij hoe een jongeling van de woeste nachtelijke zee antwoord verwacht op zijn vragen naar
herkomst en bestemming van de mens, naar de zin van de wereld. Maar de natuur zwijgt.
"Es murmeln die Wogen ihr ew'ges
Gemurmel, / Es wehet der Wind, es fliehen die Wolken, / Es blinken die Sterne,
gleichgültig und kalt, / Und ein Narr wartet auf Antwort."
Een jongedame, die zich door haar gevoel
laat meeslepen en de zonsondergang wat al te absoluut opvat, krijgt te horen dat ze zich
geen zorgen hoeft te maken.
"Das Fräulein stand am Meere / Und seufzte
lang und bang / Es rührte sie so sehre / Der Sonnenuntergang.
Ach Fräulein, seien Sie munter / Das ist ein
altes Stück / Dort vorne geht sie unter / Und kehrt von hinten zurück." (Neue
Gedichte, 1844)
De verklaring herinnert aan de mechanistische
opvattingen van de natuur, die al een paar eeuwen in wetenschap en filosofie opgang maken.
Heine haalt hier de splitsing tussen de ware (wetenschappelijk verklaarbare) en de schone
(esthetische genietbare) natuur het gedicht binnen. Zijn oneerbiedige reactie herinnert
aan de nog veel respectlozer houding die Francis Bacon, de grondlegger van de wetenschap
in de Nieuwe Tijd, tegenover de natuur aannam: 'We moeten de natuur martelen, om zo haar
geheimen te ontfutselen.' Heines houding is vooralsnog uitzonderlijk. De literatuur zal
lange tijd doen alsof haar neus bloedt en in haar gedweep met de natuur de
voortschrijdende onttovering door wetenschap en industrialisatie negeren. Vijftig jaar
later probeert Guido Gezelle nog de natuur van het verstand en die van het gemoed te
verzoenen:
"De zonne gaat op, / de zonne gaat neêr, /
de zonne gaat op / en gaat onder; / standvastiglijk heen, / standvastiglijk weêr, / standvastiglijk werkt / zij dat wonder." (Rijmsnoer)
Maar blijven we nog even bij Heine. Hij hekelt niet
alleen het verlangen om van de natuur inzicht in de levensraadselen te krijgen, maar ook
zijn eigen romantische behoefte om als je verdrietig bent bij haar troost te zoeken.
"Und wüssten's die Blumen, die kleinen /
Wie tief verwundet mein Herz, / Sie würden mit mir weinen, / Zu heilen meinen
Schmerz." (Buch der Lieder)
Hetzelfde geldt voor de nachtegalen en de sterren,
telkens in de irrealis: 'Die alle können's nicht wissen'. Mens, lijkt Heine te zeggen,
maak je geen illusies. Projecteer je verdriet niet in de natuur, want die begrijpt er geen
snars van.
Die eeuwige ouwe zeur
De grootstadsmens Charles Baudelaire windt er geen
doekjes om: hij heeft een uitgesproken afkeer van de natuur. Zijn houding is veel
revolterender dan die van Heine: Baudelaire is de moderne Prometheus. In het bekende
gedicht Correspondances verwijdert de geest zich al van de reële natuur. Baudelaire ziet de natuur als een tempel met bezielde zuilen, een woud van symbolen, dat
zich voor zijn ziel oplost in geuren, kleuren en klanken. In Obsession hoort hij
de natuur, anders dan Nietzsche, wél spreken: wouden krijsen als orgels, de Oceaan (toch
nog met hoofdletter) schatert. Maar wat blijkt? Die geluiden en mededelingen zijn
ontsproten aan zijn hart, aan zijn oog. Baudelaire heeft door dat als de mens de natuur
hoort, hij het slachtoffer wordt van eigen projectie: de dingen buiten ons zijn
geobjectiveerde en als het ware gestolde gedachten en emoties.
In het gedicht Paysage lijkt de dichter nog
enig oog te hebben voor natuurschoon, maar al gauw keert hij zich af:
"Je verrai les printemps, les
étés, les automnes; / Et quand viendra l'hiver aux neiges monotones, / Je fermerai partout portes et
volets / Pour bâtir dans la nuit mes féériques palais. " (Les Fleurs du
Mal, 1857)
Als Baudelaire de vage, stomme en ongeordende
eentonigheid van een landschap moet aanschouwen, zo schrijft Sartre in zijn monografie
over de dichter, overvallen hem afkeer en verveling.
