Streekinformatie
Parochie Westrode Westrode Oude kaarten + links Pentekeningen Streekfoto's Gemeente in beeld

Thuishaven
Bart zijn stek
Willy's kunsten
Familiegeschiedenis
Willy@politiek
Streekinformatie
KWB Westrode

De Geschiedenis van Wolvertem

Samengevat uit :

"Geschiedenis van Wolvertem" van 1987 door J. Lefèvre, L. Verhasselt en J. 't Kint

"Het Parochiewezen in Brabant" van 1964 door J. Verbesselt

DE OUDSTE GESCHIEDENIS

De prehistorie.

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid te Wolvertem dateren uit het tijdperk uit het Neolithicum (2000 - 1600 vC). In 1874 werd in een vochtige weide een mooi bijl in geslepen vuursteen van Spiennes (bij Mons) gevonden, samen met drie vuursteensplinters, en door Edward Hayez geschonken aan het Museum voor Kunst en Geschiedenis. De plaatsen die voor de oudste nederzettingen in aanmerking komen moeten we zoeken in hoger gelegen stroken en in de nabijheid van bronnen. De strook bij de Baggemolen in het dal van de Molenbeek is, omwille van haar hoogteligging en van de aanwezigheid van waterrijke bronnen een mogelijkheid om de vroegst bewoonde kern van Wolvertem te zijn. De bewoners leefden van wilde vruchten en van de jacht in de uitgestrekte bossen. Zij beoefenden het weven en de pottenbakkerij. Wolvertem en omgeving was toen nog volledig bebost. We hebben geen weet van vondsten uit het IJzer- of Bronstijdperk

De Kelten

Dank zij de geschriften van Julius Caesar weten we dat België verdeeld was onder meerdere Volksstammen. De NERVIERS, een indo-germaanse volksstam, bevolkten vanaf 400 v.C. onze streek, tussen Dender en Zenne. Ze deden aan landbouw en kleinveetelt. Toen Caesar hier in 57 v.C. aankwam waren de Nerviers al sinds enkele generaties ter plaatse. Caesar maakt in zijn memoires gewag van een Nervisch leger van 60.000 manschappen. Het wijst op een dichtbevolkte streek. West-Brabant was die tijd zeker geen overwegend beboste streek meer. We mogen stellen dat het noordelijk gedeelte van Wolvertem reeds vóór de komst van de Romeinen bebouwd akkerland was, of weiland op nattere plaatsen. Het feit dat de namen van onze waterlopen Keltisch is, bevestigt de algemene verspreiding van de Nerviërs over West-Brabant. De Romeinse heerschappij die bijna 4 eeuwen duurde liet haar sporen na op economische en cultureel vlak. Tal van koop- en vaklieden kwamen naar hier afgezakt. Kolonisten werden aangetrokken door onze vruchtbare grond. Ze bouwden hofsteden. Volgens Dr. Hasse liep er een Heirbaan van Asse naar Breda over Wolvertem, Londerzeel, Breendonk, Heindonk, Rumst, Duffel, Kontich, Hove, Wommelgem, Brecht. Het is langs deze weg dat de kolonisatie zich alhier voltrok. Van een Romeinse nederzetting te Wolvertem zijn er tot nu toe gen sporen gevonden, maar op veel plaatsen in de omtrek wel, o.a. te Merchtem. De toponiem KOUTER, die veelvuldig voortkomt in de streek , is afkomstig van het Latijnse cultura, en kreeg later een meer algemene betekenis.

De Franken en Karolingische tijd.

