Terug naar start

WATER
Kortverhaal Noël Marechal

Nadat de schoolkinderen waren uitgestapt aan de halte van Kiewit was de trein bijna leeg. In het midden van de wagon zat David Mertens. Hij las zoals elke morgen de krant. Vooral het regionale nieuws en de overlijdensberichten interesseerden hem, sport kon hem maar matig boeien, en met politiek liet hij zich al helemaal niet in. Twee zetels verder, schuin tegenover hem, zat een man met een laptop. Het was een man met een keurig grijs maatpak en een opvallende gele stropdas. Het gebeurde niet dikwijls dat er op dit traject reizigers op hun laptop werkten. Meestal waren het steeds dezelfde pendelaars en ze zaten ook bijna altijd op dezelfde plaats. David was een beetje jaloers; thuis had hij wel een computer met internetaansluiting, maar een laptop, daar kon hij alleen maar van dromen. Zeker zo’n nieuwe Dell Inspiron 9100 Multi Media met een 14 inch beeldscherm en een dvd-schrijver. Spiksplinternieuw moest die wel tweeduizend euro kosten, bijna tachtigduizend frank.
Eigenlijk werkte de man met de gele das niet op zijn laptop. Hij las alleen maar wat of misschien keek hij naar een film, want met een dvd-lezer kon je films bekijken of spelletjes spelen op het internet. Maar dat deed de man niet, hij las alleen maar. Af en toe gaf de computer een bieb en dan keek hij telkens op. David keek dan snel terug in de krant maar hun blikken hadden mekaar toch even ontmoet.
Het is misschien een leraar die zijn les voorbereidt, een docent aan de kunsthogeschool, dacht David. Daar had bijna iedereen een laptop, zelfs de studenten. Hij zag er ook een beetje als een professor uit met dat maatpak. Misschien een leraar wiskunde of een ontwerper.
David zou wel weten wat hij met zo’n laptop zou doen; muziek downloaden, surfen op het internet, films kijken en de boekhouding van de tennisclub bijhouden. Dat zou hij dan op weg naar het werk kunnen doen. Op de trein. Net zoals die man. Dan was de rit naar het werk geen verloren tijd. Dan deed hij nog iets zinvol op zijn laptop. Hij kon ook naar een film kijken als hij daar zin in had, ’s avonds op weg naar huis, een goede film, La Vita è Bella bijvoorbeeld. Dat was een goede film. Maar op dit moment paste een laptop niet in zijn budget. De afbetaling van het huis en de auto namen een hele hap uit zijn maandbudget en hij wilde dit jaar nog samen met Els naar de Caraïben. Dit jaar nog geen laptop dus. Volgend jaar misschien. Hij kon er nu al voor beginnen sparen. Als hij honderd euro per maand opzij zou zetten en als hij dan zijn vakantiegeld … volgend jaar… een Dell Inspiron 9100 Multi Media …
De trein vertraagde. De man klapte de laptop toe, stopte hem in de draagtas en legde de tas naast zich op de bank. Op het moment dat de trein stopte in het station van Bokrijk stond hij op en ging naar de uitgang. David zag hoe hij de laptop liet liggen. Hij wilde hem nog naroepen maar de man was al aan de uitgang. Hij zal het zelf wel merken, dacht David, en snel terugkomen. Maar de man liep voorbij zijn raam en knikte naar hem. David groette ook en even ging zijn hand omhoog want hij wilde de man duidelijk maken dat hij zijn laptop vergat maar de deuren sloten zich en de trein zette zich in beweging. Te laat.
Misschien zal de kaartjesknipper langskomen, de laptop zien en hem meenemen, maar misschien ook niet, dacht David. Waarschijnlijk niet want hij was al geweest en verder zat er niemand in de wagon. In het volgende station moest hij uitstappen. Hij kon de laptop eventueel meenemen en afgeven bij “Verloren Voorwerpen”. Hij kon hem ook aan de stationschef geven of hij kon bij de politie langs gaan en aangifte doen of hij kon de laptop ook meenemen, dan had hij er een voor zichzelf. Of hij kon hem gewoon laten liggen, tenslotte was die laptop niet van hem en had hij er niets mee te maken. En waarschijnlijk had de man al naar het station van Genk gebeld om te melden dat hij zijn laptop vergeten was. Dat vond David nog het meest logische. De man zal gebeld hebben, dacht hij en de stationschef zal in de trein gaan zoeken en de laptop vinden. Tenzij hij de laptop zou meenemen en zou binnenbrengen bij “Verloren Voorwerpen”.
De trein vertraagde. David wachtte tot hij volledig stil stond, en ging dan pas in de richting van de deur. Even keek hij nog om, nam de laptop en stapte uit. Als iemand iets vraagt, dacht hij, dan zeg ik dat ik zag hoe de man zijn laptop vergat en dat ik hem nu naar “Verloren Voorwerpen” breng. Als ik hem meeneem naar huis zal mijn vrouw er op staan dat ik hem naar de politie breng. Als ik er mee op het werk aankom zullen de collega’s uitleg vragen. Het voelde wel goed aan zo’n laptop, iets zwaarder dan hij had gedacht maar hij lag toch wel goed in de hand. Het gaf hem een voornaam gevoel. Misschien denken de mensen dat ik een directeur ben of een manager of iets dergelijks, iemand met een belangrijke functie in ieder geval, dacht hij terwijl hij resoluut het stationsgebouw binnenstapte. Het station was een modern rechthoekig gebouw met veel glas. Tegenover de deuren waren de loketten met aan de linkerkant de uurregelingen van de treinen aan de andere kant de bagagekluizen. Het gebouw leek kleiner vandaag en het viel hem op dat de voorbijgangers van buiten naar binnen konden kijken. Voortdurend kwamen bussen voorbijgereden en de passagiers konden hem zien staan, als ze dat wilden.
Hij zette de laptop op de vloer tussen zijn benen, bladerde in zijn agenda terwijl hij rondkeek om te zien of iemand naar hem keek. Niemand keek. De drie jongens op de stoelen links zagen hem niet. Ze hadden het te druk met de meisjes die voorbij kwamen. Hij zag nergens een bord “Verloren Voorwerpen”. David nam de laptop vastberaden op en ging in de richting van de loketten. Niemand. Misschien morgen dacht hij en hij stopte in één beweging de laptop in een open bagagekluis, duwde de deur dicht, stopte anderhalve euro in de gleuf, stak het ticket met de code in zijn jaszak en liep door naar zijn werk.
