|
De dichter is de
katalysator. Over Konrad Bayer | |||
In zijn befaamde boek over de cultuur van het stroomgebied Donau maakt de Italiaanse germanist Claudio Magris, die het nochtans niet zo begrepen heeft op de experimentele literatuur van de Wiener Gruppe, één uitzondering: 'In de starre, conservatieve sfeer van de jaren vijftig en zestig herontdekte die groep een traditie die tegelijk surrealistisch, dadaïstisch en volks was; zij trachtte zich te verzetten tegen de groeiende vervreemding die het individu zijn rechtstreekse, tastbare ervaring ontnam en wilde poëzie ontdekken in het wilde experiment, in de montage en in de woordspeling, in fonetische hoogstandjes en happenings, in een mengeling van reclame en nonsens, in spotzieke provocatie, in een project als het dirigeren van een vogelkoor, of het bouwen van een tien kilometer lang huis of het drukken van een fake-krant voor één persoon. Deze goochelaars brachten nieuw leven in het verstarde Oostenrijkse culturele klimaat en te midden van hen bevond zich een echte dichter, Konrad Bayer, die in 1964 is gestorven.' Het konzert für metronome und singvögel, de wohnstrasse en de konrad-bayer-zeitung, die hij 's nachts in de manden van een populaire Weense krant wilde leggen, wijzen er al op: Konrad Bayer was niet alleen een experimenteel schrijver. Zijn hele leven en waarschijnlijk ook zijn zelf gekozen dood waren een experiment; hij wilde de grenzen verkennen en overschrijden die eigen zijn aan het menselijk bestaan. In die zin vormt hij een schakel tussen de vernieuwende literatuur van de Wiener Gruppe (jaren '50) en de extreme artistieke excessen van het Weense actionisme (jaren '60). Getuigenissen van wie hem hebben gekend wijzen op een vat vol tegenstrijdigheden: koel, gevoelloos, een ongenaakbare dandy, een berekenend solipsist, een kwelgeest voor anderen en zichzelf, een cerebrale antirationalist, een gentleman, direct en onpretentieus, een ingoed mens, een mededeelzame echte vriend. Iets ongrijpbaars moet hij hebben gehad - 'zijn ogen', herinnert zich iemand, 'hadden de uitstraling van een kat'. Zijn oudere vriend en mentor H.C. Artmann vat het zo samen: 'Konrad was een engel die zich in de hel gewaagd heeft. Hij heeft het niet gehaald.' Bayer wordt in 1932 geboren in Wenen, bezoekt er het gymnasium, wil schilder worden, maar wordt op aandringen van zijn ouders bankbediende. In 1957 geeft hij zijn beroep op. Hij leidt een tijdje een galerie, werkt als acteur en scenarist mee aan experimentele films, regisseert eigen toneelwerk, reist rond, leeft intens en schrijft. Tussen 1952 en 1960 maakt hij samen met Friedrich Achleitner, H.C. Artmann, Gerhard Rühm en Oswald Wiener deel uit van de Wiener Gruppe, vijf heel verschillende individuen die elkaar vinden in hun streven naar radicaal andere vormen van literatuur en kunst. Individualiteit is geen literaire imperatief meer: ze schrijven verschillende teksten gezamenlijk. Ze speuren naar vergeten en miskende schrijvers, o.m. van de historische avant-garde, discussiëren over de grondslagen van taal en denken, lezen Wittgenstein (toen in het Duitse taalgebied nog haast onbekend), maken tekstmontages, klankgedichten, visuele en 'coole' poëzie (de literaire readymade), ontdekken de waarde van het dialect voor de moderne literatuur, en brengen in 1958 en 1959 twee ophefmakende 'literaire cabarets', waarin ze 'werkelijkheid' proberen tentoon te stellen en uit te schakelen - achteraf bekeken de eerste happenings in Europa. In het begin van de jaren '60 valt de groep uit elkaar; de opvoering van hun kinderoper in 1964 is een late zwanenzang. De leden blijven afzonderlijk actief: Artmann recycleert de meest uiteenlopende genres, stijlen en motieven in een oeuvre dat overloopt van taalkracht en fantasie, Bayer legt zich toe op langere prozateksten als der kopf des vitus bering en der sechste sinn, Rühm overschrijdt verder de grenzen tussen literatuur, beeldende kunst en muziek, Achleitner maakt sporadisch constructivistisch werk naast zijn bedrijvigheid als architectuurhistoricus en Wiener, altijd al de theoreticus van de groep, schrijft zijn anarchistische die