Het einde van de Romeinse overheersing alhier moet samenvallen met de afstand van een groot gebied aan de Franken, door Keizer Julianus toegestaan in 358. Volgens J. Lindemans heeft omstreeks 370 een massale volksverhuizing plaats gehad. Oprukkend langs de Heirbaan Mechelen-Asse, vonden ze onze streken geschikt akker- en weiland. Waarschijnlijk heeft het rijkste deel van de Gallo-Romeinse bevolking de streek ontruimd, met de wegtrekkende Romeinse legioenen. De achterblijvende bevolking werd in dienst genomen door de Franken en vermengden zich met lijfeigenen. De taal van de veroveraars was een West-Frankisch dialect. De nieuwe bevolking nam de bestaande plaatsnamen over en vestigden zich in de bestaande woonkernen. De vrije stamhoofden, die recht hadden op grondbezit, verdeelden het beschikbare land onderling. Aan hun hofsteden gaven ze de naam van "heim of heem". Aldus ontstonden tal van nieuwe plaatsnamen waarmee de naam van de eigenaar verbonden was met "heem". Men kan die namen gemakkelijk terugvinden omdat ze tot op heden bewaard zijn gebleven, met als uitgang -gem of -em. In de oude schrijfwijze vinden we "h" van "heem" nog terug: bv. Wolverthem. In onze gemeente vinden we er meerdere aan: Wolvertem, Meuzegem, Rossem, Nerom (of Neederheim). Deze namen dateren zeker uit landnametijd, en bevestigen nogmaals dat onze streek dicht bevolkt was in zeer verre tijden. Een gedeelte van de grote Frankische hofsteden is het middelpunt geworden van bevolkte agglomeraties, waar later onze kerken oprijzen, de dorpen zich vormden, en zodat hun naam een dorps- of gehuchtsnaam is geworden.

Dank zij de toponomie kunnen we namen opdiepen van de oudst gekende inwoners van Wolvertem waarvan het aandenken bewaard bleef in Wolvertem en Meuzegem. Namelijk de familie Wolfhart en de familie Muso. Verbonden met het suffix "-hem" wordt dat respectievelijk Wolfhart-hem en Muso-inga-hem, wat dan op zijn beurt evolueerde tot de huidige schrijfwijze. Wolfhart, een persoon van Germaanse oorsprong, of door verovering of op een andere manier, eigenaar geworden is van ons grondgebied. Hij heeft er zijn verblijfplaats gevestigd en er zijn naam aan gegeven, die het dorp later behouden heeft.

De Franken, net als hun voorgangers, kenden twee vormen van samenwonen.

Het dorpssysteem of wonen in groep, waarvan Wolvertem-centrum een voorbeeld is. Men heeft een kern van evenwaardige boerderijen die langs een plein of straat liggen, en waaraan een gemeenschappelijke kouter is verbonden.
Het hofsysteem, of het afgezonderd leven in hofsteden, waarvan Imde en Meuzegem voorbeelden van zijn. Zij ontstonden uit grote vrije Frankische landbouwuitbating, waarond zich geleidelijk kleinere eenheden ontwikkelden, maar ondergeschikt en afhankelijk van de grote boer.

Deze periode was ook gekenmerkt door een eerste grote bosontginning. Door het ontbreken van voldoende mest was de grond spoedig moe, en moest maagdelijke grond beschikbaar worden gesteld. De ontbossing was dus veeleer het gevolg van de landhonger, dan het aanboren van brandstof of bouwmaterialen.

Politiek en sociaal leven

In de Frankische tijd was het centraal gezag zo goed als onbestaande. Geen centraal gezag, geen politie of ordehandhaving. Het recht van de sterkste gelde. Het was een onstabiele tijd, waarbij de Karolingers in de 8ste eeuw de orde hebben kunnen herstellen. Maar niet voor lang. Onder het bewind van Lodewijk de Vrome (830) braken opnieuw broedertwisten uit onder de zonen van de Keizer. Heel het Rijk werd beroerd. Twist en verdeeldheid maakten het de Noormannen gemakkelijk om ons en het Westen af te schuimen. Er was voor de kleine vrije boer maar één middel om zich te beveiligen: zich onder de bescherming van een grotere "heer" te plaatsen. Dat de heer zijn bescherming slechts verleende tegen een tegenprestatie laat zich raden. Hoe langer hoe meer vervielen de vrije lieden tot horigheid met verplichtingen die steeds minder en minder gingen verschillen van die van de slaven. De vrucht van zijn arbeid was in de eerste plaats bestemd voor het gezin van de heer; zelf moest hij van de kruimels leven. Het hele sociale klimaat werkte het verval van de vrije boeren en de toename van het grootgrondbezit in de hand, te Wolvertem zowel als anders. In 1095 ontmoeten we voor de eerste een heer te Wolvertem, een zekere ONULFUS.

De oudste schriftelijke bronnen

Onulfus van Wolvertem

De naam Wolvertem vinden we voor het eerst vermeld in de stichtingsoorkonde van de abdij van Affligem uit 1086 onder de vorm "Vulvrethem". Een getuige tekent met Onulfus van Wolvertem.

