|
|
  

|
|
Jalabert werd een complete
renner, hij won klassiekers, kleine rittenkoersen, leerde klimmen, kon
ineens tijdrijden en werd ineens de zoveelste Franse hoop in slechte
wielertijden. Na Hinault en Fignon was er nooit meer een Fransman geweest
die serieus mee kon doen om de echte prijs. Om die enige prijs die telt in
Frankrijk. Die ene gele trui op de Champs Elysees. Leblanc, Virenque,
voordien Mottet en Bernard, allemaal waren ze ten onder gegaan aan de
druk, nu had men eindelijk weer een potentiële winnaar.
Maar ook Jalabert kon het niet. Elke keer weer kwam hij naar de Tour met
goede voornemens, elke keer weer zakte hij door het ijs. Elke keer weer
werd hij in de bergen op afstand gezet. Hij won nog een groene trui en hij
won ontelbaar veel etappes in de Vuelta. Hij won zelfs het eindklassement
van de Vuelta, een teken dat je toch echt wel een groot ronderenner bent.
Maar hij liet het nooit zien in die ene wedstrijd waar iedereen naar keek.
En elk jaar werd ik meer fan van hem. Elke slappe dag in de bergen werd
gevolgd door een monsterontsnapping, soms met resultaat, soms ook zonder.
De voormalige sprinter was nummer 1 van de wereldranglijst, Jalabert heeft
mooie koersen gewonnen op een prachtige manier.
Jalabert werd een idool in
Frankrijk. Men vergaf het hem dat hij al jaren in Spanje reed, men vergaf
hem zijn nutteloze ontsnappingen, men vergaf hem zelfs dat hij
stakingsleider werd, vakbondsman binnen het peloton. Bij gebrek aan betere
idolen, werd Jalabert Jaja. En Jaja deed waar hij goed in was. Het winnen
van semi-grote koersen, het verliezen van echt grote koersen.
Weer een ontsnapping tijdens het eerste uur, weer een kopgroep die uit
elkaar viel op de vele heuvels, weer Jaja die alleen over bleef. En of hij
nu erg sterk was of gewoon optimistisch, een goede of een slechte dag had,
leed of op souplesse reed, altijd datzelfde gezicht. Die blik die niets
prijsgaf. Dat gezicht dat er niet bijster intelligent uitzag. Het
prototype van een renner die wielrenner werd, omdat dat het enige was dat
hij kon. Niet iemand die ooit een boek van Sartre opende. Eigenlijk
precies zoals een wielrenner hoort te zijn. Goed in zijn vak, bezeten van
zijn sport, slechts één doel voor ogen: zo veel mogelijk winnen.
En dat deed Jalabert. Hij won
etappes in alle drie de grote rondes, overwon zware blessures om weer mee
te rijden alsof hij even twee weekjes op een Caribisch strand had liggen
luieren. Hij won de Vuelta en een regenboogtrui. Op het moment dat hij
zelf besefte dat hij nooit de Tour zou winnen, deed hij het toch weer
verrassend goed. In 2000 speelde hij lang een rol in de Tour, hij pakt het
geel zelfs even en dat rechtvaardige mijn keuze hem. Nog een jaar later
toen hij overstapte naar CSC-Tiscali miste hij bijna het hele voorseizoen,
maar reed toch weer een geweldige tour. Misschien wel meer dan geweldig.
Hij wint het Combativité klassement, een klassement op zijn lijf
geschreven. Maar hij pakt ook de bolletjestrui. Niet omdat hij de beste
klimmer is, maar omdat hij op de juiste momenten de punten behaalde die de
echte klimmers lieten liggen, terwijl de mindere goden hem daar niet
konden houden. Een overwinning op routine. Jalabert is daarmee één van
de weinigen die zowel de groene trui als de bolletjestrui naar Parijs
wisten te brengen. Een echte kampioen.
In 2002 zijn laatste seizoen
wint hij nog nogmaals de bergprijs in de Tour de France en staat in Parijs
met zijn hele familie op het podium, zijn kinderen eveneens zoals Jaja,
uitgedost in bolletjestrui. Tijdens de eerste rustdag van de Tour kondigt
Jaja op 33-jarige leeftijd zijn afscheid aan. Na de Tour won hij voor de
tweede opeenvolgende keer de Classica San Sebastian en werde hij nog derde
in de GP van Steenbergen. Jalabert is nu vertegenwoordiger bij het Franse
Look en gaf commentaar bij de laatste editie van Parijs-Nice op de Franse
Televisie. één ding is zeker Jalabert is en blijft een levende legende.
|