
Klinisch psychologisch kan men zeggen dat DIS-patiënten integratie missen in hun psychisch functioneren. Dat valt het sterkst op in hun identiteitsbeleving en in het functioneren van het geheugen.
1.Identiteitsbeleving: De DIS-patiënten ervaren zichzelf niet als één geheel. Ze ervaren zich als opgesplitst in verschillende delen, die in zekere mate los van elkaar functioneren, alsof het gaat over verschillende personen die in hen leven. In feite gaat het om deelpersoonlijkheden of alters3, die vaak een eigen naam, eigen gewoontes, eigen kleding, een eigen geschrift, enzovoort hebben.
2. Geheugen: Ook het geheugen is tot op zekere hoogte opgesplitst. De ene alter weet vaak niet, wat de andere alter wel weet. Daarbij kan het zowel gaan over vroege herinneringen (over de kindertijd) als over heel recente herinneringen (vb. niet weten wat men in de loop van de dag gedaan heeft).4
Niet-gelovers twijfelen aan het bestaan van mensen die verschillende persoonlijkheden hebben, elk met een eigen stem en geschrift, een eigen geschiedenis en eigen angsten en eigen kleren en eigen herinneringen. Is dat wel mogelijk? Soms lijkt het wel een groot kabouterdorp of een verzameling homunculi met eigen streken en eigenaardigheden (de Haan, 1993). DIS wordt door niet-gelovers gezien als een iatrogene stoornis (Crombag & Merckelbach, 1997), een artefact dat ontstaat in de therapeutische relatie, waarin een onzekere, goedgelovige therapeut en een verwarde, hysterische cliënt samen een denkbeeldige ziekte in het leven roepen. Volgens sceptici zouden de traumatische herinneringen die tijdens een psychotherapie naar boven komen (de zogenaamde recovered memories) weinig realiteitsgehalte hebben en onbetrouwbaar zijn (o.a. Loftus, 1993; Merckelbach & Wessel, 1994). Recovered memories zouden het resultaat zijn van het gebruik van hypnotische procedures waardoor de onuitgesproken verwachtingen van de therapeut waarheid worden (o.a. Merckelbach & Wessel, 1994). Niet-gelovers betwijfelen dat ernstige jeugdtrauma's aanleiding geven tot amnesie. Ook de concepten 'verdringing' en 'dissociatie' worden door hen verworpen (o.a. Merckelbach & Wessel, 1994). Dit wordt dan weer sterk aangevochten door gelovers die stellen dat er grote verschillen zijn tussen traumatische herinneringen en het normale autobiografische geheugen (Spinhoven, Nijenhuis & van Dijck, 1998). Ze benadrukken dat er bij mensen die schokkende gebeurtenissen meemaken vaak dissociatieve amnesie voor traumatische ervaringen optreedt (van der Hart & Nijenhuis, 1996). Als we deze controverse over recovered memories van op enige afstand aanschouwen, lijkt het er sterk op dat de controverse minstens ten dele te maken heeft met de kloof tussen het fundamenteel laboratoriumonderzoek en de klinische psychotherapeutische praktijk (Bowers & Farvolden, 1996). De sceptici zijn vaak wetenschappers die gecontroleerd laboratoriumonderzoek zien als enige bron van kennis over het functioneren van het geheugen. Gelovers zijn dan weer vaak psychotherapeuten die vanuit gevalsstudies afleiden hoe het geheugen werkt bij mensen die te maken kregen met ernstig chronisch trauma.
In verband met de controverse rond DIS wil ik twee historische verhalen vertellen die mij relevant lijken, omdat ze mooi de bekommernissen van de sceptici en van de gelovers illustreren. Het ene is het verhaal van Charcot (cfr. ook van der Velden, 1987). Het andere is het verhaal van Freud.
Het verhaal van Charcot
De Franse neuroloog Charcot was in de jaren tachtig van de vorige eeuw dé grote specialist van de hysterie. Hij werd geïdentificeerd met de ontdekking van de hysterie, hypnose, dubbele persoonlijkheid, catalepsie, enz. Hij gaf op vrijdagochtend lezingen in de Salpetrière te Parijs voor een groot publiek van artsen, studenten en nieuwsgierige leken. Deze lezingen bestonden uit vaak spectaculaire demonstraties van allerlei ziektebeelden en dramatische interviews van patiënten. Toen Charcot les gaf over tremors bijvoorbeeld werden enkele vrouwen binnengebracht die hoeden droegen met grote veren op. De bewegingen van de veren maakten het publiek duidelijk welke de specifieke kenmerken waren van de tremors bij verschillende ziektebeelden. Deze lezingen werden goed voorbereid door Charcots medewerkers en vooraf ingeoefend met de patiënten. Het was een eer om op het toneel naast Charcot te verschijnen op die lezingen waar le tout Paris kwam kijken. Sommige patiënten werden sterren. Charcots meest beroemde patiënte was Blanche Wittmann. Ze werd La Reine Des Hystériques genoemd. Zij moest vaak Charcots drie fasen van de hysterie demonstreren. Zij staat ook afgebeeld, naast Charcot, op het beroemde schilderij van P.A. Brouillet uit 1887. Een kopie van dat schilderij hing trouwens ook in Freuds consultatiekamer in de Berggasse 19 te Wenen.
In 1970 schreef Ellenberger zijn beroemde "The Discovery Of The Unconscious" waarin Charcots hysterie ontmaskerd werd als een artefact van onbedoelde suggesties binnen een therapeutische relatie. Ellenberger kon immers overtuigend aantonen dat er zich een bijzondere atmosfeer van wederzijdse suggestie ontwikkelde tussen Charcot, zijn medewerkers en zijn patiënten (p.98), een atmosfeer waarin patiënten geoefend werden om bepaalde aspecten van hun ziekte zo goed mogelijk te tonen. Zo werden Charcots theorieën over hysterie telkens opnieuw door zijn welwillende patiënten bevestigd.
Het moge duidelijk zijn dat dit historisch verhaal zeer relevant is voor de actuele discussie over dissociatie. Een belangrijke deel van de actuele controverse over dissociatie en DIS draait immers rond de suggestibiliteit van patiënten en de mogelijke iatrogene effecten van de verwachtingen van therapeuten. Wat ik zelf uit dit verhaal van Charcot vooral onthield, was: "Wees voorzichtig met suggesties. Als therapeut kan je heel wat onaangename dingen suggereren als je niet voorzichtig bent."