Wie is deze edelman Onulfus? Hij zou van Deens afkomst zijn. Vele Deense koningen, Vikingen genaamd , vestigden zich in onze streken en bekeerden zich tot het Kristendom. Volgens Jan Van Bellingen zouden de "van Aa's" waartoe Onulfus behoort, in rechte lijn uit het Deense huis op Wijnen (Vlaanderen) stammen. Onulfus vader heete Folcarius of Volkaard I van Aa, baron van Anderlecht. De naam Onulfus zou een vervorming zijn van Wonedulf, dat op zijn beurt een samentrekking schijnt te zijn van "Wijnen" en "Adulf".

In 1095 bestond zijn gezin uit zijn moeder Anna, zijn vrouw Renewidis en twee zonen. In de oorkonde van 1112 word melding gemaakt van 7 zonen en een dochter. Zijn oudste zoon Waltherus treed in het huwelijk met de dochter van de Heer van Sotteghem, die hem de heerlijkheid van van deze naam als bruidschat schonk. Sindsdien noemt deze - niet te Wolvertem residerende - tak van de familie zich "de Sotteghem".

Wanneer kwam de Onulfus zich hier vestigen? Zeker is dat hij in 1086 reeds te Wolvertem was, daar hij bij de stichting van de abdij van Affligem opgetekend staat als getuige Onulfus de Wolvertem. Waar stond hun burcht of "borght", bestaande uit een versterkte "mansio" uit steen, omringd door wallen en een ophaalbrug. Nu nog kam men sporen van zulke "borght" weervinden ten N.O. van Meuzegem-dorp, langsheen de Meuzegembeek of Valbeek. Gebouwen zijn er niet meer te bespeuren; men kan toch nog de twee mooten of terpen bespeuren , die omringd waren van een wal in de vorm van het cijfer 8. De grachten werden in de 19de eeuw gedempt met de grond van de motten. Of het hier gaat over oude burcht is niet absoluut zeker. Deze opinie steunt nochtans op het advies van deskundigen die de plaats hebben bezocht. Werd deze burcht bewoond door de herenfamilie van de "de Wolvertem's" of was ze een kleine vestiging van de kleine landadel van Meuzegem. Dr. J. Verbesselt ziet deze bucht eerder als een eerste woonplaats van de Heren van Wolvertem, die later een nieuw verblijf bouwden, meer te N.O. waar zich nu het kasteel van Impde bevindt.

Onulphus de Vulverthem was in de 11de eeuw een van de voornaamste personages van de streek en mag het in die tijd op ongeveer gelijke voet gesteld worden met de heren van Grimbergen, door zijn talrijke verwantschappen, zowel in Brabant als In Vlaanderen. Onulfus en zijn kinderen behoren tot de adel, zij droegen de naam van hun dorp, en worden "homo liber" (vrij man) of "nobolis viri" (edelmannen) genoemd. Onulfus bezit een heerlijkheid. Hij treed op als "dominus" , heer , van hun dorp. Hij bezit er grote leengoederen en heeft er zijn vazallen. Hij is de meester van de molens en de ovens, hij bezit de villakerk en de tienden.

Onulfus van Wolvertem en zijn familie hadden een grote rol in de verspreiding van het kristendom in onze streek.

Hij was een van de voornaamste stichters van de abdij van Dielegem te Jette. Enkele eremieten bouwden een "cella", een kluis, nabij de hoeve te Jette. Zij volgden de regels van Sint Augustinus. Voor hun levelnsonderhoud schonk Onulfus van Wolvertem hun twaalf dagwanden van zijn eigendom aldaar, alsook de tienden van Melsbroek en de helft van de tienden die hij te Wolvertem bezat. De kluis groeide uit tot een klooster. Galcherus, bisschop van Kamerijk kwam het nieuw ingerichte klooster inwijden.
Omstreeks 1140 werd te Nieuwenrode een klooster van Norbertinessen opgericht. Gerardus van Wolvertem schonk , opvolger van Onulfus, drie mansi (= 36 bunder).
Ook het vrouwenklooster te Groot-Bijgaarden genoot van de vrijgevigheid van de "de Sotteghem's". Zij verkopen 17 bunder leengrond aan het klooster, en schenken hun overige aldaar gelegen eigendommen.