verbesserung von mitteleuropa, roman en ontsnapt als denker en schrijver, ook in zijn latere bezig zijn met kunstmatige intelligentie, aan alle categorieën. Konrad Bayers autobiografische 'roman' het zesde zintuig vormt een staalkaart van de experimenten met relaties, opvattingen, waarnemingen en gevoelens, die zo typisch waren voor de levenswijze van de Weense artistieke bohème in de jaren '50 en '60. Een passage daaruit illustreert het levensgevoel en het denkklimaat van die jaren: 'we kunnen in de wereld niet binnendringen, we hebben niets met haar te maken, we scheppen beelden van haar die met ons overeenkomen, we leggen methoden vast om ons in haar te gedragen en noemen het de wereld of als het er stuift ik in de wereld, het is hoogmoediger dan je denkt, als we dus een beschilderd gordijn nodig hebben, waarvoor we onze gebaren en persoonlijke wensen, die we als dingen, verbanden en dergelijke aanduiden, noemen, tragisch spelen, dan neem ik de bonte sluier van de vrolijkheid weg en wat zit daarachter? vroeg dobyhal. goldenberg lachte.' Achter de lachende Goldenberg gaat Bayer schuil, maar de vertwijfelde tirade van Dobyhal (meestal z'n vriend Wiener) is ook de zijne. In een poëziealbum dat hij gebruikte om een aantal gedachten vast te houden, staat ergens de lapidaire notitie 'de taal is te onbeholpen om de waarheid te zeggen'. Wie als dichter iets probeert te zeggen, moet op zijn hoede zijn dat hij niet terechtkomt in de valkuilen van haar gebaande paden. De schrijftechnieken die de Wiener Gruppe heeft ontwikkeld, kun je beschouwen als evenveel pogingen om in taal aan de beperkingen van taal te ontsnappen. In het dagelijkse, ondoordachte taalgebruik lijken woorden en zinnen als perfecte maatpakken op onze gedachten en waarnemingen te passen. Maar is dat niet beangstigend eng? Kan het dat, om een beeld uit die verbesserung von mitteleuropa te gebruiken, 'zoveel als de wereld in zo weinig als een beetje gort', onze hersenmassa, wordt gewrongen? Wat gebeurt er als je dat vertrouwde medium ondergraaft? 'Het schrijven', zegt Oswald Wiener in een terugblik op de Wiener Gruppe, 'is geen middel voor artistieke 'weergave' geweest, maar een instrument om denkprocessen te onderzoeken en voor wie schrijft een natuurlijke hefboom om de barrières van zijn voorstelling die hem bij het schrijven bewust worden, naar buiten te duwen.' der stein der weisen is de enige zelfstandige publicatie van Konrad Bayer die hij heeft zien verschijnen. Hij noemde dit boekje, waaraan hij schreef tussen 1954 en 1962, een 'traktaat', met een allusie op de geschriften van filosofen (o.m. Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus) en alchemisten. Maar al bevat het de kwintessens van zijn dichten en denken, en al bestaat het zoals sommige hermetische geschriften uit zeven delen plus een voor- en nawoord, een filosofisch traktaat of een alchemistisch geschrift is het niet. Wel heeft het iets van een initiatie, waarbij de geblinddoekte adept in verschillende stappen een geestelijke transformatie ondergaat. Net als een initiatierite schrijdt het lezen voort van punt naar punt. In elke fase, na elke horde die je hebt moeten nemen, valt een blinddoek, tot je gelouterd en verrijkt uit het proces te voorschijn komt. En net als bij een rite kun je de inwijding alleen zelf ervaren en niet van buitenaf beschrijven. Zoals bij de steen der wijzen uit de alchemie of in het zenboeddhisme is het mogelijk dat het inzicht verbazingwekkend eenvoudig blijkt en toch meestal over het hoofd wordt gezien. 