
Wanneer een dergelijke vraag ter discussie komt, zowel bij leken als in vakkringen, ziet men bijna steeds kampen ontstaan. Eén strekking verdedigt de stelling dat een goede psychotherapeut vooral een goed mens moet zijn. Hij moet meelevend zijn, begrijpend, stevig in zijn schoenen staan, voldoende authentisch zijn en eerlijk met zichzelf.
Wie deze menselijke deugden in huis heeft, is dan ipso facto geschikt om als raadsman en toeverlaat op te treden voor mensen die kampen met emotionele problemen. De menselijke kant is hoofdzaak; méér is er niet nodig, tenzij nog wat gesprekstechnieken die men links of rechts kan oprapen.
Het is een geluid dat vooral in het optimisme van de zestiger jaren te horen was, maar dat ook nu nog regelmatig doorklinkt in sommige kringen van mensen die zichzelf promoveren tot opleiders in de psychotherapie.
Lijnrecht daartegenover staat het kamp van de te rigide academici. Psychotherapie is een wetenschap, en de enige bezitters van de wetenschap zijn de academici. Alleen de universiteiten zijn bevoegd om psychotherapeuten op te leiden, en alleen mensen met een universitaire opleiding kunnen geschikt zijn om als psychotherapeut te fungeren. Een wetenschappelijke opleiding en de ontwikkeling van de nodige wetenschappelijke attitudes is voor hen een noodzakelijke en voldoende voorwaarde om psychotherapie te bedrijven.
Is er een alternatief ?
Het antwoord op de vraag wat de kwaliteit van een therapeut bepaalt, is mijns inziens niet te vinden in een van beide voornoemde kampen.
Beiden belichten een deel van de waarheid.
Het standpunt van Kern terzake is, dat er een aantal faktoren zijn die tegelijkertijd de kwaliteit van een therapeut bepalen, en dat de kwaliteit van het geleverde werk zal stijgen naarmate deze faktoren cumulerend aanwezig zijn. Het is geen kwestie van of/of, maar van en/en.
Daarbij is de ene factor niet vervangbaar door een andere factor. Het is zoals een auto die op vier wielen rijdt: de vier wielen zijn tegelijkertijd noodzakelijk om veilig te kunnen rijden, en je kan het ontbreken van het linker voorwiel niet compenseren door achteraan rechts een extra wiel te plaatsen.
Welke zijn nu de faktoren die in een minimale dosis aanwezig moeten zijn, en die het afgeleverde produkt “therapie” zullen verbeteren naarmate de therapeut ze meer in huis heeft ?
1. PSYCHOTHERAPIE, EEN MENSELIJK BEROEP.
Een eerste reeks faktoren die bepalend zullen zijn voor het kwaliteitsniveau van een therapeut, zijn algemeen-menselijke eigenschappen zoals sensitiviteit, waarnemingsvermogen, intuïtie, stevigheid, engagement, vermogen om te relativeren, beroepsernst, gezond verstand, e.d.
Naarmate iemand dergelijke waarden geïntegreerd heeft, zal hij ook beter functioneren als therapeut.
In psychotherapie is men bezig met het leven van mensen, met de betekenis en met de kwaliteit van iemands leven, en niet alleen met iets wat niet goed functioneert en wat herstellingswerk vraagt.
2. BASISOPLEIDING.
Het kwaliteitslabel “betrouwbare psychotherapeut” heeft ook te maken met een minimale basisopleiding. Psychotherapie vergt een wetenschappelijke aanpak, en men kan maar functioneren als therapeut mits een voldoende wetenschappelijke fundering.
De fundering, zoals de wetenschappelijke basisopleiding, is niet direct zichtbaar als men naar een huis kijkt, maar ze is er niettemin de drager van.
Het gaat niet op dat er mensen zijn die het vak van therapeut uitoefenen zonder terdege te weten wat schizofrenie is, of die niet weten welke vormen van depressie er bestaan, die geen enkel idee hebben van wetenschappelijk onderzoek op dit terrein.
Stel dat je in een kliniek opgenomen wordt en je komt terecht bij een verpleegkundige die vertelt: “Ik was huisvrouw, en ik kreeg plots veel vrije tijd toen de kinderen uit huis gingen; ik heb geen verpleegkundige opleiding (drie jaar duurt immers zo lang !) maar ik heb veel feeling voor dit vak, en ik heb een week cursus gevolgd om op de juiste manier injecties te geven.”
Ik zou gauw mijn valies terug inpakken en wegwezen !
Het is merkwaardig, bijna ongelooflijk zelfs, dat dergelijke toestanden in het psychotherapeutisch werkveld wel kunnen bestaan.
