Wat vormt een spoor?
Een spoor is een samenstelling van verschillende geuren: bodembeschadigingen, kapot getrapte insecten en planten en de persoonlijke menselijke geur. Belangrijk om weten is dat in dit geurencomplex de menselijke geur slechts een kleine factor is.

De persoonlijke geur (huidschilfers, monogulen) van de spoorlegger voegt dus weinig toe aan het totale geurencomplex. Deze persoonlijke geur zal dan ook in verhouding tot de andere geuren tamelijk snel verdwenen zijn. Het is dus kwestie van de hond aan te leren om zich op die menselijke geur te focussen. Goed opgeleide honden zijn dus in staat deze menselijke geur uit het spoor te filteren.

Ligt er minder geur op het spoor, dan speurt de hond intensiever. Ligt er veel geur op het spoor, dan gaan veel honden slordiger speuren. Dat is dus de reden waarom ervaren honden soms meer moeite hebben met een fris spoor van 15 minuten, dan een spoor van pakweg 4 uur oud.

Waarschijnlijk gaat de hond tijdens het speuren zijn ogen en neus combineren. Hij bezit stellig een andere waarnemingsdrempel voor die zintuigen bij hun natuurlijke samenwerking, dan bij afzonderlijke prikkeling. Het is daarom ook zeer onlogisch te veronderstellen dat speurende honden alleen hun neus gebruiken en niet met hun ogen zoeken naar bodembeschadigingen of veranderingen in het terrein. De hond speurt dus ook met zijn ogen.  Hij ziet het spoor in het langere gras. Soms gebruikt de runner al eens vlagjes om aan te duiden waar hij gelopen heeft. Veel honden gaan dat al vlug door hebben en gaan dan op het oog speuren. Enkel aan de vlagjes gaan ze nog geconcentreerd speuren, want ze weten dat daar ergens een afslag is.



Verleidingssporen
Verleidingssporen zijn sporen die het gevolgde spoor kruisen of zelfs gedeeltelijk gelijk lopen. Deze sporen kunnen zijn van joggers, andere lopers, konijnen, katten, fazanten,...

Ouderdom sporen
De hond onderscheidt heel goed het verschil in leeftijd van sporen. Een verschil van enkele minuten neemt hij al waar als een ander spoor. Dus een verleidingsspoor dat het spoor doorkruist met een tijdsverschil van 10 minuten, mag voor een spoorzuivere hond niet het minste probleem opleveren.

Spoorvast & spoorzuiver
Onze honden moeten spoorvast en spoorzuiver zijn.
Je kan je hond spoorvast noemen als hij gedurende lange tijd geconcentreerd een spoor kan blijven volgen. Van zodra je hond zich niet laat afleiden door jonge verleidingssporen kan je hem als spoorzuiver beschouwen.
De uitdaging voor de geleider is zijn hond zo goed leren kennen dat hij ziet of de hond spoorzuiver werkt. Het is immers niet omdat de hond het uitgelopen spoor even verlaat, dat hij niet spoorzuiver zou zijn. Hij kan immers zijn dat hij zijn neus verfrist of dat het spoor verwaaid is.

Frisse neus halen
Het is goed om weten dat een hond de  neiging heeft om op de randen van het spoor of net naast het spoor te gaan speuren. Dit doet hij om verzadiging van zijn neus te
voorkomen.
De hond zal dan ook regelmatig een "frisse neus halen", door zijn kop even omhoog te doen of even naast het spoor te gaan.
Dit mag niet verward worden met het naast het spoor lopen omwille van verwaaiingen.

Formule van Menzel:
Voor de aardigheid de formule van Menzel...
Begin jaren 30 werd een formule samengesteld die de totale geur van een spoor aangeeft. Zelf heb ik zo mijn bedenkingen bij het nut van deze formule, maar zo'n formule schept toch altijd de indruk  professioneel bezig te zijn ;-)

Formule van Menzel:
S= K*(E + P + B+ I)
onder voorwaarde dat K tijdens de uitvoering constant is.

Variabelendefinitie:
S = totale geur van het spoor.
E = aanwezige menselijke geur van de spoorlegger
P = geur van de kapot getrapte planten
B = bodembeschadigingen
I = geur van het impregneermiddel van de schoenen en het zoolleer
K = een aanduiding van weersomstandigheden, luchtvochtigheid, bodemsoort,...



Omstandigheden
De klimatologische en bodemomstandigheden hebben een belangrijke invloed op het bewaren van het spoor en de manier waarop je hond het spoor kan uitwerken.

