Van de Kleine zeemeermin

Van de Kleine Zeemeermin

Op het eerste gezicht is Andersens sprookje de kleine zeemeermin een verhaal zoals vele. Er is de heldin, er is de knappe prins en er is de boze heks. Maar tegelijk is er iets vreemds aan dit verhaal. Iedereen die het beter kent dan als een vage herinnering uit een verre jeugd, bevestigt met heel veel vraagtekens te blijven zitten. Er deugt niet veel van en de verklaring lijkt dat de verteller er niet in slaagt uit de knopen van zijn eigen verhaal te komen. Dat mag sterke taal zijn maar wanneer we verschillende elementen van naderbij bekijken blijkt telkens weer dat hij de problemen opstapelt. Na een overlopen van het verhaal zelf bekijken we de afloop en de figuren van de heks en de prins als voorbeelden van overduidelijke misgrepen.

 

Het Verhaal

In de wereld van onze prinsessen de zeemeerminnen is hun vijftiende verjaardag een belangrijke gebeurtenis. Op een leeftijd waarop andere prinsessen in de belangstelling kwamen door zich aan een spinnewiel te prikken, hebben de zeemeerminnen de toestemming om naar de oppervlakte van de zee te de wereld te zien. Het verhaal investeert veel moeite in de hoge verwachtingen die dit teweeg brengt, de spannende verhalen die de reeds oud genoeg geworden prinsessen van boven weten mee te brengen en zelfs het feit dat deze wereld dan ook echt wel de moeite waard was om bezocht te worden. Waarom men vijftien jaar oud moet zijn vernemen we niet, maar toch is het feit dat men er niet te vroeg aan moet beginnen belangrijk, want de grootmoeder weigert uitdrukkelijk alle commentaar en verklaart dat de jonge dames maar geduld moeten oefenen. Anderzijds hadden de volwassen meisjes het recht op te stijgen wanneer ze er maar zin in hadden, en kijk, dan deden ze er wat onverschillig over, thuis was het dan ook zo slecht nog niet. Aldus komen we alles bij elkaar wel heel wat te weten. Het bezoeken van de wereld is een bijzonder spannende gebeurtenis; men moet er echter wel vijftien jaar oud voor zijn en tenslotte is het zo dat wanneer men er eenmaal aan gewend is geraakt het nieuwe er zelfs weer af gaat.

Eindelijk is het dan de beurt aan de jongste prinses. Zij maakt een schipbreuk mee en slaagt er in een knappe prins te redden van de verdrinkingsdood. In de daarop volgende periode kan zij deze prins niet meer uit haar hoofd zetten en slaagt er ook werkelijk in hem af en toe te zien. Maar elkaar ontmoeten kunnen ze niet want de mensen blijken een heel ander soort te zijn dan de zeemeerminnen en hun mannelijke soortgenoten.

De zeemeermin, zo deelt het verhaal nu mee, is eigenlijk van de mensen gaan houden en verneemt van haar grootmoeder dat deze mensen anders dan zijzelf een onsterfelijke ziel bezitten. Zeemerminnen mogen dan langer leven en gelukkiger zijn dan de mensen, maar na hun leven verdwijnen ze definitief, terwijl de mensen naar de hemel gaan. De jongste zeemeermin wil voor dit wereldbeeld wel partij kiezen, maar dat gaat zomaar niet. Enkel als een mensenkind van haar zou gaan houden, meer dan van enig ander, zou zij ook een onsterfelijke ziel kunnen krijgen. En dat is onmogelijk:

  • "Want wat hier in de zee mooi is, je staart overdekt met schubben, dat vinden ze boven op aarde afschuwelijk. Daar moet je twee plompe zuilen hebben, die ze benen noemen, om mooi te zijn."
  • Wat te doen? Erg verwonderd zijn wij niet wanneer de uitkomst blijkt te komen van een vreselijke zeeheks. Deze heks verschijnt als verre van de eerste de beste. Haar introductie doet ons zelfs het ergste vrezen. De tekst doet zijn best om ons te overtuigen dat wij hier met een door en door slecht schepsel te maken hebben. Het begint al wanneer de zeemeermin naar haar toe wil gaan:

  • "(...) zo schoot zij als een zwaardvis midden tussen de lelijke poliepen door, die hun armen en vingers naar haar uitstrekten. Zij zag dat zij allen iets vasthielden, als in een ijzeren greep. Mensen, die verdronken en in de diepte gezonken waren, grijnsden als witte geraamten tussen de armen van de poliepen door. Zij omklemden scheepsraderen en kisten en zelfs een tere zeemeermin die zij gevangen en gewurgd hadden.
  • Het gaat om een wereld waarin wij niet op enig medelijden moeten rekenen, zelfs een onschuldig en teer ding als de zeemeermin zelf kon de schrijver niet vermurwen. En de heks zelf is ook al niet echt op het welzijn van de prinses uit:

  • "'Ik weet wel wat je wilt' zei de heks, 'het is dom genoeg van je, maar je zult je zin hebben, want het zal je ongeluk brengen, mijn lieve kind. Je wilt je vissestaart afgeven en daarvoor in de plaats wil je twee lelijke pilaren hebben om er op te lopen. De jonge koningszoon moet jou meer dan zichzelf gaan liefhebben, opdat jij een onsterfelijke ziel krijgt.'"
  • En hierop barst de heks in de nare schaterlach uit waarop heksen nu eenmaal het monopolie hebben, en waarmee zij het publiek vertellen dat zij met heel slechte dingen bezig zijn. Zij zal de prinses helpen met iets dat dom is, want het zal haar ongeluk brengen. Zo krijgt de zeemeermin een drankje dat haar de verhoopte benen moet bezorgen, wat wel van de waarschuwing vergezeld gaat dat als de prins niet op haar verliefd wordt, zij op de ochtend na zijn huwelijk met een ander meisje moet sterven. En tenslotte moet ze in betaling voor dit drankje afstand doen van haar mooie stem.

    De zeemeermin, moet het gezegd, zet door. Stom maar in mensengedaante begeeft ze zich naar de wereld en weet er werkelijk de aandacht van de prins te trekken. Maar het mag allemaal niet baten. Op een dag vindt hij een andere bruid en de zeemeermin is verloren. Ten koste van nieuwe betalingen aan de heks weet haar familie een andere wending aan de gebeurtenissen te geven, onder voorwaarde dat in haar plaats de prins sterft. De zeemeermin die dit vonnis eigenhandig moet voltrekken weigert echter deze oplossing en verdwijnt bij zonsopgang definitief in de zee. Niet alleen tot haar eigen verbazing echter komt ze nu toch nog in andere sferen terecht, en wel bij een soort schepselen die nog geen onsterfelijke ziel hebben maar er door hun goede gedrag alsnog één kunnen verdienen. Het blijkt dat de zeemeermin met haar zelfopofferende gedrag deze tweede kans heeft verdiend, en met deze troost moeten lezers en zeemeermin het doen.

     

    De diepere laag

     

    Het is moeilijk om de genietbaarheid van dit sprookje niet te laten bederven door een gevoel van ontevredenheid bij de afloop ervan. Het lijkt een beetje een ultieme wending die er aan gegeven wordt om een erg jong publiek rustig te houden, terwijl het eigenlijke sprookje echt wel voorbij was. Daarmee komen we bij een vraag terecht die niet gemakkelijk zal op te lossen zijn. Wat denken we eigenlijk van de afloop? De methodologie zal ons in het algemeen vertellen dat wij erg voorzichtig moeten zijn bij interpretaties van dit soort teksten. Noodgedwongen houden we ons dan maar aan de tekst zelf. Maar De kleine Zeemeermin .is nu juist bij uitstek het sprookje dat aantoont dat een dergelijk tekstpositivisme vele vragen onbeantwoord laat. Want hoe loopt het dan af? Worden wij werkelijk verondersteld dit te lezen als een "happy-end"?

    Laten we beginnen met de mening van de tekst zelf op te vragen. In zijn manifeste betekenis gaat het er om zich een onsterfelijke ziel te verwerven. Er was een directe methode die, toegegeven, niet gewerkt heeft, op een manier die pijnlijk overkomt. Daar tegenover staat dat de heldin in een zelden geziene morele rehabilitatie slaagt, die bovendien maakt dat zij, weliswaar met vertraging (maar wat stelt dat voor in vergelijking met de eeuwigheid die ze dan toch verdiend heeft?) haar doel bereikt. Kortom, het verhaal loopt niet ideaal maar toch nog behoorlijk goed af, tenminste als wij naar de mening van het verhaal zelf vragen.

    Als wij echter de mening van de tekst zelf met de mening van het publiek vergelijken, dan mogen we rustig de grootste onenigheid verwachten. Tranen met tuiten is wat wij mogen verwachten, en de ultieme wending op het einde, zelfs indien die niet door de hopeloze gewrongenheid ervan elke geloofwaardigheid op voorhand kwijt was, kan nooit verbergen dat we hier met een bijzonder pijnlijk en zelfs wanhopig verhaal te doen hebben. Hoe kunnen we een meningsverschil van dit kaliber tussen de orthodoxe methode en het unaniem oordeel van de toehoorders verklaren? Schort er iets aan de methode of heeft het voltallig publiek er niets van begrepen?

    Wat is er eigenlijk zo verschrikkelijk treurig aan De kleine Zeemeermin? Dat hoeven wij niet ver te zoeken. De harde waarheid is dat de prinses uiteindelijk haar prins niet krijgt. Dat is iets heel anders dan wat er in de meeste sprookjes gebeurt of minstens wat er van verwacht wordt. De tekst mag dan beweren en herhalen dat alles draait om de onsterfelijke ziel maar iedereen ziet wat de prinses overkomt. Alle verwijzingen naar de onsterfelijke ziel komen als onwaarschijnlijk, gewrongen en overbodig over. De afloop van het sprookje is niet minder dan een literaire ramp. Er bestaan nu eenmaal tragische verhalen, en als we er dan toch mee geconfronteerd worden doen we er goed aan ze niet te vermorsen door er een min of meer gelukkig einde aan te breien. Niemand loopt er in, maar erger is dat ook de tragiek van het verhaal geruineerd wordt. Deze tragiek is onmiskenbaar aanwezig maar de onsterfelijke ziel die als een veel te dikke en stroperige laag op het geheel kleeft bederft alles. Anderzijds hebben we er helemaal geen moeite mee om deze laag weer van het verhaal af te schrapen; op elk punt verraadt zij haar aanwezigheid, nergens heeft zij enige band met de rest van het verhaal. Dat was reeds gebleken voor de eindscène, dat vinden wij ook gemakkelijk op andere momenten terug.