Het was maar enkele minuten stappen tot aan het bankfiliaal waar hij werkte. Zijn rechterarm voelde merkwaardig licht aan, alsof er iets ontbrak. Er was niemand aan het loket, kon hij zeggen, indien iemand iets zou vragen. Maar niemand zou iets vragen. Niemand had iets gezien.
Die dag op het werk was David er niet zo goed bij. Niet dat hij fouten maakte. Dat kon hij zich niet veroorloven aan het loket. Hier moest alles correct zijn. Daar was hij voor gekend. Zijn werk was altijd correct. Maar de laptop was die dag niet uit zijn hoofd. Voortdurend dacht hij eraan. Zijn vrouw zou het vast niet goed vinden als hij hem mee naar huis zou nemen. Iedereen het zijne, zei ze altijd. Eerlijkheid voor alles. Zo was Els. Wat je eerlijk verdiend had, daar kon je mee doen wat je wilde, maar wat niet van jou was, daar bleef je af. En dat vond hij eigenlijk ook wel, maar hoe kon hij nu aan de identiteit van de man op de trein komen. Misschien zat er wel een aanwijzing in de tas en kon hij alsnog contact nemen. Hij had die ochtend geen tijd gehad, zou hij kunnen zeggen en er was niemand aan het loket. Het was niet zijn bedoeling de laptop te houden, integendeel, ik heb de man nog nageroepen toen ik de laptop zag liggen maar de deuren waren al toe en de trein was al in beweging.
Toen hij na het werk naar het station stapte, voelde hij het papiertje met de code branden in zijn hand. Hij kon de laptop niet meenemen. Misschien zou de man aan het station van Bokrijk opstappen en hem vragen of hij zijn laptop gezien had, of hij hem wellicht in bewaring had genomen. Nee, hij kon hem beter nog een dag in de kluis laten. Daar lag hij ten minste veilig. En niemand wist er voorlopig iets van. En als de man opstapte, had hij niets gezien. Hij las altijd de krant en hij was via de andere deur naar buiten gegaan. Nee, hij had geen laptop zien liggen. Het spijt me, zou hij zeggen, ik heb uw laptop niet gezien. Aan het volgende station was de man er niet en de kaartjesknipper vroeg ook niet of hij een laptop had zien liggen. Alles verliep heel normaal, precies zoals altijd.

De volgende morgen ging hij helemaal vooraan in de trein zitten. Niet op zijn gewone plaats waar hij anders altijd zat. Tenslotte kon je je zitplaats vrij kiezen op de trein. Niemand zou dat vreemd vinden. Toen de trein stopte in Bokrijk keek David van achter zijn krant naar het perron, maar de man met de gele das stapte niet uit waar hij gisteren uitgestapt was. Indien hij toch op de trein zou hebben gezeten dan zou hij David niet hebben kunnen zien want hij zat vooraan in de trein, verstopt achter zijn krant. Hij hield de krant dicht tegen zijn hoofd, alsof hij bijziend was.
Ook die dag kon David zich niet zo goed op zijn werk concentreren. Toch maakte hij geen fouten. Hij had voldoende routine en als het nodig was kon hij toch wel goed zijn hoofd erbij houden. Bij het afsluiten van zijn rekeningen klopte alles, maar David maakte bewust een telfout zodat hij wat langer moest blijven.
‘Ik kijk nog even de rekeningen na, er klopt iets niet,’ zei hij tegen de kantoorchef, ‘en als ik het nu niet oplos, dan kan ik niet gerust gaan slapen,’ voegde hij er nog aan toe.
Om kwart na zes was het station zo goed als leeg. David vernieuwde zijn maandabonnement en nam daarna de laptop uit de bagagekluis. Op de trein zette hij de laptop aan zijn voeten zodat niemand hem zag. Zijn vrouw had de late dienst in het ziekenhuis en zou pas na tien uur thuiskomen. Hij zette de maaltijd, die ze voor hem klaargemaakt had, in de magnetron, klapte de laptop open en zette hem aan. Windows opende zonder een paswoord te vragen. Dat was een meevaller. Het leek of de computer nog niet veel gebruikt was. Op het bureaublad stonden enkel de klassieke iconen van Windows. Net op dat moment gaf de magnetron een signaal en David zette zijn bord naast de laptop op de keukentafel. Eerst nam hij een hap en klikte dan op “Mijn documenten”. Er zat slechts één worddocument in deze map: “fase1”. Snel nam David nog een hap. Hij wist dat hij de privacy van de man zou schenden indien hij het document zou openen. Misschien zouden er persoonlijke gegevens in dat document staan. Misschien kon hij zo de identiteit van de man achterhalen en alsnog de laptop terugbezorgen. Haastig haalde hij een glas water, zette zich terug aan de keukentafel en klikte resoluut op het document “fase1”. Op het scherm zag hij een handleiding om waardepapieren te vervalsen en te verzilveren. De tekst was niet langer dan een halve bladzijde en zeer duidelijk opgesteld. Hij kreeg geen hap meer door zijn keel. Steeds opnieuw herlas hij de tekst. Het systeem was sluitend, klopte als een bus. Je moet alleen maar het lef hebben om het te doen, dacht David. En je moest de waardepapieren kunnen vervalsen. Hoe kon het, dat dit nooit door een ander werd bedacht? David had geen honger meer. Hij nam de fles jenever en schonk zich een borrel in. Hij las de tekst nog eens, maar trager nu. Het systeem werkte enkel wanneer iemand van de bank mee in het complot zat. David sloot de tekst en klikte nog eens op “Mijn documenten”. Hij had toch goed gekeken; enkel die ene map met dat ene document, verder niets. De laptop moest zo goed als nieuw zijn. David sloot af en verborg de laptop op zijn werkkamer in de onderste schuif van zijn bureau. Hier zou zijn vrouw de computer niet vinden. Dit was zijn terrein. Hier kwam ze nooit. Enkel bij de grote schoonmaak. Bovendien keek ze nooit in zijn persoonlijke spullen. David ging voor de tv zitten maar de tekst spookte voortdurend door zijn hoofd. Je moest van echte obligaties perfecte kopieën maken, daar zat de moeilijkheid. Je bood de kopieën aan in een bankkantoor en je liet het bedrag op een rekening storten, geopend onder een valse naam. Eenmaal gestort, maakte je de rekening leeg en je verdween. Niet moeilijker dan dat. Maar ik ben geen vervalser, dacht David. Ik heb een goeie job, mijn vrouw heeft een goeie job, we verdienen een eerlijk loon. Natuurlijk zou iets extra nu goed uitkomen. Maar hij wilde zijn baan niet op het spel zetten voor wat meer geld. Fraude is het en daar doe ik niet aan mee, dacht hij. Ik niet. Dit is niets voor mij. Een van de volgende dagen formatteer ik de harde schijf en dan is die laptop van mij. Met fraude houd ik mijn niet bezig.