Het verhaal van Freud
Laten we nu de overstap maken van Parijs naar Wenen voor het tweede historische verhaal. Op 2 mei 1896 gaf Freud een lezing voor de Vereniging van Psychiatrie en Neurologie in Wenen. De titel van de lezing luidde: "De Etiologie van Hysterie". In de lezing stelde hij dat de oorzaak van alle neuroses ligt in een stoornis in het seksuele leven van de patiënt. Meer bepaald stelde hij dat er bij neurotici in de kinderjaren een traumatische verleiding door een volwassene was geweest. Er is seksueel misbruik geweest. Dat misbruik had plaats rond het derde of vierde levensjaar. Een seksueel trauma na de leeftijd van acht jaar zou niet leiden tot een neurose, aldus Freud. Freud stelde dat neurotici lijden onder de pijnlijke herinneringen aan dat traumatisch gebeuren. Die pijnlijke herinneringen worden verdrongen naar het onbewuste en beïnvloeden van daar uit het gedrag. Deze theorie wordt de verleidingstheorie genoemd.
Freud baseerde zijn theorie op dertien gevallen die hij in therapie had gehad. Zijn patiënten hadden hem verteld over seksuele toenaderingen, handtastelijkheden en verkrachtingen door volwassenen toen ze zelf nog kind waren. Freud merkte dat de neurotische symptomen verdwenen wanneer de patiënten vertelden over het trauma en het herbeleefden. Freud geloofde zijn patiënten. Hij stelde dat de verhalen van zijn patiënten verwijzen naar reële trauma's uit hun kindertijd, niet naar fantasieën zoals hij later zou denken. Hij luisterde naar hun verhalen en hij geloofde hen.
Later zou Freud deze verleidingstheorie herroepen. Hij meende dat hij zich vergist had in die theorie. Hetgeen de patiënten vertelden, waren geen herinneringen die verwezen naar echt gebeurde seksuele trauma's, stelde Freud toen. Het waren slechts fantasieën. In een brief aan zijn vriend Fliess (21/9/1897) schreef hij: "Ik geloof mijn neurotica's niet meer." In dezelfde brief verduidelijkte hij de redenen die hij had voor zijn ongeloof. Hij noemde onder andere zijn "verrassing dat in alle gevallen de vader als pervers moest beschuldigd worden, de mijne niet uitgesloten." Freud verwees ook naar "de onverwachte frequentie van de hysterie (...) terwijl toch een dergelijke verbreiding van de perversie tegenover kinderen weinig waarschijnlijk is." (geciteerd in Masson, 1984) Ik wil niet zo ver gaan als de controversiële psychoanalist Jeffrey Masson die Freud beschuldigde van morele lafheid (Masson, 1984; Malcolm, 1984), maar ondertussen weten we toch dat Freud hier ongelijk had. Perversie tegenover kinderen komt zeer veel voor. En niet vreemden, maar net vaders zijn meestal de daders. Daarover bestaat nu voldoende betrouwbaar onderzoek (o.a. Draijer, 1988; Finkelhor, Hotaling, Lewis & Smith, 1990), zodat we hieraan niet meer moeten twijfelen.
Uit dit tweede verhaal blijkt dat het soms moeilijk is te geloven dat geweld, en in het bijzonder seksueel geweld, reëel is. Het is soms moeilijk denkbaar tot welke gruwelijkheden mensen in staat zijn. Terecht of onterecht, ik onthield uit Freuds verhaal vooral: "Luister naar je cliënten, ook al vertellen ze een gruwelijk verhaal".
De twee historische verhalen lijken mij zeer relevant als we over dissociatie, seksueel geweld en psychotherapie willen nadenken. Persoonlijk voel ik me als psychotherapeut vaak heen en weer geslingerd tussen deze twee verhalen. Het ene waarschuwt voor de gevaren van onbedoelde suggesties en het andere wijst op de gevaren van ontkenning van de realiteit van geweld. Ik denk dat er inderdaad een reëel gevaar bestaat dat de onbedoelde suggesties van de therapeut de DIS-patiënt zouden kunnen leiden in onvoorziene richtingen. DIS-patiënten hebben als kind immers vaak zeer goed geleerd in te spelen op onuitgesproken verwachtingen uit hun omgeving. Mijn voorzichtigheid met suggesties staat echter mijn acceptatie van de verhalen van de DIS-patiënten niet in de weg 7. Hoe gruwelijk ze ook zijn, ik ben bereid de verhalen die mijn cliënten mij vertellen te geloven. Ik zie het als mijn eerste taak als psychotherapeut naar mijn cliënten te luisteren en hen zo goed mogelijk te begrijpen, ook als het gaat om DIS-patiënten.
Trauma's
De meeste DIS-patiënten rapporteren chronische seksuele, lichamelijke en emotionele mishandeling in de vroege kindertijd (Putnam, 1989; Boon & van der Hart, 1991, 1995; Nijenhuis, 1995b) 8. Vele DIS-patiënten vertellen reeds misbruikt te zijn als peuter of als kleuter. Doorgaans wordt de vader of een vaderfiguur als dader aangeduid, soms ook de moeder, broers, ooms, vrienden of onbekenden.
DIS-patiënten worden beschouwd als overlevers. In de literatuur wordt gerapporteerd dat ze op jonge leeftijd misbruik, geweld en vernederingen hebben overleefd door het ik op te splitsen in verschillende persoonlijkheden of alters (Putnam, 1989; van der Hart, 1991, 1995; Nijenhuis, 1995b). Een dergelijke splitsing wordt 'dissociatie' genoemd9. Dissociatie wordt gezien als een psychologisch proces dat de persoon beschermt door de moeilijke aspecten (vb. pijn of angst) van een traumatische ervaring uit het gewone bewustzijn uit te sluiten. Soms ook worden er imaginaire helpende figuren gecreëerd.
Als er aan deze voorwaarden voldaan wordt, ontstaan er delen in de persoon die in mindere of meerdere mate zijn afgesplitst en die door de DIS-patiënt vaak beleefd worden als persoonlijkheden of persoonlijkheidsdelen. Elk van die delen (of alters) heeft in de eerste plaats een eigen functie in het overleven van de persoon (Putnam, 1989; Boon & van der Hart, 1991, 1995, 1996). Sommige delen vervullen vooral functies in het dagelijks leven. Ze worden actief bij het koken, het kuisen, het uitoefenen van een job, het onderhouden sociale contacten, enz. Deze delen zorgen ervoor dat de persoon niet opvalt en voldoet aan de eisen die de buitenwereld stelt. Andere alters lijken eerder functies in de interne psychologische wereld te vervullen. De ene alter draagt de pijnlijke herinneringen aan een trauma, de andere de pijnlijke herinneringen aan een ander trauma, nog een andere draagt de angst, weer een andere de vernedering, de volgende draagt de woede, enz. Daarnaast heeft de DIS-patiënt ook de beleving dat die persoonlijkheidsdelen ook eigen angsten hebben en eigen wensen, gedachten, gewoonten en eigenaardigheden. Het lijken allen kleine persoontjes.