Die klimatologische omstandigheden waarin de hond werkt, zijn voor de mens niet altijd even duidelijk. Wij lopen met onze neus immers minstens 1m50 hoger dan de hondenneus tijdens het speuren. Dat maakt dat wij geconfronteerd worden met andere temperaturen en zelfs windstromen. 
Zo zal de temperatuur aan de grond in de zomer aanzienlijk warmer zijn en in de winter aanzienlijk kouder.  
Bij warm weer speurt de hond dan ook met een hogere neus. Het is dan aan de grond veel te warm. Als het gesneeuwd heeft, kan je zien dat een hond maar om de paar meter zijn neus in de sneeuw duwt. Hij gaat niet continu snuffelen omdat het te koud is...
Zo kan het zijn dat wij de wind vanuit het Oosten voelen waaien, maar dat er tegen de grond ander windrichtingen zijn omwille van dichte begroeiing.
Tijdens de trainingen moet de begeleider met zo'n factoren rekening houden. Dit bepaalt immers de staat van het spoor en de manier waarop je hond gaat speuren.

Temperatuur
Ogelet: onderstaande temperaturen zijn gemeten aan de grond!

Zeer warme ondergrond
(> 20 graden) doet de spoormoleculen verzwakken en door het opstijgen van de warmte (verdamping) worden ze meegenomen en verspreid.  Je hond zal dan ook meer naast het spoor gaan lopen.
Naarmate de grond voor het opkomen van de warmte vochtiger was, zal het verdampingsproces krachtiger worden en daardoor wordt ook de duur van de spoorwaarneembaarheid verkort.

Koude ondergrond (> -8 graden & < 5 graden) behalve bij wind, worden de spoormoleculen lang bewaard. In deze weersomstandigheden zorgt de koude ervoor dat de hond zijn neusorgaan gaat verkoelen en dus minder gevoelig wordt. Veel honden zullen hun neus minder op de grond zetten.

Bij strenge vorst (< -8 graden) is het vrijwel onmogelijk om te speuren.
Dit mag je niet verwarren met het opsoren van een persoon onder sneeuw. Voor lawinehonden produceert het bedolven warme lichaam langere tijd een constante bron van spoormoleculen die door de sneeuw dringen.

Ondergrond
In het water is het voor de hond heel goed mogelijk om een spoor waar te nemen, mits het stilstaand water is en het spoor nog vers. Stromend water neemt de spoor­moleculen mee.
Diep water bewaart de spoormoleculen wat langer, het waarne­men hiervan is voor de hond helaas praktisch onmogelijk. Door experi­menten is echter aangetoond, dat een in diep water gedeponeerd voorwerp vrij lang en duidelijk waarneembaar de spoormoleculen behoudt. Er zijn honden, die na ruim een uur een metalen voorwerp nog uit 2 meter diep water halen. Een willekeurige steen, in het water gegooid met een minimum aan individuele spoorlucht, weet een “duiker”-hond uit 1 a 2 meter diep water direct naar boven te brengen. Al liggen erop de bodem meer stenen, de hond brengt de juiste toch naar boven.

Op asfaltwegdek kan de hond bij niet al te warme weersomstan­dig­heden het spoor goed vervolgen tot circa 3-4 uur. Regen bevordert en warmte vernietigt alles tamelijk snel, daar het verwarmde asfalt zelf vernietigende en overheersende moleculen produceert.
Op betonwegen en stenen is het voor de hond mogelijk het spoor te volgen, mits het niet al te heet of regenachtig weer met veel stromend water is. Zachte regen kan de levensduur van de spoormo­leculen bevorderen, afhankelijk van het materiaal van de schoe­nen, waarmee het spoor gelegd is

Zand met een normale temperatuur, houdt het spoor vrij lang vast, eveneens afhankelijk van het schoenmateriaal waarmee het spoor gelegd is. Niet al te sterke regen bevordert en grote warmte verkort de duur van het spoor. Los zand niet verwisse­len met een zandweg.

In bebost terrein kan het spoor zich vrij lang goed houden, namelijk ca. 24 uur. Het probleem zal zijn, of de hond getraind is om in bebost terrein te speuren. Voor een beginneling bestaat de moeilijkheid van scherp ruikende stoffen, zoals hars en compost­grond, afgezien nog van de vele dierlijke sporen, die voor een niet doorgetrainde hond de voorkeur genieten boven ieder mense­lijk spoor. Een voordeel bestaat hieruit, dat in een bebost terrein de spoormoleculen niet alleen op de grond, maar ook op de takken en op hoog gras achterblijven, aangebracht door aanraking met handen, kleding en zelfs door de ademhaling van de spoorlegger. De hond zoekt dan ook afwis­selend met de neus in de lucht en op de grond.

Schoeisel
Maximum: afgedragen leren schoenen en oude tennisschoenen laten een maximum aan individuele spoorlucht achter.
Minimum: rubber­laarzen echter laten een minimum aan individueel spoor achter, het is vermengd met rubbergeur, hoe ouder hoe meer en dat is vaak de oorzaak, dat de hond liever het grondbeschadi­gingsspoor gaat volgen, dan het met rubberlaarzen gelegde spoor. Dus vooral tijdens het aanleren liever geen rubberlaar­zen gebruiken
Ideaal: met blote voeten het spoorleggen is inderdaad het meest idea­le, maar in de praktijk niet te realiseren. Dit is ook niet nodig, maar mocht zich in de praktijk zoiets toch voordoen, dan zal de hond dit blote voeten spoor altijd graag en met meer gemak vervol­gen dan ieder ander spoor.