David was de volgende maandagmorgen net bezig met het invoeren van de koers van de vreemde valuta, toen plots de man met de gele stropdas het kantoor binnenstapte. Onmiddellijk liep zijn hoofd rood aan en zijn handen begonnen te trillen. In een reflex wilde hij achter de balie wegduiken maar hij bleef als verlamd zitten. De man droeg hetzelfde pak als enkele dagen geleden op de trein. Hij stapte naar het loket van David. Ik blijf ontkennen, dacht David. Als hij iets vraagt, blijf ik ontkennen, ik weet van niets. Niemand heeft iets gezien. David voelde hoe hem het zweet uitbrak.
‘Goedemiddag,’ zei de man. Hij had een zware stem. David keek schijnbaar verwonderd op.
‘Heeft u een secondje, ik help u zo,’ zei hij. Hij wilde de gegevens die hij net had ingevoerd bewaren, maar omdat zijn handen trilden klikte hij per ongeluk op het icoontje van printen. ‘Ik help u zo, momentje nog,’ zei hij onzeker. Zijn benen trilden toen hij recht stond. Eigenlijk zag hij niet meer goed wat hij deed en hij sloot dan ook het programma maar af zonder te bewaren. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn,’ vroeg hij. Indien hij voor de laptop kwam mocht hij hem hebben. Ik heb je nog nageroepen, zou hij zeggen. De deuren waren al toe en ik vond nergens identiteitsgegevens. De man haalde een grote enveloppe uit zijn tas en legde hem in het bakje onder het veiligheidsglas.
‘Kan u eens kijken,’ zei hij, ‘ik zou deze obligaties graag verzilveren.’ Obligaties! De man leek groter dan op de trein, maar hij was het wel. Misschien had hij David niet herkend. De man wist waarschijnlijk van niets. David nam de obligaties uit de enveloppe en bekeek ze vluchtig. Credit Lyonais! Zouden ze vals zijn, vroeg hij zich af.
‘We zullen dit even in mijn kantoor afhandelen,’ zei David, ‘komt u maar binnen.’ Hij duwde op de elektrische deuropener en liet de man binnen. ‘Ik kom zo bij u,’ zei hij terwijl hij de enveloppe met de obligaties op het bureau legde en terug naar het kantoor ging. ‘Bert kan jij even het loket doen, ik heb een klant en de vreemde valuta moeten nog aangepast worden, zei hij tegen zijn collega, ‘ik was er mee bezig maar…, kan jij dat even, ik heb een klant.’ Het is ontegensprekelijk de man van de trein, dacht David, hij heeft mij zeker niet herkend. Wat moest hij hier met obligaties. Obligaties in godsnaam. Ik zou Leo kunnen vragen om het af te handelen, die is meer thuis in die dingen. Nee ik kan het beter zelf doen, je weet maar nooit. ‘Excuseert u mij voor het wachten, mijnheer…?’
‘Vanbriel, Hugo Vanbriel, geeft niet hoor, ik heb tijd.’
‘Credit Lyonais… ik kijk even na wat de bank op dit moment voor u kan doen. Bent u klant bij ons?’ De man legde zijn bankkaart op het bureau. Obligaties! Het duurde even voordat David ingelogd was op de computer. ‘U begrijpt dat wij het geld pas op uw rekening kunnen storten als alles administratief in orde is, we sturen de stukken naar Brussel waar… .’
‘Ik ken de procedure,’ zei de man. Aha, hij kende de procedure, het was dus niet de eerste keer dat hij obligaties verzilverde. David bekeek de waardepapieren en nam een rekenmachine. De waarde van de obligaties was nog weergegeven in Belgische franks, en hij deed de omrekening naar euro’s. Indien het vervalsingen zijn, zijn het zeer goede vervalsingen, dacht hij. Eigenlijk had hij Leo moeten verwittigen, als hij twijfelde, moest hij de kantoorchef erbij roepen.
‘De bank kan u voor deze stukken ongeveer tienduizend euro overmaken. Het bedrag is afhankelijk van de dagkoers, begrijpt u.’
‘Ik begrijp het,’ zei de man.
‘Binnen een week, zeg maar vijf werkdagen, zal het bedrag op uw rekening staan, ik maak even een contract op.’ David nam de bankkaart en tikte het nummer in. Op het scherm verschenen de gegevens van Hugo Vanbriel. Vijfduizend vijfhonderd euro op zijn zichtrekening, de man was blijkbaar goed voorzien.
‘U woont in Brussel?’
‘Klopt ja, Paleizenstraat 14, ik verblijf tijdelijk in Genk voor zaken.’
‘Ja natuurlijk, dat is geen probleem.’ Genk? Waarom stapte hij dan in Bokrijk van de trein? Misschien een afspraak? David bracht de bedragen en de nummers van de obligaties in en printte het contract uit. ‘Kan u hier even tekenen voor ontvangst?’
‘Oh ja, ik zou graag duizend euro van mijn rekening opnemen.’
‘Dat is geen probleem, mijnheer Vanbriel, dat doen we dadelijk aan het loket. Een week dus, ongeveer vijf werkdagen en dan zal het bedrag op uw rekening staan. Komt u even mee.’
‘Kan u het geld in een briefomslag steken alstublieft?’
‘Natuurlijk,’ zei David, hij tikte het bedrag in en printte de kwitantie uit. De man tekende en David legde de omslag met duizend euro samen met de bankkaart in de schuif.
‘Dank u, mijnheer Mertens,’ zei de man, ‘en een prettige dag nog.’