In het begin van de therapie wisten die alters vaak niet van elkaars bestaan af. Sommigen wisten wel dat er nog andere delen waren. Anderen beweerden tegen beter weten in dat zij alleen waren, en dat zij echt heersten over het leven en het lichaam van Beau. Deze onwetendheid, deze onzekerheid en hun grote wantrouwen tegen alles wat mogelijk gevaar inhield, maakte dat er veel angst was bij de alters en veel ruzies tussen de alters.
Bowlby (1969, 1973, 1980) beschreef hoe het emotioneel verwaarloosde kind zich onthecht om zichzelf te beschermen (detachment). Het stelt geen hechtingsgedrag dat de moeder (of de verzorgingsfiguur) dichterbij zou kunnen brengen. Het keert zich daarentegen actief af van de ouderfiguur en trekt zich emotioneel in zichzelf terug. De oorzaak van die onthechtingsreactie ligt in de chronische afwezigheid van een gepaste respons van de ouders op de tekens van emotionele nood van het kind. Aangezien de ouderfiguur het kind al herhaaldelijk emotioneel verwaarloosd heeft, leert het kind dat het geen hulp of steun van de ouderfiguur moet verwachten (Bowlby, 1969; 1973; 1980).
In de therapie met DIS-patiënten uiten hechtingsstoornissen zich vooral in een fundamenteel wantrouwen tegenover menselijke relaties in het algemeen en de relatie met de therapeut in het bijzonder. Verder komen ook angst voor afwijzing, verlatingsangst, ambivalentie, klampend gedrag en nood aan controle vaak voor. Kluft (1993) stelt dat het in de therapie met DIS-patiënten geen zin heeft de patiënt te confronteren met dit wantrouwen. Ook geruststellen en uitleg geven heeft weinig zin. Daarentegen zijn erkenning geven voor het lijden en de betekenisvolheid van het wantrouwen wel aangewezen. Kluft moedigt zijn DIS-patiënten aan wantrouwen te zien als een waardevol waarschuwingssignaal: "I indicate that since the patient has been hurt quite deeply, the development of apprehension, suspicion, and misgiving are natural and essential protections against further traumatisation." (Kluft, 1993, p.149) Meestal zal het wantrouwen na verloop van tijd door een steeds kleiner aantal alters gevoeld worden. Er komt meer en meer ruimte voor vertrouwen.
Na zeven dagen en zeven nachten kwam hij terug uit de woestijn en ging naar het kasteel van de oudste ridder van Het Grote Land. Toen hij daar aankwam was de Oudste Ridder net aan het eten. Er was een grote tafel voor hem gedekt met de heerlijkste spijzen: spaghetti, wild gebraad, vissoep, kreeften, witloof, broccoli, erwtjes en worteltjes, taarten, fruit en ijskreem. En liters rode wijn. De Oudste Ridder was al helemaal dik en rood van het vele eten en toch propte hij nog een roomsoes in zijn mond.
-"Wat wilt u, beste man?" smakte de Oudste Ridder.
De Moedige Wijze Man zei aan de Oudste Ridder dat er een vergadering moest komen van de verschillende ridders om te praten over vrede in Het Grote Land.
De Oudste Ridder lachte smakelijk.
-"Dat is de beste grap die ik in weken heb gehoord. Dus jij bent de nieuwe nar?" zei de Oudste Ridder en hij bulderde van het lachen.
-"Nee," zei de Moedige Wijze Man ernstig. Hij keek de ridder kordaat aan.
De Oudste Ridder stopte onmiddellijk met lachen.
Van binnen was hij plots bang geworden en hij dacht dat de man misschien een handlanger was van het legendarische Vreselijke Monster. Er werd immers verteld dat het monster een handlanger had die een tovenaar was. Dat maakte de ridder heel bang, maar hij liet het niet zien aan de Moedige Wijze Man. Hij toonde zich liever nors en boos. Dan voelde hij zich minder bang.
-"Wie ben je dan wel?" vroeg hij aan de man uit verre streken.
-"Ik ben de Moedige Wijze Man," zei hij, "en ik kom om jullie te helpen."
Het gesprek tussen de Moedige Wijze Man en de Oudste Ridder duurde lang want de Oudste Ridder was wantrouwig en bang. Hij was bang voor het Vreselijke Monster en hij wantrouwde de Moedige Wijze Man. Maar na lange tijd en veel praten begon hij hem toch stilaan te vertrouwen. En toen de Moedige Wijze Man vertelde dat hij de sterren gelezen had en te rade was geweest bij de Woestijnvos en bij de Tijger, was de ridder overtuigd, want hij had veel vertrouwen in de goede krachten van de natuur.
-"Okay," zei de Oudste Ridder, "je mag ons helpen, maar hoe gaan we het aanpakken?"
Wanneer DIS opgevat wordt als een hechtingsstoornis verschuift de focus in de therapie van hypnotherapeutische technieken naar de therapeutische relatie. Die relatie moet in de eerste plaats veilig zijn (Herman, 1993), en de therapeutische basishouding van echtheid, empathie en vertrouwen komt centraal te staan. Bowlby (1988) spreekt van een 'secure base' die het ontwikkelen van hechtingsgedrag moet mogelijk maken. Barach (1991) raadt de therapeut aan een attitude van empathische neutraliteit aan te nemen. De therapeut moet de uiting van gevoelens (inclusief afhankelijkheidsgevoelens) aanmoedigen, maar hij moet achterliggende wensen niet inwilligen. Hij houdt vast aan zijn grenzen, zonder de aanvaardende, empathische attitude los te laten.
Samenwerking tussen de alters
Wanneer we spreken over DIS als hechtingsstoornis, verwijzen we niet enkel naar het wantrouwen van DIS-patiënten tegenover menselijke relaties. We verwijzen ook naar het wantrouwen van de alters van de DIS-patiënt tegenover elkaar. Alters zijn vaak bang van elkaar. Ze zien elkaar als vijanden die moeten bestreden worden. Ze ontkennen elkaars bestaan en willen allen zelf de enige heer en meester zijn van het lichaam dat ze samen delen. Ze zien tevens elkaars aandeel niet in de overleving van het geheel.