    De onsterfelijke ziel komt voor de eerste maal ter sprake wanneer de prinses er niet in slaagt haar gedachten van de mensen los te maken en steeds indringender vragen gaat stellen aan haar grootmoeder. Maar eigenlijk klopt het dan al niet meer. Laten we de chronologie opnieuw onder ogen nemen en zien of wij zonder de verhoopte zielezaligheid de zaken werkelijk kunnen verbeteren. Het begint er mee dat de prinses de prins van de verdrinkingsdood redt. Het blijkt een erg knappe prins te zijn, en niemand hoeft er zich over te verbazen dat zij van hem onder de indruk is:

  • "De kleine zeemeermin kuste hem op zijn hoge mooie voorhoofd en streek de natte haren uit zijn gezicht. Het was alsof hij op het marmeren beeld uit haar tuintje leek. Zij kuste hem opnieuw en zij hoopte vurig, dat hij nog zou leven."
  • Dat zijn twee kussen, niet slecht voor een eerste ontmoeting. Indien we nu de vraag stelden, wat zou in deze toestand typisch iemand overkomen die op zoek is naar een onsterfelijke ziel, dan hebben wij weinig kans dat we een voorspelling verzinnen die gelijkt op wat verder in het verhaal gebeurt. Maar stellen we ons integendeel de vraag, hoe reageert de heldin die voor het eerst haar sprookjesprins heeft ontmoet en op hem verliefd is geworden, dan zijn we niet verwonderd te lezen dat de prinses die altijd al stil en ernstig was, nu nog stiller en ernstiger werd. We begrijpen het best wanneer we haar dromend in haar tuintje aantreffen, waarvoor ze weliswaar haar belangstelling heeft verloren maar waar ze telkens bij het marmeren beeld gaat zitten dat haar aan de prins doet denken. En we hebben de indruk dat het uit het leven gegrepen is wanneer ze er uiteindelijk haar zusters over aanspreekt en de hele kliek, gesterkt door het gezelschap dat ze aan elkaar hebben, een bezoek brengt aan de woning van de uitverkorene.

    Met andere woorden, de plot die het verhaal ons tracht aan te praten laat ons absoluut niet toe te begrijpen wat er gebeurt, het thema van "ze konden bij elkander niet komen" des te meer. Tot op dit punt van het verhaal is er van onsterfelijke zielen overigens nog geen enkele sprake. Dat thema duikt nu pas op, en van bij het begin gaat het gepaard met rimpels en storingen in het verhaal. Want waar alles normaal en voorspelbaar verliep, vernemen we plotseling dat de prinses meer en meer van de mensen was gaan houden en in hun wereld geinteresseerd raakte. Deze breuk in de ontwikkeling kunnen we wellicht nog toeschrijven aan een wijze van spreken, de wereld stelt natuurlijk de wereld van de prins voor. Maar dat blijkt niet de bedoeling te zijn, het gaat wel degelijk om verschillen in statuut tussen mensen en zeemeerminnen, en de zeemeermin zelf te laten verlangen naar het menselijk statuut. Dat statuut impliceert immers het bezit van een onsterfelijke ziel. Niet, dus, het bezit van de prins - die is zelfs tijdelijk uit de gedachten van de prinses verdwenen - maar de onsterfelijke ziel beheersen plotseling de denkwereld van de zeemeermin en verklaren waarom ze eigenlijk liever een mens had willen zijn. En alsof deze toch wel bijzonder abrupte wisseling van decor nog niet genoeg was blijkt dat het middel om dergelijke onsterfelijke ziel te winnen er in bestaat eerst de liefde van een mens te winnen en daarvoor op zijn beurt is een menselijke gestalte nodig.

    Op een rij gezet krijgen we dus:

    1 De prinses is op zoek naar een onsterfelijke ziel

    2 Daarvoor moet ze de liefde van een echte mens winnen

    3 En daartoe heeft ze de gestalte nodig die ze daarboven "mooi" vinden

    Pas als de zaken op deze manier gesystematiseerd zijn "dacht zij weer aan de wereld boven haar, aan de knappe koningszoon en dat zij nooit een onsterfelijke ziel zou krijgen." De prins die nog maar enkele paragrafen hoger haar gedachten beheerste verschijnt plotseling als een attribuut in een veel groter spel, een herinnering aan een ver verleden, dat toch nog van nut zou kunnen zijn. Kortom, deze analyse beweert dat het verhaal, zoals het door de verteller wordt verteld, de duidelijke sporen draagt van manipulatie door die verteller. De verteller probeert ons zijn eigen mening op te dringen over een onderwerp dat hij kennelijk met heel andere ogen beziet dan wij, de toehoorders.