Mertens had hij gezegd, de man kende dus zijn naam. David begon opnieuw hevig te transpireren. De man was nog maar net buiten en hij ging naar het toilet. Zijn hoofd was vuurrood en zijn hemd was nat onder de oksels. Zou de man zijn ontsteltenis gezien hebben, vroeg hij zich af. Waarschijnlijk wel. Het was hier ook te warm in het kantoor. Godalmachtig, Hugo Vanbriel, een zakenman uit Brussel, die uitgerekend hier obligaties kwam verhandelen. Hugo Vanbriel zou wel een valse naam zijn. Hij wilde er niets mee te maken hebben. Voor hem leek alles normaal. Credit Lyonais voor tienduizend euro, vervalsingen, zoals op de laptop beschreven? Indien ze het navragen heb ik niets gezien. Alles is normaal, stelde hij zichzelf gerust. Gewoon toeval.
Toen David na het werk thuiskwam lag de omslag met de duizend euro in de brievenbus. Hij herkende hem meteen, het logo van de bank stond erop. Hij hoefde niet eens te kijken om te weten dat het de enveloppe was die hij die middag aan Vanbriel had overhandigd. Godalmachtig, hij weet waar ik woon. Zwijggeld dus. De man probeerde hem onder druk te zetten. Hij wist van de laptop. Nee dat kon niet. Of toch. David stond wezenloos in de gang met de enveloppe in zijn handen en hij begon weer overdadig te zweten. Gelukkig was Els niet thuis, ze zou meteen zien wat er mis was. Wat moest hij doen met die duizend euro. David legde de enveloppe op de keukentafel, deed zijn jas uit, en toen hij ging zitten, zag hij op de buitenkant van de enveloppe een code staan: XLGWATER. Die code had hij er niet op geschreven. XLGWATER, Vanbriel had die erop geschreven. Een code voor de laptop misschien… David rende de trap op, struikelde haast op de overloop, nam de laptop uit de onderste schuif van zijn bureau, plugde de netwerkkabel in en zette het toestel aan. Misschien een code voor de laptop met nog meer informatie, internet misschien. Goed dat Els niet thuis was. Ze zou pas na tien uur thuis komen. Via ‘start’ en ‘programma’s’ ging David naar ‘outlook express’. Outlook vroeg een code. De omslag lag naast de laptop. Ik doe het niet, raasde het door het hoofd van David. Ik wil het niet weten. Ik gooi heel de rotzooi in het kanaal. De omslag en die rot-laptop. Godverdomme. Ik gooi de hele boel in het kanaal. David tikte X L G W A T E R en de laptop gaf een bieb, outlook opende en er verscheen een boodschap: ‘Er staat 1 ongelezen e-mailbericht in uw postvak IN.’ David klikte werktuigelijk op ‘Postvak in’. Het e-mailbericht opende onmiddellijk. “Wij hebben een uitstekende samenwerking” stond er.
Wij hebben helemaal geen samenwerking, dat is niet voor mij, dacht David en hij klapte het scherm toe. Wij hebben geen samenwerking. Hij stond op, ging naar de keuken en schonk zich een borrel in. Er was geen samenwerking. Dit moest stoppen. Hij goot de borrel in één slok door zijn keel en voelde meteen een pijnscheut in zijn maag. Hij had eerst iets moeten eten. Eerst eten. David nam het bord dat zijn vrouw voor hem had klaargezet uit de koelkast en zette het in de magnetron. Eerst eten. Maar zijn nieuwsgierigheid was te groot en hij opende het scherm van de laptop opnieuw. Het bericht stond er nog: “Wij hebben een uitstekende samenwerking.” Ik werk met niemand samen. Dat is niet voor mij, probeerde hij zichzelf nog te overtuigen. In totale verwarring sloot hij de laptop af en bracht het toestel samen met de enveloppe naar zijn werkkamer. Els mocht hiervan niets weten. Eerst moest hij eten. Terwijl David aan de keukentafel wat voor zich uit zat te staren voelde hij hoe een ijzeren vuist zijn slokdarm dichtkneep. Hoe kan dit toch, dacht hij. Vanbriel weet waar ik woon, hij stuurt berichten naar de laptop. Ik stuur een antwoord. Ik schrijf dat er geen samenwerking is. Hij kan de laptop komen halen, of ik breng hem het toestel met het geld. Ik heb er niets meer mee te maken. Gedaan ermee. Gedaan met de samenwerking. “Wij hebben een uitstekende samenwerking”. Wat denkt hij wel. De geur van het eten deed hem walgen. Hij voelde hoe een koortsig gevoel beslag op hem legde. Een koude rilling liep over zijn rug. Een half uur later zat David Mertens nog altijd aan de keukentafel. Zijn eten was onaangeroerd. Hij had het koud en warm tegelijk. Het zweet stond in zijn handen en toch rilde hij van de kou, pijnscheuten schoten door zijn maag.
Toen zijn vrouw thuiskwam van het werk, vond ze hem met de knieën opgetrokken onder een deken op de sofa. Hij sliep onrustig, maar had haar niet horen binnenkomen. Ze zag de maaltijd onaangeroerd op de keukentafel staan en zijn voorhoofd voelde klammig. David was nooit ziek. Zou hij nu koorts hebben, vroeg ze zich bezorgd af. David werd wakker omdat zijn vrouw bij hem kwam zitten. Hij vertelde haar dat hij zich al de hele dag niet zo lekker had gevoeld en dat het thuis nog erger was geworden. Hij hoopte dat zijn vrouw hem zou geloven. Ze mocht absoluut niets van de laptop weten. Morgen zou hij wel beter zijn en dan kon hij weer gewoon naar het werk. Morgen zou hij zeker gaan werken. Op de bank mochten ze niets merken. Alles moest gewoon verlopen. Hij moest zeker naar het werk, anders zou Bert aan het loket zitten en dan zou hij de vreemde transactie van vanmiddag kunnen opmerken. Of Leo zou kunnen vragen stellen over zijn afwezigheid.