"U vraagt me om verzen voor uw boekje, om
verzen over de natuur, is het niet? over de bossen, de grote eiken, de planten, de
insecten - de zon ongetwijfeld? Maar u weet toch, dat ik niet in staat ben me vertederd
over de vegetatie heen te buigen, en dat mijn ziel zich verzet tegen die zonderlinge
nieuwe religie, die, lijkt me, voor ieder geestelijk wezen op de een of andere wijze
shocking zal blijven. Ik zal nooit geloven, dat de ziel van God in de planten woont, en
zelfs wanneer zij erin zou wonen, zou ik er me maar weinig om bekommeren en de mijne als
veel kostbaarder beschouwen dan die der geheiligde groenten." (brief aan F.
Desnoyers, 1855, vertaling P. Beers)
Baudelaire zei nee tegen het natuurlijke in hem, en
liet – o provocatie – zijn haar groen verven. In een van de prozagedichten uit Le
Spleen de Paris (1869) komt hij er rond voor uit:
"Cette ville est au bord de l'eau; on dit
qu'elle est bâtie en marbre, et que le peuple y a une telle haine du végétal, qu'il
arrache tous les arbres. Voilà un paysage selon ton goût; un paysage fait avec la
lumière et le minéral, et le liquide pour les réfléchir!"
De hoofdfiguur Des Esseintes uit Joris-Karl
Huysmans' roman A rebours (1884) neemt de spreuk die Baudelaire dat gedicht
meegeeft, letterlijk: 'Anywhere out of the world'. Hij trekt zich terug in een gerieflijke
kluizenaarswoning en beschouwt het kunstmatige als het kenteken van het menselijk vernuft.
"De natuur heeft haar tijd gehad. Door de
weerzinwekkende uniformiteit van de lucht en het landschap heeft de aandachtige, verfijnde
waarnemer er voorgoed genoeg van gekregen. Wat een grauwe onbeduidendheid, net een
specialist die alleen maar alles weet van zijn eigen vak; het lijkt op de zielige
bekrompenheid van een winkelierster die maar een enkel artikel verkoopt, wat een eentonig
warenhuis van weilanden en bomen, wat zijn bergen en zeeën toch banaal ingedeeld! [...]
Werkelijk, de bewondering van alle ware kunstenaars voor die eeuwige ouwe zeur is
verdwenen, en de tijd is gekomen dat de natuur, waar het maar mogelijk is, door het artificiële vervangen moet worden." (Tegen de keer, vertaling J.
Siebelink)
Des Esseintes laat bloemen vervaardigen uit
edelstenen, kijkt naar een avondhemel met sneeuw als ging het om namaakhermelijn en
transformeert gaandeweg zijn 'zwakke' punt: zijn liefde voor bloemen. Eerst heeft zijn
natuurlijke (!) neiging tot het kunstmatige hem ertoe gebracht de werkelijke bloem te
verwaarlozen ten gunste van zijn kopie, en heeft hij kunstbloemen laten vervaardigen. Dan
wil hij natuurlijke bloemen die er precies zo uitzien als onechte en wendt hij zich tot
gespecialiseerde bloemenkwekers: 'in een paar jaar kan de mens een selectie volvoeren die
de trage natuur pas na eeuwen tot stand kan brengen; in deze tijd zijn de bloemenkwekers
beslist de enige en echte kunstenaars'. Het abnormale, had de Sade al in de achttiende
eeuw geschreven, bewijst de superioriteit van de mens boven de natuur. Wie Des Esseintes
echter afstempelt als een zware neuroticus, moet bedenken dat huidige wetenschappers
(bijvoorbeeld in de biotechnologie) en de bouwers van een virtuele realiteit in hun
opvattingen niet zo ver van hem af staan.
De jonge Paul van Ostaijen, evenals Des Esseintes
een decadente dandy, deelt de voorkeur van Baudelaire en Huymans voor het artificiële. De
zonsondergang die hij beschrijft, vindt in de stad plaats. In tegenstelling tot wat Heine
de jongeman trachtte duidelijk te maken, gaat de zon, als het van hem afhangt, voorgoed
onder.