Nijenhuis (1994) spreekt van een fobie voor gedissocieerde identiteiten die in de therapie moet overwonnen worden. Boon & van der Hart (1996) stellen dat het aanleren van meer samenwerking tussen de alters een belangrijk onderdeel van de behandeling is. Ook Putnam (1989) hecht veel belang aan de ontwikkeling van communicatie en samenwerking tussen de alters. Het is belangrijk doorheen heel de behandeling, zegt hij, maar in het begin van de behandeling wordt de basis ervoor gelegd. Het is in de eerste plaats de bedoeling dat de cliënt erin slaagt om, door het ontwikkelen van innerlijke communicatie tussen de delen en door samenwerking, te komen tot meer eenheid in het omgaan met de eisen van het dagelijks leven. Een goede samenwerking kan ook helpen bij de verdere therapie rond het vroegere trauma.
Er bestaan handleidingen voor het maken van therapeutische verhalen (o.a. Zeig, 1985). Ik volgde bij het schrijven van het verhaal van de ridders van de ovalen tafel echter vooral mijn intuïtie (Rober, 1998). Ik kende Beau en haar alters ondertussen al zeer goed zodat ik kon inschatten wat haar zou aanspreken en wat niet. Achteraf kan ik ook een aantal bronnen aanwijzen die mijn inspiratie gevoed hebben. Ik denk aan de verhalen van Roald Dahl, Leopold Vermeiren (De Rode Ridder) en Antoine De Saint Exupéry (De Kleine Prins) en verder ook de strips van Peyo (De Smurfen) en Willy Vandersteen (De Rode Ridder en Suske & Wiske). Het Boek Der Omhelzingen van Eduardo Galeano en de boeken van Carlos Castaneda hebben vaak door mijn geest gedwaald tijdens het schrijven van het verhaal. Ik heb tenslotte ook inspiratie gehaald bij de filmers David Lynch (Twin Peaks) en Lars von Trier (The Kingdom). Al deze inspiratiebronnen hebben ongetwijfeld meer invloed gehad op het verhaal dan welk boek over therapeutische verhalen ook.
Het verhaal vertelt over de ridders van een groot land die verdeeld zijn door vetes en wantrouwen en over een moedige en wijze oude man die de ridders wil helpen samen te werken. Ik probeerde in de eerste plaats een empathisch verhaal te schrijven. Ik wilde dat uit het verhaal mijn begrip voor Beau's situatie, mijn erkenning voor haar lijden en mijn appreciatie voor haar persoon bleek. Verder wilde ik een proces van identificatie op gang brengen door het verhaal herkenbaar te maken. Daartoe bedacht ik ridders die in hun eigenaardigheden op alters gelijken. Ik probeerde ze vooral gelijkend te maken in de wijze waarin ze omgingen met angst. Zo waren er de ontkennende ridders (vb. de Ontkennende Ridder en de Zingende Ridder), de agressieve ridders (vb. de Boze Ridder), de daderintrojecten (vb. de Wrede Ridder), enz.
De bediende vond dat niet leuk en hij was bang voor de boosheid van de ridder. Toch begreep hij dat de ridder soms boos was, want de Boze Ridder had het Vreselijke Monster van de Grote Landen van dichtbij meegemaakt. Het Vreselijke Monster had hem ooit aangevallen en hem ernstig gekwetst. Hij had veel geluk gehad dat hij had kunnen ontsnappen. Het Vreselijke Monster was zo vreselijk en slecht dat hij er niet tegenop had gekund. Gelukkig was het Monster half blind en toen de ridder zich verschool achter een rots, had het Monster de sluwe ridder niet gezien zodat hij kon wegglippen. Maar het was op het nippertje. Sinds die gebeurtenissen was de ridder heel boos. Hij was boos op het Monster, maar eigenlijk was hij boos op iedereen omdat hij zo bang geweest was, en omdat hij gezien had hoe vreselijk het Monster was en hoe machteloos hij zelf was. Hij dacht ook dat zijn boosheid hem zou beschermen tegen het Monster: "Als ik maar boos genoeg ben en hard genoeg brul, zal ik het monster wel aankunnen," dacht de Boze Ridder.
De bediende stond nog wat te treuzelen aan de slaapkamer van de Boze Ridder, toen hij wakker werd.
-"Godver-alle-lavabo's nog aan toe, wat sta je daar te lanterfanten, stomme klokkentoren!" riep de Boze Ridder naar de arme bediende. Je moet weten dat 'klokkentoren' bijna een even kwetsend scheldwoord is in Het Grote Land als 'lavabo'. De bediende beefde dan ook van angst.
-"Er is een brief van de Oudste Ridder," zei de bediende met trillende stem.
-"Een brief van de Oudste Ridder? Wat zou die oude nietsnut te vertellen hebben?" vroeg de Boze Ridder en hij trok de brief uit de handen van de bediende. Hij scheurde de omslag open en begon brommend te lezen.
-"Duizend depots vol lavabo's! Wat is die oude apekop nu van plan? Wil hij nu echt het Vreselijke Monster uitdagen? Hij maakt me zo woest. Ik zou hem moeten aanvallen met mijn leger en hem vermoorden. Hij brengt alle ridders in gevaar met zijn stomme plannetjes. En wat het ergste is: hij brengt mij in gevaar."
De Boze Ridder was woedend. Hij brulde en schold en vloekte en schopte driftig tegen alles wat in zijn buurt kwam. De bediende maakte zich snel uit de voeten.
De Ontkennende Ridder
De Ontkennende Ridder was aan het baden in de badkamer toen zijn bediende met de brief van de Oudste Ridder kwam aanzetten. De bediende klopte op de deur.
-"Buiten," zei de Ontkennende Ridder.
De bediende kwam de kamer binnen want hij wist dat de Ontkennende Ridder dikwijls het omgekeerde zei van wat hij bedoelde. Zo oefende hij zich in het ontkennen.
-"Edele Ridder, er is géén brief van de Oudste Ridder," zei de bediende terwijl hij de brief van de Oudste Ridder toonde.
-"Fijn," antwoordde de Ontkennende Ridder, "ik ben blij dat er geen brief is van de Oudste Ridder, want die bestaat niet. Er is immers maar één ridder en dat ben ik."
Hij stond op uit zijn bad en zei:
-"Geef me de handdoek niet aan!"
De bediende gaf de handdoek en de Ontkennende Ridder begon zich af te drogen.
Dan zei hij:
-"Help me nu zeker niet met aankleden."
-"Dat zal ik niet doen," zei de bediende en hij gaf de Ontkennende Ridder één voor één zijn kleren aan zodat hij zich kon aankleden.
Dan zei de ridder tegen de bediende:
-"Lees me die brief-die-er-niet-is, van die ridder-die-niet-bestaat, eens voor."
De bediende deed dat.