De volgende morgen voelde David zich helemaal niet beter. Els drong erop aan dat hij naar de dokter zou gaan. Hij had koorts en zo kon hij niet gaan werken, vond ze. Tegen de dokter loog David dat hij verschrikkelijk veel werk had en dat zijn baas hem nogal onder druk zette. De dokter schreef hem pijnstillers voor en drie dagen ziekteverlof. Thuis kroop David onmiddellijk in bed maar slapen kon hij niet; het e-mailbericht spookte voortdurend door zijn hoofd. Hij had twee pijnstillers genomen, waardoor de pijn wat onderdrukt werd en zodra Els naar het werk vertrok, sloot hij de laptop aan op het internet en opende outlook. Onmiddellijk kwam er een nieuw e-mailbericht binnen: “Station Leuven bagagekluis 11, code: 1478”. Dit gaat te ver, dacht hij, dit gaat werkelijk te ver. Station Leuven, kluis 11 code: 1478. Nu gaat hij over de grens. Ik kap ermee. Ik gooi de boel in het kanaal. Ik stop ermee. Nu gaat hij echt te ver. Hij klapte de laptop toe, nam nog twee pijnstillers en stapte in zijn auto. De laptop wierp hij op de achterbank. Het was druk op de weg. Het leek alsof de andere auto’s met mekaar verbonden waren. Ze bewogen als in een langgerekte gelachtige substantie. De andere bestuurders keken naar hem en maakten vreemde tekens. Wisten ze van de laptop? Wisten ze wat hij ging doen? Konden ze zien dat hij een fraudeur was? Ik gooi de boel in het kanaal, besloot hij. Het is goed geweest. Ik laat me niet meer gebruiken, ik gooi de boel in het kanaal. Ik ben geen fraudeur. Veertien achtenzeventig, kluis elf, duizend vierhonderd achtenzeventig, station Leuven. Op de kleine ring was het niet zo druk maar aan de jachthaven was te veel volk. Verderop zouden misschien geen mensen zijn, niemand mocht het zien. Je kon niet zomaar iets in het water werpen. Niemand mocht het zien, hij wilde er vanaf. Het moest gedaan zijn. Verderop zou niemand hem zien wanneer hij de laptop in het water zou werpen.
Enkele kilometers verder waar de weg dicht bij het kanaal kwam parkeerde David de auto en liep te voet verder tot aan het kanaal. Maar aan de overkant zat een visser. Hier dan maar niet, dacht hij. Hij kon onmogelijk het risico nemen dat de visser hem zou zien. Een beetje verderop, daar kon hij de laptop gewoon in het water laten glijden. Niemand zou het daar zien. Ik zet me gewoon op de kant, dacht hij en dan laat ik de laptop in het water glijden. Niemand zal het zien. Als Els nu belt, ben ik er niet. Ik zal zeggen dat ik diep geslapen heb door de pijnstillers. Ik heb vast geslapen, zei hij steeds weer tegen zichzelf.
David stapte in de auto en reed een eind verder tot waar de weg parallel met het kanaal liep. Ik had mijn jas moeten aantrekken, dacht hij terwijl hij naar het kanaal stapte. Hier zou het wel lukken. Hij moest van dat rotding af. Kluis 11 code: 1478, station Leuven. Wat dacht hij wel. Maar toen David aan het water kwam, zag hij een jogger in zijn richting komen. Hij zou gewoon wachten tot de jogger voorbij was en dan de laptop in het water laten glijden, niemand mocht hem zien. David ging terug naar de auto. De behaaglijke warmte in de auto bracht hem weer bij zijn zinnen. Wat doe ik hier in godsnaam, vroeg hij zich af. Je werpt niet zo maar een dure laptop in het water. Wat een verspilling zou dat zijn. Niemand had hem trouwens gezien. Gisteren niet, en vandaag ook niet. Hij was gewoon een beetje ziek. Een darminfectie waarschijnlijk. Morgen zou het vast beter gaan en dan kon hij gewoon gaan werken.
Thuis zette hij zich op de sofa met het toestel op schoot. Dell Inspiron 9100 Multi Media was eigenlijk een vergissing. Hij had de laptop terug willen geven aan de eigenaar maar het was te laat. De deuren van de trein waren dicht. En het was echt te laat toen Vanbriel binnenkwam op de bank. Maar dat betekende niet dat hij zo maar moest doen wat hij hem opdroeg. Hij was toch niet verplicht om al die bevelen uit te voeren.

Om 16.49u. zou hij in Leuven aankomen en om 17.11u. had hij een trein terug naar Hasselt. In het station van Leuven was het veel drukker dan David had verwacht. Bij de loketten stonden een tiental jongens en meisjes met rugzakken, ze spraken Spaans. Voortdurend kwamen mensen binnen die rechtstreeks doorliepen naar de perrons. Hij had ruim een kwartier voor de trein naar Hasselt zou vertrekken. David ging zitten op een van de banken in het station. De stemmen van de mensen, hun voetstappen, de treinen die het station binnenreden, het gesis van de treindeuren; alle geluiden samen drukten elke zinnige gedachte weg. Aan de uitgang naar de perrons stond een man een krant te lezen. Las hij wel echt de krant, of keek hij er gewoon overheen, want vandaar had hij een goed zicht op de loketten en de bagagekluizen. Op een bank wat verderop zat ook een man. Hij zat daar gewoon maar. Hij las niet eens een krant. Hij had zelfs helemaal geen bagage. Handlangers. Of politie misschien. Opsporingsbrigade. Hij zou zeggen dat hij deze zending even kwam ophalen voor een vriend, dat hij een dagje vrij had. Voor hem was het geen probleem om even naar Leuven te sporen. Zijn vriend had echt geen tijd vandaag.
De metalen klank van de omroeper deed hem opschrikken: ‘De IR-trein met bestemming Hasselt en Genk komt zo dadelijk aan op spoor negen.’ Iedereen kwam in beweging. De man met de krant ging naar de perrons en de man op de bank was verdwenen. Niemand sprak hem aan. In de bagagekluis lag één enkele een grote bruine briefomslag. Snel wurmde hij de omslag achter zijn jas. Op de trein zat hij voor zich uit te staren. Straks zou hij in de enveloppe kijken, als hij thuis was. Straks als hij terug in Hasselt was. Als Els nog niet thuis was. Vóór tien uur.
Mijnheer Mertens, kan u even meekomen naar de verhoorkamer, vroeg de man met de snor. Politie. Dat was zeker. Bijzondere opsporingsbrigade. Hij was er gloeiend bij. Het spelletje was uit. Ik wilde de laptop aan de rechtmatige eigenaar terugbezorgen maar ik vond nergens identiteitsgegevens, zei hij maar meteen. Het licht van de lamp deed pijn aan zijn ogen. Dat smoesje hebben we nogal gehoord mijnheer Mertens, leg dat maar uit aan de rechter. De celwagen was nauw en er zaten nog twee andere mannen met handboeien tegenover hem. Ze hadden hele grote handen. Dieven, net als hij. Ze spraken niet. Ook schuldig dus. De bewaker stond op en kwam naar hem toe.