"Valavond.
Nu is van Kalifornies goud de tijd. / De
sterrevende zon vergaart / Haar krachten voor een verre vaart, / De laatste van die dag,
ter aardewaart.
Daar heeft de zon een laatste maal / Haar
stervensweeë gouden praal / Verzameld in een glazen tremportaal." (Music
hall, 1916)
Baudelaire zei het al: 'Ik houd van dingen die men
nooit een tweede keer zal zien.'
Schuldig landschap
De afkeer van de natuur krijgt in de twintigste eeuw
steun uit een hoek, die niets met de 'splendid isolation' van dandy's of decadenten te
maken heeft - de maatschappelijk geëngageerde auteurs. Ze zijn weliswaar geen
tegenstanders van de natuur, maar vinden toch dat je met haar moet opletten; ze kanten
zich in elk geval tegen kritiekloze bewondering. Bertolt Brecht formuleert in het gedicht An
die Nachgeborenen (1939) – z'n geestelijk testament geschreven in Deense ballingschap
– zijn voorbehoud: 'Was sind das für Zeiten, in denen ein Gespräch über Bäume fast ein
Verbrechen ist, weil es ein Schweigen über so viele Untaten einschließt.' De
perspectiefverschuiving is opvallend: de aandacht gaat naar de mens die spreekt of zwijgt;
de natuur is slechts het voorwerp.
Ook los van de wandaden door de nazi's uit Brecht
zijn wantrouwen tegenover de toegeeflijkheid van de natuur, die geen onderscheid maakt
tussen goed en kwaad: Von der Willfährigkeit der Natur, een gedicht uit de Hauspostille
(1927):
"Ach, dem Mann, der das Kind missbraucht
hinterm Dorfe / Neigen sich Ulmen noch mit schönem und schattigem Laub. / Und es
empfiehlt eure blutigen Spuren, ihr Mörder / Unserm Vergessen der blinde, freundliche
Staub."
Je mag volgens Brecht de natuur niet buiten de mens
zien, je kunt haar niet loskoppelen van de maatschappelijke werkelijkheid. In het spoor
van Marx en Engels, die het in hun brieven hebben over de 'antiphysis' (en daarbij zelf
Auguste Comtes begrip 'antinatuur' navolgden), koestert Brecht het ideaal van een
menselijke orde, die lijnrecht tegengesteld is aan de blinde mechanismen, dwalingen en
onrechtvaardigheden van de natuurlijke wereld. De mens moet zelf natuurkracht worden, en
dat wordt hij alleen door de arbeid.
"Herr K. und die Natur
Befragt über sein Verhältnis zur Natur, sagte
Herr K.: 'Ich würde gern mitunter aus dem Haus tretend ein paar Bäume sehen. Besonders
da sie durch ihr der Tages- und Jahreszeit entsprechendes Andersaussehen einen so
besonderen Grad von Realität erreichen. [...] da haben Bäume für mich, der ich kein
Schreiner bin, etwas beruhigend Selbständiges, von mir Absehendes, und ich hoffe sogar,
sie haben selbst für die Schreiner einiges an sich, was nicht verwertet werden kann.'
(Herr K. sagte auch: 'Es ist nötig für uns,
von der Natur einen sparsamen Gebrauch zu machen. Ohne Arbeit in der Natur weilend, gerät
man leicht in einen krankhaften Zustand, etwas wie Fieber befällt einen.)"
(Geschichten vom Herrn Keuner, 1930)
Ook in zijn late gedichten, zoals de Buckower
Elegien (1953), is de natuur niets zonder menselijke aanwezigheid.
"Der Rauch
Das kleine Haus unter Bäumen am See. / Vom Dach
steigt Rauch. / Fehlte er / Wie trostlos dann wären / Haus, Bäume und See."
In de Nederlandse literatuur is het Armando die
Nietzsches kritiek op het zwijgen van de natuur toespitst op historische situaties, met
name de Tweede Wereldoorlog. Verscheidene van zijn boeken (Dagboek van een dader,
Geschiedenis van een plek, De straat en het struikgewas) beschrijven het
landschap in de buurt van een Duits concentratiekamp bij Amersfoort. Ook in zijn
schilderijen en tekeningen komen ze voor: de Paysages Criminels, het Beschuldigd
landschap en het Schuldig landschap.