-"Het is onmogelijk! Het bestaat niet! De ridder-die-niet-bestaat is een lavabo! Hij wil een vergadering bijeenroepen met alle andere ridders die niet bestaan. Ook ik, de enige ridder die wel bestaat, wordt uitgenodigd. Die brief-die-er-niet-is, is onzin. Die vergadering is ondenkbaar en onmogelijk. Hoe gaat het Vreselijke Monster-dat-zeker-niet-bestaat reageren als het te horen krijgt dat er een vergadering is. Die vergadering is gevaarlijk. Ze maakt me bang. Met andere woorden, ze bestaat niet!" riep de Ontkennende Ridder uit.
Dat stelde hem gerust. Als hij kon zeggen dat iets niet bestond dan had hij er geen last meer van en dan maakte het hem niet meer zo bang.
-"Werp die brief-die-niet-bestaat maar in het haardvuur," zei de Ontkennende Ridder tegen de bediende, "Je zal wel zien dat hij niet bestaat. En als hij toch bestaat, zal je zien dat hij niet meer lang bestaat."
De Wrede Ridder
De Wrede Ridder was kreeft aan het eten toen zijn bediende binnenkwam met de brief van de Oudste Ridder. Hij at graag kreeft, omdat het hem plezier deed dat de kreeft levend gekookt moest worden. Hij at ook graag paling die levend gevild was of foie gras. Hij was een wrede man die plezier vond in de pijn van anderen.
Hij werd echter pas heel erg wreed als hij bang was. En hij was vooral bang voor Het Vreselijke Monster Van De Grote Landen. Als hij bang werd van het monster begon hij te dreigen met foltering en straf. Hij wilde ook dat iedereen hem dan 'Vreselijke Monster' noemde. Hij dacht: "Als ik even vreselijk ben als het Vreselijke Monster kan mij niets overkomen." Daarom verbeeldde hij zich dat hij het Vreselijke Monster was als hij bang was.
Toen hij de brief van de Oudste Ridder gelezen had, begon hij te dreigen:
-"De Oudste Ridder is een verrader en een lavabo. Ik zal hem folteren en roosteren en in stukjes snijden. Dan laat ik mijn honden los en die kunnen die stukjes lekker opeten."
Hij was heel erg wreed en heel erg bang.
-"Jullie vergeten zeker dat ik het Vreselijke Monster ben!" riep hij dreigend.
Maar hij was het Vreselijke Monster niet. Hij was enkel een ridder die bang was en die dacht dat zijn wreedheid hem zou beschermen tegen zijn angst.
Naast psychologische herkenbaarheid probeerde ik ook een positieve evolutie in het verhaal te introduceren. De ridders waren in het begin zeer wantrouwend, bang en ze stonden alleen. In de loop van het verhaal, doorheen tachtig bladzijden avonturen, getrotseerde gevaren, rare gewoontes van de Moedige Wijze Man, enz. ontstaat er stilaan groeiend begrip tussen de ridders, groeiend vertrouwen, erkenning van elkaars eigenheid en uiteindelijk samenwerking. De identificatie van de alters met de ridders moest het mogelijk maken dat de alters als het ware meegroeiden met de ridders, in hun evolutie van wantrouwen naar (meer) vertrouwen, van twijfel naar (meer) zekerheid, van argwaan naar beter samenwerken.
Zo ontstond geleidelijk het verhaal van de ridders. Ik maakte regelmatig een hoofdstukjes bij en om de paar weken kreeg Beau weer enkele bladzijden toegevoegd aan het verhaal. Uiteindelijk, na ongeveer een jaar, liep het verhaal ten einde. Het was toen ongeveer zeventig getypte bladzijden lang.
Reacties van Beau
De reacties van Beau op het verhaal waren vrijwel onmiddellijk heel positief. Ze was erg geboeid door het verhaal en bij het einde van elk deel nieuwsgierig naar het vervolg. Aanvankelijk was ze erg karig in haar commentaar. Nu begrijp ik dat ze het moeilijk vond om aan zichzelf en aan mij toe te geven dat het verhaal belangrijk was voor haar. Ze leefde immers met de angst dat het verhaal haar terug afgepakt zou worden als ze zou toegeven dat het belangrijk was voor haar. Zo had ze het in haar kindertijd meegemaakt: als er iets was dat je belangrijk vond, dat werd het van je afgenomen.
Al waren de meeste alters actief bezig met het verhaal, toch waren er heel wat verschillen in de reacties van de alters. De kindalters identificeerden zich al snel openlijk met sommige ridders in het verhaal. Ze stelden vragen over het verhaal of drukten hun teleurstelling uit over bepaalde wendingen die het verhaal nam. Andere alters toonden minder wat het verhaal hen deed. Ik merkte wel dat de alters beter begonnen samen te werken. Ze spraken interne samenlevingsregels af (door hen de ridderregels genoemd) en ze organiseerden vergaderingen om afspraken te maken over het dagelijkse leven. Er groeide verder ook meer vertrouwen naar mij toe. Ik kreeg ook meer contact met alters die zich daarvoor niet wilden tonen.
Toen het verhaal af was legde ik Beau schriftelijk een aantal vragen voor om zo meer zicht te krijgen op de betekenis van het verhaal voor haar11. Ik vroeg haar: "Wat betekende het verhaal voor jou?", "Hoe is het als je therapeut een verhaal voor je maakt?", "Hoe voel je je nu bij het verhaal, nu het af is?".
De schriftelijke reacties van Beau op deze vragen kan ik als volgt samenvatten:
- Verschillende alters schreven dat ze zich in het verhaal voor het eerst begrepen hadden gevoeld. Andere alters lieten weten dat ze zichzelf beter begonnen te begrijpen door het verhaal.
- De alters schreven ook dat ze beter samenwerkten en dat er meer interne organisatie kwam. Er werden samenlevingsregels opgesteld waaraan alle alters zich moesten houden. Er werden vergaderingen belegd waaraan meer en meer alters deelnamen en er werd een voorzitter aangeduid die het vertrouwen kreeg van de andere alters.
- De alters signaleerden ook dat ze mij als therapeut anders begonnen te zien. Een alter schreef bijvoorbeeld: "Door het verhaal kwam er een 'ander stuk' van Peter naar voren, iets dat warmer en emotioneler was dan de therapeut Peter." De alters gaven dat 'stuk' de naam Verhalenpeter. "Van iemand die geen jota leek te snappen werd Peter tot iemand die mee wou organiseren, overleggen..." zo schreef een andere alter.
- Hierbij aansluitend benadrukten de meeste alters dat het helpende van het verhaal niet zat in het verhaal als een techniek. De alters vonden het relationeel aspect van het verhaal het belangrijkst. Heel wat alters benadrukten dat ik als therapeut voor hen geloofwaardiger en betrouwbaarder werd. Een alter schreef bijvoorbeeld: "Het verhaal is voor mij belangrijk, niet omdat het nu zo'n goeie therapeutische interventie is, maar omdat Peter het maakte voor ons, omdat ik me herkende en begrepen voelde, niet afgedankt of verworpen met al mijn woede."