    Bekijken we verder bewijsmateriaal voor deze bewering, dan vinden we in enkele concrete beelden uit het verhaal niet alleen enkele absurditeiten terug die even groot zijn als de goede afloop, maar meteen ook een reden waarom de verteller zo zijn pedalen is kwijtgeraakt. Het bewijsmateriaal in kwestie bestaat uit figuren uit het verhaal die voortdurend uit de rol vallen die de verteller hen aanmeet. In het bijzonder kunnen we aantonen dat de boze heks nog zo kwaad niet is en dat anderzijds de sprookjesprins nauwelijks als betrouwbaar en beginselvast karakter verschijnt.

     

    De grootmoeder en de heks

     

    Verschillende gevallen zijn bekend waarbij de gebroeders Grimm hun sprookjes een andere vorm gaven dan de oorspronkelijke versie waarin zij ze uit de mond van allerhande vertellers hadden opgetekend. Een regelmatig optredend voorbeeld was een boosaardige moeder die, waarschijnlijk met het oog op het jeugdig publiek waarnaar de gebroeders zich richtten, plaats ruimde voor een vervangende figuur die in enkele opzichten wel aan de biologische moeder deed denken, maar er toch nooit mee verward kon worden. Zo deden stiefmoeders en heksen op grote schaal hun intrede in de sprookjeswereld, niet zelden zelfs in de gedaante van één en dezelfde persoon. Het bekendste voorbeeld zal wel de moeder van Sneeuwwitje zijn, die pas in een tweede versie van biologische in stiefmoeder verandert en vanuit haar nieuwe stelling haar heksestreken op haar dochter kan botvieren. Maar het fenomeen duikt werkelijk erg vaak op. Vrouw Holle, Hansje en Grietje, Assepoester, en vele andere vertonen dezelfde verschuiving. Nemen we Sneeuwwitje terug, dan vernemen we dat de vader van Sneeuwwitje lang geleden weduwnaar is geworden, hertrouwd is - en verder komt hij niet meer in het stuk voor. Hij is een uithangbord, hij komt enkel vertellen dat de heks niet de moeder is en verder kunnen ze met zijn dochter doen wat ze willen. Nauwelijks een dominante vader, dus, geen figuur waarmee we de oorlog tussen de seksen zullen winnen.Een groot verschil met De kleine Zeemeermin kunnen we dat niet noemen. In plaats van de overleden echtgenote is een grootmoeder gekomen, en voor de rest zien we de zeekoning ook niet meer terug. Maar één verschil kan misschien toch onze aandacht trekken. Waarom is in De kleine Zeemeermin de verschuiving van moeder naar grootmoeder eigenlijk nodig? De figuur in kwestie houdt zielsveel van de prinsesjes; zij maakt ze erg mooi wanneer ze voor het eerst naar de wereld opstijgen, zij is hun steun en toeverlaat en op het einde betaalt ze mee een vergeefse prijs voor de bevrijding van de zeemeermin. Dat zijn niet bepaald uitingen van een verdorven karakter die het nodig maken de echte moeder weg te censureren. Zo we dus nog sterker dan in al die Grimm-verhalen kunnen beweren dat we de oorspronkelijke moeder nog in het uiteindelijke beeld terugvinden, dan zouden we ons kunnen afvragen wat die verschuiving te betekenen heeft.

    Normaal dus, treedt als gevolg van de verschuiving in kwestie een boze vrouw op, een heks, een stiefmoeder, een vijandige koningin, allemaal vrouwspersonen die zoals de echte moeder ouder en machtiger zijn dan het kind; die dus - zoals de heks van Hansje en Grietje die zelfs de functie van het te eten geven nog met zich meedraagt - niet echt hun afkomst kunnen verbergen. We zijn dan ook niet verbaasd wanneer we alsnog een dergelijke figuur zien verschijnen; de zeeheks, die haar late opwachting ruim compenseert met haar afschuwelijk karakter. Anderzijds is zij mogelijk maar een gewone verpersoonlijking van het kwaad. Gegeven het feit dat er ook nog wat magische krachten aan te pas kwamen komt een heks wel zo goed uit. En heksen zijn toch al in de mode. Heksen mogen dan al in sommige en zelfs vele gevallen aan de moeder appelleren, zij kunnen ongetwijfeld wel optreden zonder dat deze moeder noodzakelijk in het spel is?