"Ach, de natuur kan er toch ook niets aan
doen. Als de een macht heeft om de ander te knechten heeft hij een terrein nodig waar hij
z'n lusten kan botvieren, hij maakt dan bij voorkeur gebruik van bosachtige gebieden.
Vandaar deze plek. De cultuur heeft zich van de natuur meester gemaakt. Nu, dan zwaait er
wat.
En de natuur laat met zich sollen, dat heb ik
zelf gezien. En ze trekt zich nergens wat van aan. Alleen de wind kan de bladeren doen
beven. Schuldig bos, schuldig landschap." (De straat en het struikgewas,
1988)
Armando's wantrouwen strekt zich zelfs uit tot
natuur die op het eerste gezicht weinig met de geschiedenis te maken heeft, bijvoorbeeld
de zee.
"Hoe noemen ze de zee ook weer? Ze noemen
'm: adembenemend, indrukwekkend, overweldigend. En dat is ie, ongetwijfeld. En
angstaanjagend niet te vergeten.
Toch noem ik 'm liever nietsontziend,
nietsontziend. En onbarmhartig. Laat ik het zo zeggen: misschien is hij adembenemend en
indrukwekkend en overweldigend en angstaanjagend, omdat ie nietsontziend en onbarmhartig
is.
Maar af en toe vind ik 'm ondanks of misschien
wel juist door z'n nietsontziendheid een beetje wanhopig, een beetje zielig zelfs. De zee
is ook maar een mens." (Voorvallen in de Wildernis, 1994)
Worden hier niet opnieuw menselijke (nu negatieve)
eigenschappen op de natuur geprojecteerd – iets wat Heine al bestreed? In feite gebruiken
Brecht en Armando de natuur als retorisch kneepje: het landschap wordt metafoor voor de
zwijgende meerderheid van mensen, die wél hadden kunnen ingrijpen. Het idee van een
schuldig zwijgende natuur kan slechts bestaan omdat er een lange traditie van
'communicerende' natuur aan vooraf is gegaan: 'Als de ziele luistert, spreekt het al een
taal dat leeft' (Gezelle).
Weg met de beelden
De beeldende kunst heeft zich in de eerste helft van
de twintigste eeuw steeds meer van de natuur verwijderd. Kun je nog zeggen dat de
expressionistische en abstracte schilders het wezen of de geestelijke werking van een
landschap in hun doeken wilden weergeven, bij de surrealisten ligt dat al veel moeilijker.
Een Max Ernst of Yves Tanguy zijn er eerder op uit, de natuur te vervangen door verlaten
en doodse vlakten, van alles ontdaan wat ze herbergzaam voor de mens kan maken en met als
enige wezens afzonderlijke dingen, machines of evolutionaire oervormen.
Tegelijkertijd is de natuur in de populaire cultuur
nooit zo vaak afgebeeld als nu: ansichtkaarten, natuurdocumentaires, reisfolders en
vakantiefoto's staan er bol van. Welke film, diaserie of reisvideo eindigt niet met een
zonsondergang? Natuur is dermate het begeerde doel van toeristen en recreanten geworden,
dat je - als ze een kunstwerk was - zou spreken van 'gesunkenes Kulturgut', te grabbel
gegooid voor de massa. Als object van het toerisme krijgt ze iets van een déjà vu, een cliché. Mensen reizen, zoals Walter Benjamin zei, om ergens te gaan bewonderen wat
anderen bewonderen. Het is duidelijk dat zo'n consumptieve houding schrijvers
– die naar
de beroemde uitspraak van Flaubert 'alles anders willen zien dan de andere mensen'
– uit
hun tent moet lokken.

De Oostenrijkse experimentele auteur Konrad Bayer,
een Weens stadsbewoner die zich geregeld op het land terugtrok 'om zijn lichaam te
ontgiften', neemt in zijn fragmentarische roman der sechste sinn (1964)
desautomatiserende landschapsbeschrijvingen op. De kans dat je er vlug over heen leest, is
klein, juist omdat ze zich op een terrein begeven waar normaal de gedachteloze waarneming
domineert.