-Misschien het belangrijkste voor de alters was het feit dat het verhaal er was en dat iemand de tijd en de moeite nam om voor hen een verhaal te maken. Dat versterkte hun vertrouwen in mij als therapeut en het maakte dat ze stilaan voor zichzelf begonnen toe te geven dat ze iets voor de therapeut betekenden. Dit weerspiegelt een proces dat ook veel ridders in het verhaal meemaken: een proces van groeiend vertrouwen, het ontluiken van hoop en het zich riskeren in een echte relatie.
Bespreking
Al was het ridderverhaal slechts een onderdeel van de therapie met Beau, toch is het verhaal voor het verloop van de therapie van groot belang gebleken. Achteraf bekeken zie ik dat de herkenbaarheid van het verhaal een dubbel effect had op Beau. Ten eerste toonde het dat ik haar begreep, zodat de alters mij meer gingen vertrouwen. Ten tweede bevorderde het de identificatie van de alters met de ridders. Die identificatie maakte het mogelijk dat de alters als het ware meegroeiden met de ridders, die in het verhaal een evolutie doormaakten van wantrouwen naar (meer) vertrouwen, van twijfel naar (meer) zekerheid, van argwaan naar beter samenwerken. Ze leerden mekaar beter kennen, ze respecteerden elkaars eigenheid meer en konden daardoor ook beter samenwerken. Die samenwerking maakte dat er meer eenheid en stabiliteit kwam in Beau's leven. Verder voelden verschillende alters zich in het verhaal voor het eerst begrepen door de therapeut. Dat raakte hen emotioneel. De therapeut was hier tot dan toe in de gesprekken niet in geslaagd. Door het verhaal voelden ze zich voor het eerst begrepen en begonnen ze zichzelf ook beter te begrijpen.
Op grond van Beau's reacties kunnen we stellen dat het positieve effect van het ridderverhaal op Beau zeker niet enkel toe te schrijven is aan het verhaal op zich. Het lijkt erop dat de betekenis van het verhaal binnen de context van de relatie therapeut/cliënt zeker zoveel invloed had als het verhaal als therapeutische techniek. Voor Beau was het belangrijk dat de therapeut zich engageerde door speciaal voor haar een verhaal te schrijven. Daardoor groeide er bij Beau geleidelijk meer vertrouwen in de therapeut.
Deze vaststellingen sluiten aan bij een visie op DIS als een hechtingsstoornis. De therapeutische relatie werd een terrein waar voldoende veiligheid was zodat Beau kon oefenen met afstand en nabijheid in relaties. Binnen de therapeutische relatie kon ze risico's nemen in het aangaan van gevoelsrelaties. Ze durfde voor het eerst voelen dat ze iets betekende voor iemand. Tevens durfde ze zich voor het eerst afhankelijk tonen. Zo werd de therapie een correctieve emotionele ervaring. Waar Beau (in haar beleving) vroeger enkel mensen in misbruikende relaties kende, leerde ze nu ook dat (tenminste sommige) mensen te vertrouwen zijn.
In mijn therapieën maak ik wel vaker gebruik van therapeutische verhalen (Rober, 1990, 1998). Ik had, voor de therapie met Beau, echter nooit zo een uitgebreide verhaal geschreven voor een cliënt. Ik had voor geen enkele cliënt zoveel tijd geïnvesteerd buiten de sessies. Dit is een belangrijk punt want therapeuten voelen zich door traumapatiënten vaak uitgenodigd tot het investeren van extra moeite en energie (meer sessies, langere sessies, vaak telefoneren,...). Als de therapeut daarop ingaat, kan dat leiden tot onduidelijke grenzen tussen therapie en persoonlijk leven van de therapeut, wat vaak uitloopt op teleurstellingen en kwetsuren bij zowel therapeut als cliënt. Het is duidelijk dat ik in de therapie met Beau ook zeer veel extra geïnvesteerd heb door het ridderverhaal te schrijven. Al zou ik iedere therapeut aanraden qua tijdsinvestering en therapeutische setting niet anders om te gaan met traumapatiënten dan met andere patiënten12, toch heb ik er helemaal geen spijt van dat ik het ridderverhaal geschreven heb. Zonder te ver in te gaan op de details van de tegenoverdrachtelijke aspecten van de therapie met Beau, wil ik toch aanstippen dat ik me niet enkel erg heb ingezet voor de therapie met Beau, maar dat ik ook zeer veel geleerd heb uit die therapie. Verder is het belangrijk op te merken dat, niettegenstaande de positieve ervaring met het verhaal in de therapie met Beau, ik nooit meer zo een uitgebreid verhaal voor een cliënt gemaakt heb. Het is duidelijk dat het niet mogelijk is voor alle cliënten een verhaal van 70 bladzijden te schrijven. De investering van tijd is te groot en het schrijven van zo'n verhaal is persoonlijk te belastend. De ervaring met het verhaal in de therapie met Beau heeft me wel veel inzicht gegeven in de bruikbaarheid en de zinvolheid van therapeutische verhalen, ook in therapieën met DIS-patiënten. Ik maak nog heel vaak gebruik van verhalen in therapie, maar ik maak de verhalen korter, en meer gefocust op beperktere doelen, zodat het een haalbare tijdsinvestering blijft. Verder vertel ik in therapeutische sessies ook verhalen aan cliënten die ik zelf ter plekke bedenk (zie Rober, 1998). Ook daarbij is het schrijven van het ridderverhaal heel leerzaam geweest.
De therapie met Beau is nog steeds aan de gang. In de loop van zes jaar therapie is er een duidelijke verbetering waar te nemen13. Ze vertoont veel minder psychiatrische symptomen. Ze is minder angstig en depressief. De suïcidedreiging is weg, evenals de automutilatie. Waar ze vroeger regelmatig in de psychiatrie werd opgenomen, heeft ze nu al vijf jaar geen psychiatrische opname meer gehad. Ook in haar zelfbeleving is er veel veranderd. Ze is veel minder verward en, al blijven er duidelijk vele gedissocieerde delen in haar, toch heeft ze door de samenwerking van de delen meer een gevoel van eenheid. Ze kan meer genieten van het leven en houdt mensen minder op afstand dan vroeger. Ze woont nu ook al enkele jaren gelukkig samen met haar partner. Ze kan zich vrij goed in het dagelijks leven handhaven, al blijft ze heel gevoelig voor gebeurtenissen die traumatische herinneringen oproepen.