Ten tijde van de erfenis van Onulfus ging het gebied Wolvertem-centrum naar de oudste zoon Waltherus de Sotthegem, die zelf buiten Wolvertem verbleef, maar zich soms noch Heer van Wolvertem en Sotteghem noemde. De andere afstammelingen van Onulfus die de borght van Wolvertem-centrum erfden, verenigden deze met de goederen van Impde om hiermee de nieuwe heerlijkheid van Impde te vormen.

Ontplooiing van Wolvertem

Wolvertem centrum

Wolvertem is gelegen op het kruispunt van twee oude wegen.

De eerste bestaat uit twee takken, waarvan de eerste tak de grote middeleeuwse baan is van Luik - Vilvoorde - Merchtem - Dendermonde - Gent en de tweede tak de baan van Brussel - Meise - Wolvertem - Impde, en zo Klein-Brabant bereikt. Beiden lopen samen aan de voet van de Hasseltberg, ongeveer aan het huidige rondpunt, waar eeuwenlang de St.-Laureislinde de splitsing aanduidde.
De tweede oude weg is deze van uit Asse over Bollebeek, de St. Annakapel te Brussegem, Wolvertem-dorp bereikt en verder via Londerzeel naar Klein-Brabant gaat.

De eerste weg is in de Middeleeuwen veruit de belangrijkste geweest. De ligging van de kerk boven op de berg en juist voor de overgang van de dorpsbeek, bewijst dit.

Wolvertem-centrum is een merkwaardig voorbeeld van Brabantse dorpsstructuur uit de Frankische tijd (4e of 5e eeuw). De dorpskom wordt gevormd door een tamelijke stijle berg met aan de voet de traditionele dorpsbeek of latere Molenbeek, waarlangs de weiden liggen. Langsheen de beek lagen ook in de ontstaansperiode de huizen en hofsteden. De bewoners bewerkten de velden (kouters) die rond de dorpskern waren gelegen.

De Molenbergkouter in noord-oosten, het Coxhooft of Lindekouter in het oosten, De Opperste kouter of Ophem kouter in het zuiden. De grote Meulenkouter in het westen, en is verondersteld van latere datum te zijn. De naam Heydestraete is hiervan een aanduiding. Rondom het dorpscentrum waren er ook kouters onderverdeeld in drie blokken: de O.-L-Vrouwtiende, de Vlieten eb het Meuseghemvelt, het tweede deel is de dorpskouter zelf; het derde deel is de Bogaerdencauter, dit is het deel waar de boomgaarden zich bevonden en vlakbij het centrum van ouds gelegen. Ten oosten was er een vierde complex, ook onderverdeeld in drie blokken, het Winckelvelt, de Schrieckcaute en de Bisten en bossen. Dit laatste complex is het laatst ontgonnen gedeelte van het eigenlijke Wolvertem.

Naast de kultuurgronden hebben we de gemeenschappelijke beemden en weiden, gelegen langsheen de Molenbeek en haar vertakkingen. De gemeenschappelijke bossen waren gelegen in het noorden in de latere Schriekkouter, het Winckelvelt en de Bisten.

De eigenlijke dorpskern was verdeeld in kleine percelen, juist groot genoeg voor een stede en erf. Zowel voor de kleine als grote hofsteden lagen de akkers verspreid over de omliggende kouters. Het is deze gemeenschap met een hoofd, die aanleiding geeft tot de bouw van een eerste kerk.