"die landschaft, weiblicher natur, trägt lässig vier wochen vor erscheinen der abbildungen im kalendermagazin die variationen der
braunen streifen zwischen grüner einlegearbeit und roten akzenten, von der diesjärigen
herbstmode vorgeschrieben. das parfüm ist mild und heiter, weht in goldenbergs
nasenhärchen, legt sie kokett zur seite, aber goldenberg will nicht. dort oben auf dem
zaun, der da allmählich vorbeizieht, im grübchen der bergwange, war er hand in hand mit
seiner nina gesessen um im sonnenkino das serienprogramm 'glühende abenddämmerung, ein
erhebendes schauspiel in 28 minutenakten, für angestellte und reifere jugend' zu
geniessen. lassen wir das rosige schmalz auf der netzhaut zerfliessen, hatte nina gesagt,
mit baumelnden beinen die stunden des glücks zuendetickend."
In dit korte fragment komen alle eerder aangeraakte
aspecten van een problematische natuurbeleving bij elkaar: de vermenselijking van het
landschap, dat als een kokette dame, gekleed naar de herfstmode, de mens wil verleiden,
het déjà vu, de mechanische herhaling, de loze dweperij, de beschimping van het cliché
(Schmalz = reuzel, maar ook een sentimentele smartlap). Projectie is er nog op een andere
manier, letterlijk: de zonsondergang wordt als een goedkope film op het doek van
Goldenbergs en Nina's gezichtsveld geprojecteerd. Net als in de moderne fysica wordt de
waarnemer in het waarnemingsveld opgenomen, om je bewust te maken van de beelden die je
construeert.
De (haast had ik geschreven 'natuurlijke') behoefte
aan 'connaturalitas', dat wil zeggen harmonie tussen mens en natuur, neemt Bayer in een
andere passage op de korrel:
"goldenberg war in einklang mit den dingen.
als er vors haus ging sein wasser abzuschlagen, öffnete der himmel seine schleusen, und
gemeinsam erfrischten sie die erde und ihre leuchtenden blumen."
Daarmee lijkt de Westerse natuurbeleving voorgoed
ontnuchterd te zijn: 'weg mit den bildern' is een van de laatste zinnen van de roman, 'sie
taugen alle nichts'. Wat je van de natuur zegt, ben je zelf. Binnen- en buitenwereld zijn
onlosmakelijk verbonden; een onbevangen natuurbeleving is een vrome illusie. Bayers
beschrijving herinnert aan het schilderij
Le soir qui tombe (1964) van René Magritte, dat toont hoe een zonsondergang een raam - ons beeld van 'de' werkelijkheid -
aan scherven schiet.
Wat blijft er over? Een woordeloos genieten van de
natuur, dat zich niet meer articuleert? Ton Lemaire noemt het in zijn Filosofie van
het landschap (1970) het ideaal. 'De zuiverste ontmoeting met het landschap [...] zou
de zwijgzame coëxistentie zijn van de wandelaar met zijn omgeving, en meer in het
bijzonder het beschouwend genieten van een vergezicht.'
Maar we kennen de kritiek van Nietzsche en - na
Brecht en Armando - het risico dat passiviteit betekent. Een zwijgende dichter deugt enkel
als standbeeld. Toch maar spreken dus, als in een tweede onschuld, nadat je
– met de hulp
van 'satanische' auteurs als Baudelaire en Huysmans – van de boom der kennis hebt gegeten.
Misschien schuilt er een nieuwe, bevrijdende kans in. De natuur, het andere, anders laten
zijn. Haar erkennen zonder haar in te lijven, maar ook zonder jezelf uit te sluiten. Haar
beschrijven met nieuwe, andere woorden, bijvoorbeeld als een
Soft machine
Woud / het donderen van een druppel / geraas van
vallend blad / gekraak van groeiende varens, gras
Brullend gezang van vogels / gillende insekten /
niezende slakken / kuchende rupsen / knarsende wormen
Wortels happen in de hemel / boomtoppen bijten
in elkanders staart / heuvels dalen / koelte trillingsgetal / adem echo van de schaduw
Het woud paart / stilte stolt / bloemen sluipen
op stelten
Iemand liet zijn voeten achter / in mos / iemand
vergat zijn hart in boomschors
(Lizzy Sara May, Binnenkort in dit theater,
1984)
Erik de Smedt
oorspronkelijk verschenen in Tsjip/Letteren (Nijmegen), juni-juli
1998
terug naar homepage
|