    Vermoedelijk is dat inderdaad geen noodzaak. Maar of de Kleine Zeemeermin nu juist een voorbeeld van deze uitzondering is valt nog te bezien. Wat onze aandacht in de eerste plaats had getrokken was uiteindelijk het opgaan van de moeder in een grootmoeder zonder dat dit ergens voor nodig was. Het zou kunnen dat wij deze beweging moeten aanvaarden als onverklaarbaar en zonder veel belang. Maar het zou ook kunnen dat wij terugdenken aan andere vormen van verschuivingen die aan dit geval doen denken. De moeder van Assepoester, bijvoorbeeld, komt ook van bij het begin in een slechte stiefmoeder terecht. Anders dan de moeder van Sneeuwwitje echter is dat niet de enige beweging die zij maakt. Onder een heel vluchtige vorm komt de biologische moeder haar belaagde dochter nog ter hulp: op haar graf groeit tenslotte de boom die Assepoester aan verschillende benodigde attributen en pompoenen helpt. Blijkbaar kan een sterk oorspronkelijk beeld als een moederfiguur wel in meerdere richtingen tegelijk verschuiven. De slechte component blijft dan prominent in het verhaal aanwezig, terwijl de goede bestanddelen toch niet helemaal weggezuiverd raken.

    Voor de moeder van Sneeuwwitje treffen wij geen soortgelijke analogie aan. Maar daar is het dan weer de vader waarvan iets dergelijks beweerd wordt. Niet alleen zouden wij deze toch verbazingwekkend passieve figuur terugvinden in de jager die medelijden met Sneeuwwitje krijgt en haar daarom het leven laat. Veel subtieler nog zou hij ook vluchtig aanwezig zijn in de toverspiegel die aan de stiefmoeder meedeelt dat eerst deze laatste maar later Sneeuwwitje zelf de schoonste van het land is. Dat mag vergezocht lijken, maar veel absurder dan geloven in een spiegel die niet alleen kan spreken maar bovendien zo gebruiksvriendelijk is zich verbaal uit te kunnen laten over het uiterlijk van de eigenaars is het niet. Waar moeit die spiegel zich mee? Waarom zouden wij enig geloof hechten aan zijn mening? Wanneer wij van, laten we zeggen, een nijlpaard vinden dat het niet buitengewoon elegant is, bekruipt ons het bange vermoeden dat deze mening geheel wederzijds kan zijn. Hebben spiegels meer gezag dan nijlpaarden? Wanneer we daarentegen suggereren dat deze spiegel eigenlijk de mening van de echtgenoot weergeeft, dan begrijpen we meteen waarom zijn mening zo belangrijk is. Sterker nog, we begrijpen waarom de moeder van Sneeuwwitje woedeaanvallen krijgt wanneer de spiegel niet meer zo geboeid is door de moeder maar wel door de dochter. Dit voorbeeld doet ons bedenken dat er met het idee van verschuivingen in meerdere richtingen niet te spotten valt.

    De moeder van de zeemeermin zou dus in een grootmoeder veranderd zijn als onderdeel van een beweging die niet de grootmoeder betrof maar wel de heks. De grootmoeder vertegenwoordigt dan de goede component van het moederschap en de heks de kwade, en aangezien geen van beide werkelijk vervluchtigd is spelen beide componenten, een ongeveer even belangrijke rol. Goed gevonden, misschien, maar is het ook waar? Wij hadden de heks leren kennen als een verpersoonlijking van het kwaad als zodanig. Speelt de heks haar boze rol op enige manier als een verdorven moeder dat zou doen? Speelt de heks eigenlijk wat voor moederrol dan ook?

    Welke rol speelt dus de heks? Haar slechtheid uit zich op vele manieren. Zij woont in een afschuwelijke en gevaarlijke omgeving. Zij helpt de zeemeermin alleen omdat het dom is en haar ongeluk zal brengen. Haar middel is pijnlijk en erg duur. Een redmiddel voor de zeemeermin kost al evenveel en bovendien eist zij dan de dood van de knappe prins. Wat blijft er voor zo iemand over dan de brandstapel? Wie gaat er uit al die attributen nog een moederfiguur bijeen puzzelen?

    Deze tekst beweerde reeds eenmaal het beter te weten dan het verhaal zelf. Het sprookje gaat helemaal niet over het verwerven van een onsterfelijke ziel; het gaat over een jong meisje dat verliefd is op haar sprookjesprins. Hoe verschijnt de heks bezien in dat licht?

    De heks begint er mee te zeggen dat de aspiraties van de prinses dom zijn en tot haar ongeluk zullen leiden. Dat is absoluut niet onmogelijk, want het gaat om een prinses die haar eerste stappen in de wereld zet en dat is een kwetsbare periode. De feiten geven de heks overigens nog gelijk ook. Verder zal de heks toch helpen. Hoe men het ook draait of keert, zonder de heks en haar drankje was de prinses nooit bij haar prins geraakt, en als iedereen het doodjammer vindt dat haar pogingen mislukken kan het verstrekken van het middel om die pogingen mogelijk te maken toch ook zo slecht niet zijn? Stel dat we de tekst lezen als het relaas van het jonge meisje dat tot over haar oren verliefd is maar niet weet hoe het nu verder moet. Dan verschijnt de heks nu als karakter dat enerzijds terechte waarschuwingen laat horen maar anderzijds de heldin ook verder helpt. De tekst doet intussen alles om te suggereren dat hier vreselijke dingen gebeuren, maar de tekst beweerde ook dat alles draaide om een onsterfelijke ziel. Het ziet er naar uit dat de tekst het weer bij het verkeerde eind heeft en niet ziet dat de heks hier van grote moederlijke zorgen blijk geeft.