Het onstaan van de parochie Wolvertem

De huidige kerk,die dateert van einde 9e à 10e eeuw, is gelegen op de helling in de bocht van de baan, en vertoont alle kenmerken van een borchtkerk. Een kerktoren die als versterking diende in de nabijheid van de brug over de Molenbeek aan de belangrijke verkeersader van Vlaanderen naar Leuven, over Merchtem - Grimbergen - Vilvoorde ( de Merchtemse steenweg). De huidige kerk vormde een versterking op die baan, gelet op haar ligging boven op de voornaamste helling tussen Aalst en Vilvoorde, achter de overgang van de Molenbeek. De hoofdbedoeling was een verdediging in de richting Aalst - Dendermonde, en dit verwijst naar de mogelijke invallen van o.a. de Noormannen uit de richting van Vlaanderen.. We herkennen nog altijd de vorm van de versterking in het wegennet rondom de kerk. In het zuidwesten hebben we twee parallel lopende wegeltjes, als restanten van twee verdedigingswallen. Van west naar noord vormt de Molenbeek met zijn diepe geul een natuurlijke bescherming. De borchtkerk heeft, met zijn ligging op de top van de helling, rechtover de doorgang of overgang van de Molenbeek, controle over deze overgang. Op het laagste punt trekt de baan over de beek en klimt in een wijde kronkel rondom de heuvel (de huidige smisstraat). Dit vormt de noord-oostelijke wal. De oost-zuidzijde lag het meest open, daar de verdediging naar de tegenovergestelde zijde was georiënteerd. Hier ontstond dan ook het dorpsplein, met de afspanningen in latere tijden.

Een oudere markakerk ?

De ligging van de huidige kerk past niet in oude Frankische dorpstructuur. Het koor staat aan de straatzijde, waarbij we eerder de toren met de ingang aan de straatzijde mogen verwachten. Hoogstwaarschijnlijk was er een oudere markakerk, waarvan er geen sporen rest, en die zou gelegen zijn aan de voet van de helling, langs de Molenbeek, en langs de oude weg Vlaanderen - Merchtem - Vilvoorde - Leuven. De dubbele patroonsheilige staaft deze hypothese. St.-Gorik - een plaatselijke missiebisschop - herinnert aan de oudste kerk en is de oorspronkelijke patroon, en werd de andere patroon - St-Laureis - er aan toegevoegd bij de herbouw van de huidige kerk in een latere periode. En is de zonderlinge plaats van de pastorij (nu het bejaardetehuis) beneden aan de berg, langs de Molenbeek , en nu zo ver van de huidige kerk gelegen ook geen litteken van de plaats van de oudste kerk? Ook de geringe oppervlakte die de huidige kerk en kerkhof bezetten, wijst op een inplanting in een oude bestaande infrastructuur. Een typische markakerk en markagemeenschap te Wolvertem, veronderstelt een tijdsituering in de missieperiode van onze gewesten, een kristen gemeenschap met bidplaats.

Het grondbezit te Wolvertem 

Betreffende het grondbezit te Wolvertem, stellen we vast dat tot het einde van de 11de eeuw, met uitzondering van Meuzegem, bijna alles in het bezit was van de heren van Wolvertem. Vanaf 1096 begint de verkaveling. De abdij Dieleghem is de eerste kloostergemeenschap die er belangrijke bezittingen verwerft vanwege haar stichter, heer Onulfus. Ze vestigen zich vooral in het zuidelijke en vruchtbaarste gedeelte. Vast staat dat ze haar domein vooral in de 12 en 13e eeuw alhier verwerft.

Wanneer de abdij Grimbergen te Wolvertem haar intrede doet, begint ze eveneens met aanwinst van gronden in het vruchtbare deel, maar vrij spoedig blijkt deze ruimte uitgeput en verzet ze de baken naar het noorden van Wolvertem, waar ze vooral de bossen verwerft door giften en aankopen. Dit duurt to het midden van de 13de eeuw. Het bezit van de abdij was vooral gelegen onder Nerom, Westrode en in de omgeving van het vrouwenklooster te Nieuwenrode en het bedroeg 200 bunder bos.

Ook de abdij van Groot-Bijgaarden had te Wolvertem een belangrijk domein van meer dan 60 bunder land en weiden. Dit was vooral te Impde gelegen.

Wolvertem was in twee welbepaalde delen ingedeeld.

Het dorp zelf, met Meuzegem en een deel van Imde zijn sinds lang vruchtbare landbouwgronden.
Al het overige is nog heide en bos, op enkele uitzonderingen na. Men spreekt in de 12e eeuw en de eerste helft van de 13e eeuw nog voortdurend van het "nemus de Wolvertehem", ook "Forest" genoemd, dat op zijn beurt is onderverdeeld in verscheidene "silvae".