Voetnoten
1. Met dank aan Ellert Nijenhuis, Bea Hardon en An Vanhimbeek voor hun waardevolle commentaar bij eerdere versies van dit artikel. Ik dank ook mijn clinte Beau (pseudoniem) voor haar toestemming materiaal uit haar therapie te gebruiken in dit artikel.
2. Peter Rober is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Hij werkt in een privé-praktijk in Antwerpen. Verder is hij ook actief in het trainingsinstituut Feelings & Context en in het C.G.G.Z. MenSana, allebei in Antwerpen.
Correspondentie-adres: Feelings & Context, Arthur Goemaerelei, 3 - 2018 Antwerpen - België.
e mail: peter.rober@skynet.be
3. De term 'alter' wordt door specialisten hoe langer hoe minder gehanteerd omdat deze term de spltising in de persoon zou kunnen bevorderen. In de plaats daarvan wordt meer en meer gesproken over 'bewustzijnstoestanden'. Als de persoon in de ene bewustzijnstoestand is, gedraagt hij zich anders, voelt hij zich anders en denkt hij anders dan in de andere bewustzijnstoestand. In deze tekst hanteer ik nog wel de term 'alter', omdat ik die ook gebruikte in de periode waarin ik het verhaal schreef voor Beau.
4. Wetenschappelijk onderzoek suggereert dat het hier gaat over een toestand-afhankelijke toegankelijkheid van het geheugen, met name van het expliciete (vooral autobiografische) geheugen en soms ten dele ook van het impliciete geheugen (zie voor een uitstekend overzicht: van der Hart & Nijenhuis, 1996).
5. o.a. Putnam (1989); Boon & van der Hart (1991, 1995); Nijenhuis (1995b), Kluft (1993, 1996); Spinhoven, Nijenhuis, van Dyck (1998).
6. o.a. Merskey (1992), Merckelbach & Van den Hout (1993), Loftus (1993), Merckelbach & Wessel (1994), Spanos (1994), Crombag & Merckelbach (1997).
7. Het is niet de eerste taak van de psychotherapeut om oordelen te vellen over de historische juistheid van de verhalen die cliënten vertellen. Toch kan men als therapeut de vraag naar de validiteit van die verhalen niet helemaal uit de weg gaan. In elk geval is een voorzichtig en genuanceerd omgaan met traumatische herinneringen in de klinische praktijk aangewezen. In de recente vakliteratuur zijn er een aantal auteurs die in dat verband zeer bruikbare aanbevelingen doen (o.a. Bowers & Farvolden, 1996; Kluft, 1996; van der Hart, Nijenhuis & Behr, in press).
8. Er is heel wat wetenschappelijk onderzoek waar een hoge correlatie gevonden wordt tussen dissociatieve stoornissen en trauma in de kindertijd (voor een overzicht zie bijvoorbeeld: Nijenhuis, 1995b; Kluft, 1996). Toch heerst er in de wetenschappelijke wereld nog steeds onenigheid over de vraag of dissociatieve stoornissen veroorzaakt zijn door trauma (cfr. o.a. Tillman, Nash & Lerner, 1994). Dit heeft niet enkel te maken met het feit dat men vanuit een statistische correlatie niet zomaar een causaal verband mag poneren. Er wordt daarnaast ook getwijfeld aan de geloofwaardigheid van het door de patinten gerapporteerde seksuele misbruik in hun kindertijd (o.a. Frankel, 1993; Merckelbach & Van den Hout, 1993; Merckelbach & Wessel, 1994; Loftus, 1993). Gelovers bepleiten dan weer het waarheidsgehalte van traumatische herinneringen (een uitstekend overzicht: van der Hart & van der Velden, 1995). Verder is het ook duidelijk dat niet enkel de trauma-ervaring zelf, maar ook andere mediërende factoren (leeftijd, duur van het trauma, familiale variabelen, persoonlijkheidsvariabelen,...) een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van DIS (Tilman, Nash & Lerner, 1994).
9. Er is heel wat verwarring rond de definitie van het woord 'dissociatie'. Op deze verwarring kunnen we hier niet ingaan. Voor beschouwingen hierover: zie Vandereycken (1996) en vooral Cardena (1994).
10. Op dat ogenblik was de therapie reeds drie jaar bezig. Symptoomreductie en stabilisatie, volgens Boon & van der Hart (1995) behorend tot de eerste fase van een therapie met een DIS-patiënt, stonden niet meer centraal. Ik had ook reeds een goed zicht op de werking van Beaus dissociatieve systeem. Ik had reeds kennis gemaakt met heel wat alters en Beau had al verteld over de trauma's waaronder ze gebukt ging.
11. Deze vragen stelde ik naar aanleiding van een gesprek dat ik had met Bea Hardon (psychologe, APZ Drenthe, Assen) over het ridderverhaal. Ze was erg geïnteresseerd in het verhaal maar ze had toch ook enkele kritische bedenkingen. Ze stelde dat een cliënte die zo'n verhaal krijgt van haar therapeut misschien een speciale band gaat voelen voor de therapeut, een band die gelijkt op de wereld van vroeger, een band die gelijkt op de relatie met de dader. Verder vroeg ze zich ook af of een dergelijk verhaal de autonomie van de cliënte bevordert of net de cliënte afhankelijk en behoeftig maakt. Dit leken me twee belangrijke bedenkingen die zeker moeten overwogen worden wil men de therapeutische waarde van het ridderverhaal evalueren.
12. Ik heb in de therapie met Beau heel duidelijke grenzen gesteld wat betreft duur van de sessies (1,5 uur), frequentie (1 keer per week), contacten buiten de sessies (geen), en verder voelde ik me in de rug gesteund door een intervisie-groep.
13. Deze verbetering is natuurlijk slechts zeer gedeeltelijk toe te schrijven aan het verhaal. Het verhaal was immers slechts een onderdeel van een intense en langdurige psychotherapeutische behandeling.
Bibliografie
American Psychiatric Association -APA (1994). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Fourth edition (DSM-IV). Washington DC: APA.
Barach, P.M.M. (1991). Multiple Personality Disorder. Dissociation, 4, 3, 117-123
Barker, P. (1985). Using Metaphors in Psychotherapy. New York: Brunner/Mazel.
Boon, S. & van der Hart, O. (1991). De Behandeling Van De Multiple Persoonlijkheidsstoornis. In: van der Hart, O. (Red.). Trauma, Dissociatie en Hypnose. Amsterdam/Lisse: Swets & Zeilinger.