‘Vervoersbewijs, mijnheer, mag ik uw vervoersbewijs.’ David werd abrupt uit zijn droom gehaald, graaide naar zijn binnenzak, maar de enveloppe viel op de vloer. De kaartjesknipper raapte de enveloppe op en gaf hem vriendelijk terug aan David. Alleen de kaartjesknipper had de omslag gezien. Die zien wel meer rare dingen op de trein. Kaartjesknippers zijn wel wat gewoon, dacht hij. Elke dag zien ze wel iemand die ongewoon gekleed is of zich niet goed voelt of vreemde bagage bij zich heeft. Er zouden vast nog meer mensen met een bruine enveloppe op de trein zitten. Dagelijks zaten er mensen met vreemde voorwerpen op de trein.
David had het gevoel dat de enveloppe kraakte bij iedere stap die hij deed. Hij hield hem achter zijn jas tegen zijn lijf gedrukt. Het leek alsof de afstand tussen het station en zijn huis alleen maar groter werd. Het was alsof de weg langer werd. Tientallen gedachten schoten door zijn hoofd maar geen enkele kon hij afmaken, want elke gedachte werd weer door een volgende ingehaald, en dat belette hem verder te denken.
Eerst moet ik kijken wat er in de enveloppe zit en dan kan ik gaan slapen, dacht hij toen hij thuiskwam. Wanneer ik eenmaal slaap zullen mijn gedachten vertragen. Wanneer ik slaap zullen mijn gedachten me met rust laten. Maar eerst moest hij weten wat er in de enveloppe zat. Ze lag nu voor hem op de keukentafel. Een ijzeren vuist hield zijn maag nog altijd in de klem. Misschien moest hij eerst nog een pijnstiller nemen en dan gaan slapen. Hij kon morgen nog in de enveloppe kijken. Morgen was een andere dag. Dan zou het wel beter met hem gaan. Eerst moest hij slapen. Nog drie uur en dan zou Els thuiskomen. Het was beter dat hij sliep als ze thuiskwam. Dan zou ze geen vervelende vragen kunnen stellen. David opende de enveloppe voorzichtig langs de kleefstrook. Ongeveer vijfentwintigduizend euro aan obligaties. Het bedrag deed hem duizelen. Hij moest kokhalzen en een zurig vocht gulpte naar boven.
David zat nog op zijn knieën voor het toilet toen de telefoon ging. Snel spoelde hij zijn mond en liep naar de telefoon. Het was Els, ze vroeg of hij zich al beter voelde.
‘Niet zo goed,’ zei hij. En nee, hij had niet geslapen, hij had de krant gelezen. Morgen zou het wel beter gaan.
‘Neem nog een pijnstiller,’ zei Els, ‘dan kan je misschien slapen, en kruip maar in bed, je moet niet op mij wachten.’
‘Ja schat, een pijnstiller en dan in bed. Tot straks.’
Toen hij de obligaties terug in de enveloppe wilde stoppen, viel er een briefje uit. “Te storten op rek. 748/41578895/87, 10% afhouden.” David kon maar net een nieuwe aandrang tot braken onderdrukken. Hij bracht de enveloppe naar zijn werkkamer, stak hem bij de laptop en ging slapen. Het werd een onrustige nacht.
Wij hebben uw handel en wandel van de laatste dagen nagetrokken, mijnheer Mertens, en we hebben vastgesteld dat uw gedrag op zijn minst verdacht is, zei de man met de snor. Maar u kan niets bewijzen, u verzint maar wat, ik heb geen strafbare feiten gepleegd, probeerde hij zich te verdedigen. Indien u blijft ontkennen zullen we tot huiszoeking moeten overgaan, mijnheer Mertens. De man met de snor zat nu op de trein. Hij werkte op zijn laptop. Toen de trein vertraagde klapte hij de laptop toe en ging naar buiten. De laptop lag nog op de bank. In een reflex wilde David hem naroepen maar de man was al buiten. Hij keek door het raam naar binnen en lachte breed naar hem. Hij had gele tanden. Ook toen de trein vertrok bleef hij naar binnen kijken. Hij keek naar David en hij keek naar de laptop. De laptop werd steeds zwaarder, David moest hem over de grond slepen. En dan zag hij hoe één kei begon te rollen en toen nog één en nog één en dan rolde hij in een lawine de heuvel af.
‘David, heb je koorts, je bent zo onrustig’.
‘Els, ik heb hem nog nageroepen, maar de deuren waren …’
‘Slaap maar, morgen zal het wel beter gaan, slaap maar.’
Maar de droom legde terug beslag op hem. Mijnheer Mertens u zal zich ter beschikking van de onderzoeksrechter moeten houden, u mag het land niet verlaten en het zou misschien handig zijn als u een gedetailleerd verslag van uw handel en wandel van de afgelopen week voor ons op papier zou zetten.

Ondanks de nare droom had David vrij goed geslapen. Hij was al vroeg wakker. Zijn buikpijn was weg en hij voelde zich bijna weer de oude. Hij probeerde alles op een rij te zetten; gedane zaken nemen geen keer maar vanaf nu zou hij het heft terug in handen nemen. Hoe dan ook, hij zou de obligaties verzilveren en het geld op de rekening storten. Daar kon hij nu niet meer onderuit. Maar daarna was het definitief gedaan. Hij zou het e-mailadres opzeggen, dan eindigde tenminste die communicatie en als iemand hem aansprak wist hij van niets. In geval van nood kon hij de laptop laten verdwijnen en geld had geen identiteit. Eigenlijk was er niets gebeurd.