    Als we deze mogelijkheid enige geloofwaardigheid willen verlenen, dan moeten we twee aparte problemen kunnen oplossen. Ten eerste moeten we meer indicaties hebben van het feit dat het gedrag van de heks veel minder destructief is dan de tekst zelf beweert. Ten tweede, als dat zo zou zijn, moeten we een verklaring kunnen geven waarom dit gedrag dan desondanks als door en door slecht moet afgeschilderd worden. Een moederfiguur die alleen maar haar dochter helpt hoeft niet in een goede en een kwade component uiteeen te vallen. Indien we beweren dat het toch zo is, dan moeten we daar een plausibele reden voor kunnen bedenken.

    Het zou allemaal een stuk ingewikkelder geweest zijn als de tekst zich niet op een cruciaal punt had bloot gegeven, als de heks niet een fatale barst in haar pantser van boosaardigheid had vertoont. Deze barst waar wij houvast voor onze blikopener zullen vinden verschijnt in de veel opgemerkte betaling die de heks van de prinses vereist in ruil voor haar diensten. Herinneren we er aan dat de heks eigenlijk bezig was bij uitstek haar slechte rol te spelen door de prinses te helpen omdat dat haar ongeluk zou brengen. L'art pour l'art, luidt met andere woorden het devies, de heks pleegt kwaad in hoofde van haar heks-zijn. Des te verwonderlijker is dan ook dat slechts weinige regels verder de heks een hoge beloning vraagt voor haar diensten. Pleegt zij immers kwaad omwille van het kwaad, dan heeft zij helemaal geen beloning nodig, integendeel, zij is met haar daden zelf meer dan tevreden, en ze zegt het nog zelf uitdrukkelijk ook. Toch verschijnt de vraag naar een beloning, en dat brengt ons bij het punt dat haar diensten blijkbaar helemaal niet zo kwaad zijn. Blijkbaar hebben we opnieuw te maken van een ingreep van buitenaf, de verteller bemoeit zich weer met zaken die hem eigenlijk niet aangaan. Hij kan niet verhinderen dat een moeder haar dochter helpt, maar hij kan deze waarheid verdoezelen: een moeder zal tenslotte voor haar diensten even weinig beloningen vragen als de heks dat zou doen. Het invoeren van een beloning doet de kracht van de moederfiguur verflauwen en reduceert de problemen tot de veel minder ernstige merkwaardigheid dat de heks een beetje uit de toon valt.

    Met andere woorden, zoals hij bij de slechte afloop van het verhaal een haastige terugtocht verzint, zo smokkelt hij hier een interpretatie binnen van wat de heks uitspookt die helemaal niet de interpretatie van de toehoorder hoeft te zijn. De figuur van de heks heeft zeker welbepaalde daden gesteld die perfect in de loop van het verhaal zijn in te passen, maar indien deze daden in zulk een kwaad daglicht komen te staan, dan is dat alleen omdat deze concrete verteller het verloop van de vertelling met zijn eigen mening verwart. Daarmee zijn we bij de vraag van de vorige alinea. Daar zochten we naar indicaties dat de heks minder kwade daden stelde dan beweerd werd. Met haar betaling heeft ze zich verraden. De diensten die ze verleent strekken niet tot rampspoed maar geven integendeel aanleiding tot wederdiensten. Waaruit bestaan dan concreet deze diensten? Kunnen we ze een interpretatie verlenen die zich niets aantrekt van de afkeurende mening van de verteller?

    We herinneren ons het probleem. De prinses droomt van de prins, daargelaten of dat nu om voor de hand liggende redenen is dan wel met het oog op een onsterfelijke ziel, maar kan hem niet bereiken. Ze heeft immers een vissestaart, terwijl mensen daarin nu eens absoluut niet geinteresseerd zijn. Dat laatste kunnen wij, zelf mensen, ongetwijfeld bevestigen. Waren wij zelf de prins geweest, dan zou de prinses haar kansen aanzienlijk verbeteren wanneer ze niet op een staart maar op twee benen haar opwachting maakte. En dat is nu precies wat de heks kan regelen. De prinses krijgt een drankje dat ze moet opdrinken.

  • "Dan zal je staart in tweeen splijten, en zoiets worden dat de mensen benen noemen. Maar bedenk wel dat het pijn zal doen, zo erg, dat je het gevoel zal hebben dat je door een vlijmscherp zwaard doorboord wordt! "
  • Dat is nu ongetwijfeld een mededeling om stil te blijven bij staan. Merken we eerst op dat het al de tweede waarschuwing is op evenveel regels die de heks aan de jonge prinses verleent. De eerste was dat de omgang met de prins ongeluk in het algemeen zal brengen. De tweede is dat de ingreep die deze omgang vereist nog eens problemen in het bijzonder met zich mee zal brengen, heel concrete problemen zelfs. Het gaat niet om ongeluk in het algemeen, neen, het zal ook pijn doen, en ook dat gaat nog van verdere details gepaard; het zal zijn alsof de staart door een scherp zwaard in tweeen wordt gesneden. Het zal zelfs zijn, zo voegt de heks er maar weinig regels verder aan toe, alsof de prinses van dan af bij elke stap die ze zet, zich "tot bloedens toe verwondt".