Boon, S. & van der Hart, O. (1995). De Behandeling Van De Multiple Persoonlijkheidsstoornis. In: van der Hart, O. (Red.). Trauma, Dissociatie en Hypnose. Amsterdam/Lisse: Swets & Zeilinger.
Boon, S. & van der Hart, O. (1996). Stabilisatie en Symptoomreductie in de Behandeling van Patiënten met een Dissociatieve Identiteitsstoornis. Tijdschrift voor Psychiatrie, 38, 159-172.
Bowers, K.S. & Farvolden, P. (1996). Revisiting a Century-Old Freudian Slip: From Suggestion Disavowed to the Truth Repressed. Psychological Bulletin, 119, 355-380.
Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss. Vol. 1.: Attachment. New York: Basic Books.
Bowlby, J. (1973). Attachment and Loss. Vol. 2.: Separation: Anxiety and anger. Middlesex, England: Penguin Books.
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss. Vol. 3.: Loss: Sadness and depression. Middlesex, England: Penguin Books.
Bowlby, J. (1988). A Secure Base: Parent-Child Attachment and Healthy Human Development. New York: Basic Books.
Cardena, E. (1994). The Domain Of Dissociation. In: Lynn S.J. & Rhue, R.W. (Eds.). Dissociation: Clinical and theoretical perspectives. New York: Guilford.
Crombag, H. & Merckelbach, H. (1997). Tocht door de psychotherapeutische wildernis: Een casus over MPS en iatrogenese. Directieve Therapie, 17, 271-291.
de Haan, E. (1993). Bespreking van Onno van der Hart (red.). Trauma, dissociatie en hypnose. Directieve Therapie, 13, 265-273.
Draijer, N. (1988). Seksueel misbruik door verwanten. Een landelijk onderzoek naar de omvang, de aard, de gezinsachtergronden, de emotionele betekenis en de psychische en psychosomatische gevolgen. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ellenberger, H.F. (1970). The Discovery Of The Unconscious. New York: Basic Books.
Finkelhor, D., Hotaling, G., Lewis, I.A., & Smith, C. (1990). Sexual abuse in a national survey of adult men and women: Prevalence, characteristics, and risk factors. Child Abuse and Neglect, 14, 19-28.
Frankel, F.H. (1993). Adult Reconstruction of Childhood Events in the Multiple Personality Literature. American Journal of Psychiatry, 150, 954-958.
Gardner, R.A. (1971). Therapeutic Communication With Children: The mutual storytelling technique. New York: Science House.
Herman, J.L. (1993). Trauma en Herstel. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Kluft, R.P. (1984). Treatment of Multiple Personality Disorder. Psychiatric Clinics of North America, 7, 9-29.
Kluft, R.P. (1993). The Initial Stages of Psychotherapy in the Treatment of Multiple Personality Disorder Patients. Dissociation, 6, 2, 145-161.
Kluft, R.P. (1996). Treating Traumatic Memories of Patients With Dissociative Identity Disorder. American Journal of Psychiatry, 153, 7, 103-110.
Lankton C. & Lankton, S. (1989). Tales of Enchantment : Goal-oriented metaphors for adults and children in therapy. New York: Brunner/Mazel.
Loftus, E.F. (1993). The Reality of Repressed Memories. American Psychologist, 48, 518-537.
Malcolm, J. (1984). In The Freud Archives. New York: Alfred Knopf.
Masson, J.M. (1984). The Assault On Truth: Freud's suppression of the seduction theory. New York: Farrar, Straus & Giroux.
Merckelbach, H. & Van den Hout, M. (1993). Trauma, Herinnering en Amnesie. Gedragstherapie, 26, 3-19.
Merckelbach, H. & Wessel, I. (1994). Recovered Memories. De Psycholoog, 29, 85-91.
Merckelbach, H. & Wessel, I. (1995). Hoe Authentiek zijn 'Recovered Memories'. Directieve Therapie. 15, 148-166.
Merskey, H. (1992). The Manufacture Of Personalities: The production of multiple personality disorder. Britisch Journal Of Psychiatry, 160, 327-340.
Nijenhuis, E. (1994). Dissociatieve Stoornissen en Psychotrauma. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Nijenhuis, E. (1995a). Dissociatie en Leertheorie: Trauma-geïnduceerde dissociatie als klassiek geconditioneerde defensie. In: Jonker, K., Derksen, J.J.L. & Donker, F.J.S. Dissociatie: Een fenomeen opnieuw belicht. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Nijenhuis, E. (1995b). Dissociatieve Stoornissen Als Gevolg Van Incest. In: Baartman, H. (Red.). Op Gebaande Paden. Utrecht: Uitgeverij SWP.
Putnam, F.W. (1989). Diagnosis And Treatment Of Multiple Personality Disorder. New York: Guilford.
Rober, P. (1990). Therapeutische Metaforen in de Systeemtherapie. Tijdschrift voor Psychotherapie, 16, 12-20.
Rober, P. (1998). The Therapist's Inner Conversation. Manuscript ingediend voor publicatie.
Rosen, S. (Ed.) (1982). My Voice Will Go With You: The teaching tales of Milton H. Erickson, M.D. New York: Norton.
Spanos, N.P. (1994) Multiple Identity Enactments and Multiple Personality Disorder: A sociocognitive study. Psychological Bulletin, 116, 143-165.
Spinhoven, P., Nijenhuis, E. & van Dijck, R. (1998). Herinneringen aan traumatische ervaringen. Directieve Therapie, 18, 134-168.
Tillman, J.G., Nash, M.R. & Lerner, P.M. (1994). Does Trauma Cause Dissociative Pathology? In: Lynn S.J. & Rhue, R.W. (Eds.). Dissociation: Clinical and theoretical perspectives. New York: Guilford.
Vandereycken, W. (1996). Reflecties over Dissociatie. Tijdschrift voor Psychiatrie, 38, 85-94.
van der Hart, O. & Nijenhuis, E. (1996). Dissociatieve Amnesie voor Traumatische Ervaringen. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 51, 728-746.
van der Hart, O., Nijenhuis, E. & Behr, S.W.H. (In Press). Ways of Knowing and Not Knowing Trauma in a Case of Dissociative Identity Disorder.
van der Hart, O. & van der Velden, K. (1995). Over het waarheidsgehalte van traumatische herinneringen. Directieve Therapie, 15, 167-193.
van der Velden, K. (1987). De Les Van Charcot. Directieve Therapie, 7, 5-21.
Van Dyck, R. & Spinhoven, P. (1996). Vier Controversen over Dissociatieve Identiteitstoornis. Tijdschrift voor Psychiatrie, 38, 95-107.
Zeig, J. (1985). Experiencing Erickson: An introduction to the man and his work. New York: Brunner/Mazel.