'Men vindt hem op het land, in het dorp en in de stad, in alles wat door God geschapen is; toch wordt hij door allen geminacht. Rijk en arm hanteren hem dagelijks. Hij wordt door de dienstmeiden op straat gegooid. Kinderen spelen ermee. Toch stelt niemand er prijs op, hoewel hij naast de mensenziel het schoonste en het kostbaarste is op aarde en de macht heeft koningen en vorsten te doen vallen. Niettemin wordt hij beschouwd als het laagste en gewoonste van alle aardse dingen. Hij wordt door allen afgewezen en verworpen.' (Gloria Mundi) Literair is de steen der wijzen een eigenzinnige tekst. Het onderscheid tussen de klassieke genres valt weg; het boek bevat epische (lapidair museum), lyrische (topologie van de taal), dramatische (voorwoord, tussenspel...) en didactische passages (enkele woorden over otti bozol, de elektrische hiërarchie). De scheidingslijn tussen literatuur en filosofie, poëzie en proza, fictie en non-fictie lijkt niet meer te bestaan. Bayer, die zich nooit tot een bepaald literair procédé heeft beperkt, hanteert met magische kracht technieken die in de Wiener Gruppe zijn uitgeprobeerd. De reductie tot eenvoudige zinnen en kernwoorden, die in verschillende constellaties worden gepermuteerd, herinnert aan de concrete poëzie en het 'methodisch inventionisme'. 'Less is more', maar de impasse van het logische en talige definiëren is niet te miskennen. De tekstmontage was in de groep een geliefd middel om door het combineren van uit hun context losgemaakte tekstfragmenten een semantisch onzekere toestand te bereiken. Bayer gebruikt het in zijn hermetische geografie voor een reis door de wereld, de elementen, de ruimte en de tijd in een parodie op de encyclopedische kennisdrang van de 19e eeuw, die vooruitgang belooft en verwarring brengt. Wie goed leest, vermoedt hier al een mogelijke coördinatie in een nog niet gekend punt. Dood en wedergeboorte, scheiden en samensmelten liggen ook in de alchemie dicht bij elkaar. In de taal zelf zit een verband tussen micro- en macrokosmos als je beseft hoe ruim de toepasbaarheid is van een woord als lichaam: fysische lichamen, mensenlichamen, hemellichamen... Absolute tegenstellingen bestaan alleen in de taal, niet in de dingen. Binnen en buiten, het natuurlijke en het kunstmatige (de historische automaten als bewijs van het scheppende menselijke vernuft) worden één tijdens de fascinerende tocht door het lapidair museum, een afdaling in zichzelf, die herinnert aan het alchemistische bezoek aan het binnenste van de aarde, de moederschoot waaruit de steen geboren wordt. Het is de duisternis die het licht voortbrengt. Ondanks de radicale vormvernieuwingen is Konrad Bayers werk ver verwijderd van een 'chemisch gereinigde' experimentele literatuur die verzandt in formalisme. Een hevig maar ook vertwijfeld levensgevoel doorzindert al zijn teksten. Dat Bayer zo vaak met de dood speelde, was voor hem wellicht de manier om het leven zo intens mogelijk waar te nemen. Hij had een stevige hang naar reflectie en was bezeten door fundamentele vragen, die Wolfgang Max Faust eens als volgt formuleerde: 'Hoe denkt het denken? Hoe leeft het leven? Hoe denkt het leven? Hoe leeft het denken?' Veel van Bayers obsessies zijn in de steen der wijzen terug te vinden: het dualisme van lichaam en geest, de wereld als theater, de vergankelijkheid, het verschil tussen het levenloze en het levende, de broze identiteit, het artificiële, de eigen wetten van de taal, de bevreemding over het vanzelfsprekende. Toch wordt de tekst nergens loodzwaar; daarvoor staat de (zelf)ironie van Bayer borg, een rode draad in heel zijn werk. 'de steen op mijn schedel is de oorzaak van een buil' (nawoord). Een hermetisch, moeilijk, wereldvreemd boekje? Je zou net zo goed het tegendeel kunnen beweren: weinig teksten stellen zoveel vertrouwen in de lezer, hangen zo samen met wat ieder van ons is en vermag, en weinig teksten bevatten zoveel wereld. Natuurlijk kan het ongewone een struikelblok zijn bij dit leesavontuur, een tocht waarop je beurtelings landmeter, ontdekkingsreiziger, medicus, toneelschrijver, fysicus en nog veel meer wordt, en beseft hoe pover die arbeidsdeling is. 'Een nieuwe vorm,' zei Ernst Bloch toen Konrad Bayer voorgelezen had voor de Gruppe 47, 'waarvan de filosofen heel wat kunnen leren'. In een brief aan de Berlijnse uitgever Wolfgang Fietkau, die het boekje in 1963 publiceerde, schreef Bayer: 'ik zoek geen hoofdonderwijzers die me humanistisch en esthetisch bevestigen, maar de echte beginner die bereid is anders te denken.' U misschien? | |||
| Erik de
Smedt | |||
![]()
* begeleidende tekst
bij Konrad Bayer, | |||
beluister interview van Paul Demets over Konrad Bayer en de steen der wijzen (De Kunstberg, Radio 3, 25 april 2000) | |||