    Hebben wij dan werkelijk riskant bochtenwerk, kronkels en listen der interpretatiekunst nodig om te zeggen wat hier aan de hand is, zodanig dat wij de heks als moeder terugvinden? Denken wij even terug aan de trossen knappe prinsen en hordes zoal niet slapende, dan toch dromende prinsessen die in sprookjes met elkaar trouwen. Die ook steevast vele kinderen krijgen. Die niet zelden na belangwekkende kusscènes bij elkaar komen. Zeker, het is al rozegeur en maneschijn. Huwelijken, kussen en kinderen staan nu allemaal in een welbepaald verband, een verband dat nu juist in al die sprookjes niet genoemd wordt. Heel verwonderlijk is dat werkelijk niet, het geslachtsleven is nu eenmaal een dankbaar voorwerp van verboden en taboes en in de tijd van Andersen zal het wel niet anders geweest zijn. Niemand minder dan Freud merkte overigens op dat deze ontbrekende schakel wel degelijk onder enigszins verdoken vorm zijn opwachting maakte in allerlei verhalen waar dat nu eenmaal uitkwam, en wel onder de vorm van die kusscènes of andere symbolen uit het Freudiaanse woordenboek. Zetten wij dus enkele feiten op een rijtje. De prinses wil haar prins, om welke reden dan ook. Hiertoe moet ze hem trouwen, het verhaal zegt het uitdrukkelijk. En daartoe moet ze op zijn beurt doorheen een fase waarbij haar staart als door een scherp zwaard zal in tweeën gesneden worden, waarbij ze zich als tot bloedens toe verwond zal voelen, en waarbij ze, als het zover komt, flauw valt maar bij het ontwaken niemand minder dan de prins ziet die haar met zijn donkere ogen aanstaart. Het zijn nog niet de expliciete scènes die we in nog beschaafdere tijden mogen meemaken, maar het is al heel wat meer dan een zedige kus.

    En welke rol speelt nu de heks in dat alles? Deze analyse beweert dat zij de moederfiguur vertegenwoordigt, althans een aspect ervan dat door het verhaal zelf als negatief wordt ervaren. Welnu, deze rol speelt zij met verve. De vijftienjarige - dat wil zeggen, onervaren, kwetsbare, onwetende, enz. - dochter komt vertellen dat ze hopeloos voor haar prins verloren is, ze kan het althans in de verste verte niet verbergen. En wat doet de moeder? Zij is erg wijs, deze moeder, zij beseft dat zij haar kinderen niet eeuwig als pasgeboren zuigelingen kan beschouwen. Zij geeft dus haar dochter de nodige voorlichting, zij vertelt haar van de feiten des levens, die de dromende prinses weliswaar achtereenvolgens een bevend stemmetje meegeven, haar een lijkbleke kleur bezorgen en haar een diepe zucht ontlokken, maar haar intussen zeker niet terug doen deinzen. En de moeder doet nog veel meer. Zoals moeders dat nu eenmaal dikwijls beter kunnen inschatten waarschuwt ze haar dochter voor de slechte afloop van het verhaal. Zij heeft helemaal geen goed oog in onze droomprins en laat dat ook heel duidelijk weten. Maar ook is zij blijkbaar te verstandig om heel de zaak maar te blokkeren, en dat is een wel heel moderne opvatting over het leven die waarschijnlijk in niet geringe mate bijdroeg om haar in het preutse verhaal in de hekserol te duwen. Een dergelijke morele laksheid, samen met de gedetailleerde inlichtingen over zulk wansmaklijk onderwerp deden voor haar de deur dicht, en de splitsing in de liefhebbende grootmoeder en de gemene heks was een feit.

     

    De trouweloze sprookjesprins

     

    De droomprinsen die ons in Grimms sprookjes tegemoet treden zijn allemaal ideale schoonzonen die voor hun prinses respect, tederheid en liefde voelen, en samen met haar een lang, vruchtbaar en gelukkig leven beginnen. Dezelfde figuren in verhalen zoals door de Grimmgebroeders opgetekend, in hun vroegere versies dus, waren niet zelden avonturiers die in hun feitelijk gedrag bepaald niet aan bovenstaande qualificaties voldoen. Naast de ontknoping en de moederrol is nu ook Andersens sprookjesprins een beeld dat ons toont hoe er een groot verschil bestaat tussen wat de tekst beweert en wat hier eigenlijk gebeurt. Laten we de feiten zoals gezien door de tekst beschouwen.