Hij stond op, zette koffie en las de krant. Els zou nog wel even slapen. Stiekem vond hij het wel leuk zo’n dag ziekteverlof en toch niet echt ziek zijn. Het zal zonder mij ook wel loslopen op de bank, dacht hij. Bert zal het loket doen en niets merken van de transactie. De obligaties lagen in de kluis en zouden met het eerstvolgende transport naar het hoofdkantoor in Brussel verhuizen. Misschien waren het helemaal geen vervalsingen. Zelf had hij niets gemerkt. Waarom zou iemand anders dan iets merken. Ze zouden evengoed echt kunnen zijn en die mijnheer Vanbriel was misschien gewoon een zakenman die tijdelijk in Genk verbleef. Alles zou wel eens een samenloop van omstandigheden kunnen zijn. Hij had het zich misschien allemaal maar verbeeld. Indien hij de obligaties verzilverde via de rekening van mevrouw Lambrechts zou niemand het ooit merken. Mevrouw Lambrechts kreeg iedere maand haar pensioen op haar rekening en ze haalde elke week tweehonderd euro af. Dat deed ze al jaren en dat zou ze ongetwijfeld doen tot ze dood ging. Ze keek haar uittreksels nooit na en als ze ooit iets zou merken dan zou hij het haar uitleggen. Hij zou zeggen dat het een vergissing van de bank was en dat alles nu weer in orde was. Mevrouw Lambrechts zou hem zeker geloven.
Die dag en ook de volgende voelde David zich opgelucht. Hij was vastbesloten. De laptop bleef onaangeroerd in zijn werkkamer en het e-mailadres had hij opgezegd via zijn eigen computer. Nu was hij onbereikbaar. Het adres werd nu als onbestaand beschouwd.
Toen hij vrijdag op het werk verscheen waren de collega’s opgelucht. Vrijdag was sowieso een drukke dag. Hij had waarschijnlijk een darminfectie gehad, zei hij tegen Leo; iets verkeerd gegeten op het feestje bij zijn broer. Maar nu was hij weer de oude. In de namiddag deed hij de verrichting met de obligaties via de rekening van mevrouw Lambrechts alsof het een routinezaak was. In de loop van volgende week zou mevrouw Lambrechts even een rijke weduwe zijn, maar ze zou het niet eens weten. Zodra het geld op haar rekening stond, zou hij het overboeken en tien procent voor zichzelf houden. Het geld zou hij in cash opnemen en bij het andere geld stoppen en dan zou dit vervelende avontuur achter de rug zijn. Het werk op de bank nam hem volledig in beslag maar op weg naar huis bedacht David wat hij met het extra geld zou kunnen doen. Een laptop hoefde hij nu niet meer. Of misschien toch wel. Hij kon nu een nieuwe kopen en de andere laten verdwijnen, zoals hij al van plan was geweest. Hij kon hem ook verkopen natuurlijk. De harde schijf formatteren en verkopen, leek hem wel een goed idee, maar dat was misschien toch een beetje te inhalig. Ik koop een nieuwe en laat deze verdwijnen, besloot hij. Opgeruimd staat netjes. Beter geen sporen nalaten.
‘Ik kan via de bank een laptop kopen aan een sterk verminderde prijs,’ zei hij tegen Els toen ze thuis kwam.
‘Heb je dat wel echt nodig,’ vroeg ze.
Typisch Els. Natuurlijk had hij niet echt een laptop nodig. Maar waarom zou hij ook niet. Zo’n aanbod deed de bank maar één keer en hij kon dan op de trein de boekhouding van de tennisclub bijhouden. Of ze zouden samen een film kunnen bekijken op DVD. En dan hadden ze toch ook elk een computer. Zij kon een spelletje spelen terwijl hij zat te surfen. Maar echt nodig, nee natuurlijk. Maar waarom zou hij zich na al die jaren niet eens iets extra mogen veroorloven? Tenslotte werkte hij ervoor en het was een aanbod van de bank, met renteloze afbetaling. Ze zouden het niet eens merken aan hun budget.
Het weekend verliep een beetje in mineur. Dat gebeurde altijd wanneer ze het oneens waren over financiële zaken. Maar dat zou ook wel slijten. Els moest gewoon wennen aan het idee dat hij via de bank een laptop zou kopen. En dat hoefde ook niet morgen of volgende week. Volgende maand misschien, dan zou ze wel met het idee verzoend zijn.
Toen David op maandagmorgen op het werk kwam zag hij twee heren bij de kantoorchef. Belangrijke klanten wellicht. Hij groette Leo en knikte naar de klanten. Op het moment dat hij zijn computer opstartte ging de binnenlijn. Leo vroeg of hij even tot bij hem wilde komen. David moest snel gaan zitten of hij was door zijn knieën gezakt. Politie, schoot het door zijn hoofd. Natuurlijk … twee heren van de politie. Ik ben er gloeiend bij.
‘Ik kom zo,’ zei hij. Zijn stem trilde. De obligaties … de rekening van mevrouw Lambrechts … bankfraude. Ik ben erbij, dacht hij. Ze hebben alles ontdekt. Samenzwering … bendevorming, daar staat gevangenisstraf op. Ik moet Els bellen. Els ik moet even mee met de politie maar het is een vergissing, zou hij zeggen, maar alles komt in orde, maak je geen zorgen Els, er is iets met valse obligaties, maar het is een vergissing. De kantoorchef wuifde hem binnen.
‘David Mertens,’ stelde Leo hem voor aan de heren. David knikte en stak onzeker zijn hand uit.
‘Peter Jacobs.’
‘Hugo Dujardin.’
De heren glimlachten minzaam. Dat doen ze altijd, dacht hij, politieagenten trachten je altijd op je gemak te stellen. Ze doen alsof je hun vriend bent. Ze praten je naar de mond en dan, wanneer je bijna gerust gesteld was, kwam die ene keiharde vraag, als een donderslag bij helder hemel. Ze nemen je eerst in vertrouwen, stellen wat onbelangrijke vragen, laten doorschemeren dat je een belangrijke bron van informatie bent en nee, je bent niet schuldig, hooguit een belangrijke getuige. Je helpt de politie op het goeie pad en dan plots onaangekondigd; die ene vraag. En dan kon je niet meer terug, want dan had je meestal al te veel gezegd.
‘Mijnheer Jacobs en mijnheer Dujardin zijn van het hoofdkantoor van de bank en willen je even spreken David,’ zei Leo. Zijn stem klonk heel geruststellend. Het hoofdkantoor, ze zijn van de bank, dacht David. Maar natuurlijk zijn ze van de bank. Ze hebben de vreemde transactie van Vanbriel gemerkt en vorige vrijdag die obligaties op de rekening van mevrouw Lambrechts ontdekt. Natuurlijk zijn ze van de bank. En iedere keer heb ik de verrichting gedaan. Natuurlijk verdenken ze mij. Jacobs nam het woord.