Alleen "Neuenroth", Nieuwenrode of Novum Sartum, gedeeltelijk op Meise en Wolvertem gelegen, vormt hier sinds het einde van de 11e eeuw een nieuw ontgonnen gebied dat de abdij van Grimbergen tussen 1140 en 1225 uitbouwt tot een groot hof. Dit is ook de grote periode van het rooien van het "nemus". Overal verrijzen , dank zij de nieuwe kloosters - Grimbergen, Dielegem, Groot-Bijgaarden, Vrouwenpark - en met de medewerking van de plaatslijke bevolking, nieuwe winningen en hoven.

Hierdoor verandert het noordelijk deel van Wolvertem in deze periode, geheel van aanschijn.

"De economische evolutie van die tijd dwingt de kleine landadel afstand te doen van hun oude familiale erfgoederen, ten voordele van de nieuwe abdijen uit de streek. Het was de enige uitweg om aan geld te komen, maar ook het laatste van het oude regiem. Ook de heren van Wolvertem, de van Sottegem's ontsnappen niet aan die tijdsdrang, zoniet zouden zij zich niet van zovele honderden bunders, weliswaar bos voor het grootste gedeelte, en niet renderend voor hen, maar wel voor de nieuwe kloostergemeenschappen, die ze onmiddellijk gedeeltelijk rooiden om plaats te maken voor nieuwe grangiae et curtes. Aldus vernieuwden deze kloosters - hier Dielegem en Grimbergen - in korte tijd het ganse landschapsbeeld en voerden meteen nieuwe rechterlijke en economische toestanden in. Waardoor nieuwe en ruimere horizonten opengesteld : aangroei van de bevolking, herbouw van de kerken en curen ingevolge de grotere tiendenopbrengsten. Dit is de weerspiegeling van de grote ommekeer en vernieuwing in de 13e eeuw. Wolvertem is hier een typisch voorbeeld van. Eerst geconcentreerd tot dan in het zuidelijk deel van het dorp, gaat men van nu af richting in het noorden; de oude nemus de Wolvertehm wordt in deze periode verkaveld. Er blijven nog wel tot in de 18e eeuw resten van, maar het eens aangesloten woud bestaat niet meer na de 13e eeuw.

Aldus krijgt Wolvertem na de 13e eeuw een gans nieuw uitzicht. Dit is het werk van de abdijen Grimbergen en Dielegem geweest. De oude landadel heeft hier niet aktief aan meegeholpen, ze hadden er niet de middelen toe. De abdij van Grimbergen en Dielegem hadden hoofdzakelijk grondbezit in het noorden van Wolvertem, met als centrum het klooster van Nieuwenrode.

Hoe groot was het aandeel van deze abdijen?

Vanaf 1154 tot 1225 schenk de heren van Wolvertem 147 bunder bos. De abdij bezat ook het ganse bos van Lodewijk van Leefdaal, waarschijnlijk het nu nog gekende Leefdaalbos ten noorden van de wijk Boskant. Voeg daarbij "silvam suam in Imethe" door Gerard van Wolvertem geschonken, dan bereiken we niet minder dan 200 bunder bos of één vijfde van gans Wolvertem, die de abdij van Grimbergen bezat.

Van hieruit is de abdij Grimbergen de ontginning begonnen en heeft ze deze vooral voortgezet tot in de 14e eeuw. Op het grondgebied Wolvertem ligt zij aldus aan de basis van verscheidene grote hoven, die de kern zijn geweest van nieuwe wijken. Aldus heeft de heeft de abdij niet grotendeels bijgedragen tot de ontwikkeling van Wolvertem en wellicht meer dan de abdij van Dielegem, die vooral gevestigd was van ouds en vóór de abdij van Grimbergen in het vruchtbaarste zuidelijk gedeelte, maar zij heeft ook de ruimte gecreëerd om Rossem uit te bouwen en zeker ook deze van Imde uit te breiden. Het huidige gebied met Nerom, Boskant Westrode en de uitgestrekte bossen van Wolvertem, het Leeffdaalbos, de Grote bos, enz, voortijds "Nemus de Wolvertem" genoemd, en toenmalig praktisch onbewoond, groeide sinds de 13de eeuw uit tot een nieuwe wijken, dank zij de oprichting van nieuwe hoven, die op het einde van de 19e eeuw samen de nieuwe parochie, Westrode, zullen vormen.

Deze toestand evolueert in latere eeuwen nog wel enigszins door nieuwe winningen, doch het dateert van 1686 dat er een tweede rooiingsperiode zal aanvangen.