    Er is geen twijfel dat de prins de hele tijd de rol krijgt toebedeeld van de droomprinsen van Grimm. Hij is knap, hij is vriendelijk, hij is het volwaardig object van de dromen van de prinses. Na het drinken van het drankje en het verkrijgen van de twee benen, alles tegen de beschreven hoge prijs, is de prins werkelijk het ideaal. Hij is verrukt over haar, ze is zijn favoriete partner in uiteenlopende zaken als dansen, paardrijden of bergbeklimmen - neenee, dat heeft allemaal niets met Freudiaanse symboliek te maken, dat staat gewoon zo in de tekst:

  • "Zij beklom met haar meester hoge bergen en ook al bloedden haar kleine voetjes zo erg, dat de anderen het ook merkten en haar beklagen wilden, toch lachte zij er om en volgde hem hoger en hoger, tot de wolken onder hen schuimden als waren zij de zee."
  • Welk een schitterende evocatie van hoge bergen met een schuimende zee, welke ontroerende poezie schuilt er niet in het hoger en hoger klimmen, ondanks de wetenschap dat het leven toch geen wandeling is; waar haalt onze dichter toch zijn inspiratie vandaan? Meer en meer gaat de prins ook van haar houden, en dat is precies wat de prinses wil, ze moet immers, zo herinnert de tekst ons, zijn vrouw worden, wil ze de onsterfelijke ziel verkrijgen.

    Verstoort geen wolkje het pril geluk? Waarom raken ze eigenlijk maar niet getrouwd? Ach, een klein detail maar, niets om ons zorgen over te maken. Eigenlijk had de prins zijn hart al verpand, maar geen zorg. De uitverkorene hoort in het klooster en reeds heeft de prinses haar beeld uit zijn gedachten gebannen:

  • "Zij is de enige die ik in deze wereld kan liefhebben, meer dan mijn vader en moeder, maar jij lijkt op haar en bijna verdring je haar beeld uit mijn hart. Maar zij hoort in dat klooster en zij zal wel nooit de mijne kunnen worden. Daarom heb ik het geluk dat jij mij gezonden werd. Wij zullen nooit meer uit elkaar gaan."
  • En na deze laatste belofte gaat het snel bergaf. Het blijkt immers dat deze afwezige uitverkorene plotseling helemaal niet aan het klooster hoorde, maar doodgewoon met de prins komt trouwen en dat de prinses zo mogelijk nog meer psychologisch dan fysiek aan de grond zit hoeft geen betoog.

    Krijg zoiets thuis als sprookjesprins. De meest tekstgetrouwe lezer kan niet ontsnappen aan een stille indruk dat hij zijn prinses gevangen houdt in een waaier van fraaie beloftes en vriendelijke woorden. In combinatie met de onmiskenbare moederlijke waarschuwingen krijgen deze een sinistere betekenis. Wie gelooft eigenlijk dat hele kloosterverhaal? Hebben wij dat niet al te dikwijls gehoord en meegemaakt? Kan ook maar iemand beweren dat hij heel dat verhaal dat prins en verteller samenzweerderig aan de wereld op de mouw trachten te spelden accepteert? Want dat de prinses belogen en bedrogen is staat als en paal boven water:

  • "'dat meisje hoort in het klooster, heeft hij gezegd, zij komt daar nooit meer uit en zij zullen elkaar niet meer tegenkomen, maar ik ben bij hem, ik zie hem iedere dag. Ik zal hem liefhebben en mijn leven offeren aan hem!'"
  • Zo maken ze ze tegenwoordig niet meer. Maar evengoed helpt het allemaal niets en is alle opofferingsgezindheid van de prinses voor haar droomprins vergeefs. Is het dan niet merkwaardig dat deze avonturier, deze valse charmeur, de hele tijd als de betoverende prins verschijnt, met zijn hoge voorhoofd en zijn donkere ogen, zijn vriendelijke en complimenteuze gedrag? En dat terwijl hij de heldin al die tijd als een goedkope maitresse beschouwt, die bij de eerste gelegenheid de deur uitvliegt? Zelfs zijn eigen figuren, namelijk de "boze heks" en de treurende familie weten beter dan de verteller hoe de vork eigenlijk aan de steel zit.

    Bijgevolg kunnen we besluiten dat onze verteller probeert twee verhalen tegelijk te vertellen, en het daarbij wil laten voorkomen dat het eigenlijk één en hetzelfde verhaal is. De ene lijn is niets meer dan een bijna meelijwekkend magere morele fabel over een prinses die na tot zelfmoord lijdende tegenslagen lukt in een zodanige spirituele grootheid dat zij haar diepste wens, de Onsterfelijke Ziel, in vervulling ziet gaan. En de andere lijn is die van de bedrogen jonge vrouw die zich veel moeite heeft getroost en veel offers heeft gebracht om haar uitverkorene voor zich te winnen, terwijl deze laatste alle offers schaamteloos incasseert en er dan met een ander vandoor gaat. En hoe hard de verteller aan zijn verzameling ingredienten schudt en duwt en trekt in de hoop dat allemaal in een min of meer samenhangend geheel te wringen, het resultaat is een zodanige miskleun dat elke filoloog die uitgaat van het principe dat de tekst en niets anders dan de tekst onze leidraad moet zijn bij de interpretatie van zijn betekenis, niets anders rest dan zijn koffers te pakken en zich verder te wijden aan bijbelexegese en Griekse mythologie.