‘Mijnheer Mertens, wij hebben uw handel en wandel van de afgelopen periode bekeken en wij hebben voor de bank een evaluatierapport opgesteld.’ Ja natuurlijk, dacht hij, ik kan het maar beter onmiddellijk bekennen, ze weten toch alles. Ik ben er gloeiend bij. Een intern onderzoek. Daar gaat mijn job. Ze willen het intern houden. Niets mag naar buiten lekken. Enkel maar ontslag. Ze zullen me ontslaan en de schade terugeisen. Naar buiten toe zullen ze alles toedekken. Geen schade en geen schande voor de bank. ‘De bank gaat op zeer korte termijn de dienstverlening in dit kantoor afbouwen,’ ging Jacobs verder, ‘wij willen de loketverrichtingen tot het strikte minimum beperken. Klanten zullen enkel nog op afspraak in dit kantoor terecht kunnen. In plaats van zes zullen hier in de toekomst nog vier mensen werken.’ Zo gaan ze het dus spelen. De dienstverlening afbouwen en dan moeten er koppen rollen. En met mijn slechte evaluatie … .
Dujardin nam een document uit zijn tas en zei: ’Mijnheer Mertens u heeft een uitstekende evaluatie en de bank stelt u voor om in dit filiaal kantoorchef te worden.’ David begreep het niet; keek snel naar Leo, maar die knikte goedkeurend.
‘Ik krijg het filiaal in Tongeren, en jij komt hier op mijn stoel David,’ zei hij.
‘Maar ik begrijp het niet,’ stamelde David. Dujardin schoof hem het document toe.
‘U moet niet onmiddellijk beslissen mijnheer Mertens, denkt u er rustig over na. We begrijpen dat we u een beetje overvallen. Tekent u even het evaluatierapport.’ David tekende werktuigelijk het document. Hij las het niet eens. Zouden ze dan toch niets gemerkt hebben?
‘Ik moet hier even over denken, ik wil het graag met mijn vrouw bespreken’ zei David, nog niet helemaal gerust.
‘Natuurlijk mijnheer Mertens, natuurlijk, neemt u rustig de tijd,’ zei Jacobs nu terwijl hij een laptop op tafel legde. ‘Bij de functie hoort uiteraard een salarisverhoging en deze laptop. Neemt u hem rustig mee naar huis en als u beslist dat u de functie aanvaardt, dan kan u mij onmiddellijk een e-mail sturen. De laptop is voor u persoonlijk geconfigureerd. U vindt mijn e-mailadres in de lijst. Alle documenten en uw nieuw contract zitten bij het toestel.’
‘Ik zal uw aanbod zeker overwegen,’ zei David, ‘ik moet het met mijn vrouw bespreken.’
‘Uiteraard, maar hoe sneller u beslist, hoe liever. U mag mij altijd mailen, ook voor bijkomende vragen. Ik ben altijd on line, ook ’s avonds na de werkuren. Doet u maar rustig, maar zodra u een beslissing genomen heeft, hoor ik het graag.’
‘David, zo’n kans kan je niet laten liggen,’ zei Leo, ‘Bert gaat met mij mee naar Tongeren en jij neemt de leiding hier op je. Deze kans moet je grijpen David, jij bent de geschikte man.’
‘Ik moet het toch eerst met Els bespreken,’ zei David, ‘vanavond bespreek ik het met mijn vrouw,’ pas toen durfde hij Dujardin en Jacobs aan te kijken, ‘en ik laat jullie zo snel mogelijk iets weten.’
David stond op en wilde het kantoor verlaten.
‘Uw laptop, mijnheer Mertens, vergeet uw laptop niet,’ Jacobs overhandigde hem het toestel en David ging naar zijn loket.
Het was alsof zijn nieuwe laptop honderd kilo woog toen hij naar het station stapte. Hij had het toestel liever achter zijn jas gestopt, maar daarvoor was het te groot. De mensen zullen nog denken dat ik het gestolen heb, dacht hij. Iedereen ziet dat zo’n laptop niet bij mij past. Ik lijk wel een omhooggevallen bankbediende.
Els zag onmiddellijk dat er wat scheelde toen hij de woonkamer binnenkwam.
‘Je bent weer ziek,’ zei ze bezorgd.
Voor Els kon hij niets verbergen. Zij merkte altijd onmiddellijk als er wat schortte. Na al die jaren had ze daar een goed oog voor.
‘Nee, ik ben niet ziek, ik moet je iets belangrijk vertellen,’ zei hij geheimzinnig.
‘Is er iets met je werk?’
‘Met mijn werk ja, zo zou je het kunnen stellen,’ zei hij terwijl hij haar uitnodigde om naast hem te komen zitten. Hij vertelde Els dat er twee heren van het hoofdkantoor gekomen waren en hem hadden aangeboden om filiaalhouder te worden, dat hij een salarisverhoging zou krijgen en ook over een eigen laptop kon beschikken.
‘Maar dat is toch prachtig David,’ riep Els, ‘dan heb je je laptop, dat wilde je toch altijd al.’
‘Ik heb nog niet beslist dat ik het ga doen, ik weet niet of ik het wel kan.’
‘Maar natuurlijk kan je dat, malle jongen, natuurlijk doe je dat. Hoeveel ga je dan meer verdienen?’
‘Ik weet het niet Els, het staat allemaal in mijn contract en dat zit in de tas van de laptop.’ Hij had de laptop niet moeten meebrengen naar huis. Als hij hem op de bank had gelaten, dan had hij nog kunnen weigeren. Nu was het te laat. Eigenlijk had hij al toegezegd door de laptop mee te nemen.
‘Laat eens kijken,’ zei Els terwijl ze het toestel voor hem op de tafel legde.
‘Maar ik heb nog niet beslist …’
‘Natuurlijk heb je wel beslist, David Mertens.’
‘Ach ja, waarom ook niet, zei David en opende de tas. Op de laptop lagen twee briefomslagen. De eerste was de gebruiksaanwijzing voor de laptop. In de tweede zat zijn nieuw contract. Hij zou vijfhonderd euro per maand meer verdienen.
‘Doen schat, doen,’ zei Els. Ze nam zijn hoofd in haar handen en kuste hem op het voorhoofd, ‘mijn bankdirecteur,’ zei ze fier.
‘OK dan maar,’ zei hij met een glimlach. Er viel een pak van zijn hart nu hij beslist had. Hij opende de laptop en zette het toestel aan. Hij scheurde de enveloppe open en vond in de brief zijn persoonlijke code: X L G W A T E R.

Terug naar start