De hamvraag in deze discussie is: wat is dan een “voldoende wetenschappelijke opleiding als therapeut” ?
Ook hier ontmoet je kampen.
Een eerste kamp zegt: een wetenschappelijke vooropleiding of basisdiploma is niet noodzakelijk. Men treft dit standpunt vooral aan bij therapie-opleidingen die vooral ‘zaken willen doen’, en die dit toelatings-criterium maar laten vallen om aan de nodige deelnemers te geraken. Het wonderlijke is dat dit dan nog lukt ook.
Een tweede strekking is dat men van de kandidaat-therapeut minimaal een A1-opleiding, of een universitaire vorming richting menswetenschappen vereist. Zoals verschillende collega's in vergelijkbare opleidingscentra hanteert Kern deze norm om mensen toe te laten tot een volledige therapie-opleiding. Daarbij twee opmerkingen.
We vinden dat er wel degelijk een verschil is tussen de basisopleiding van een A1-niveau en een universitaire vorming. Daarom huldigen we de stelling dat iemand met een A1-basis-opleiding wel kan werken als psychotherapeut, maar enkel onder de directe supervisie van een psychotherapeut met universitaire vooropleiding. Deze voorwaarde kan stilaan gerelativeerd worden en verbleekt gaandeweg naarmate iemand meer praktijkervaring opdoet.
Daarnaast een opmerking betreffende de richting waarin de basisopleiding zich situeert. We achten het noodzakelijk dat het gaat om een opleiding in de menswetenschappen. Iemand met alleen een huisartsen-opleiding heeft o.i. een onvoldoende basis om een therapie-opleiding aan te vatten. Het is nu stilaan uitgemaakte zaak dat het psychotherapeutische denkmodel thuishoort in de menswetenschappelijke school, en dat een medisch denkmodel hiervoor geen valabele basis vormt. Ook hier komt men trouwens af en toe een witte raaf tegen.
Een derde strekking wil de psychotherapie voorbehouden voor mensen met een universitaire vooropleiding. Ongetwijfeld zal de kans dat iemand kwalitatief degelijk werk levert, groeien naarmate hij meer wetenschappelijke bagage heeft. Maar van deze waarde een uitsluitend criterium maken, vinden wij een te zwaar laten doorwegen van de wetenschappelijke kant van het beroep.
Psychotherapie is een toegepaste wetenschap, en naast de wetenschappelijke aspecten zijn er nog andere, die het wetenschappelijk karakter relativeren.
Psychotherapie is ook een menselijk gebeuren, wat maakt dat je op bepaalde momenten op een ander kompas moet kunnen varen dan op het kompas van je wetenschappelijke kennis.
3. BASISVAARDIGHEDEN.
Een derde reeks faktoren die de kwaliteit van het functioneren als therapeut zullen bepalen, zijn de ‘basisvaardigheden’. De kwaliteit van iemand therapeutisch werk zal stijgen naarmate hij deze basisvaardigheden meer ontwikkeld heeft.
Basisvaardigheden zijn enerzijds specifieker dan de algemeen menselijke kwaliteiten die we hoger vernoemden, en zijn anderzijds breder en algemener dan specifieke strategieën of technieken die eigen zijn aan een bepaalde therapeutische school of methodiek. Deze vaardigheden zijn eigenlijk de basiswerktuigen die men nodig heeft om goed therapie te kunnen doen, en zijn perfect vergelijkbaar met de basiswerktuigen in een ander beroep. Een timmerman moet kunnen werken met een hamer, een tang, een zaag, enz., om het even of hij nu deuren of meubels maakt.
Welke basisvaardigheden zijn noodzakelijk voor een therapeut ?
a. Als therapeut moet men in staat zijn om voor de cliënt een sfeer van ruimte en mogelijkheden te scheppen. Als therapeut creëert men een setting waarin de cliënt dingen kan bekijken en exploreren, dingen kan bevragen; een sfeer waarin gevoelens, ervaringen of verlangens aan bod kunnen komen die in zijn realiteit taboe of te gevaarlijk zijn; een setting ook waarin voor de cliënt ruimte is om nieuwe wegen te ontdekken in het omgaan met zichzelf, met situaties, en met andere mensen.
Er is een fundamenteel geloof dat er een alternatief bestaat voor vastzitten en uitzichtloosheid.
Een psychotherapeutische setting is als een psychologische baarmoeder, waarin het veilig genoeg is om stukken van zichzelf aan bod te laten komen en te ontwikkelen die tot dan toe in de verdrukking waren gebleven.
Deze basis-instelling laat zich vertalen in verschillende attitudes:
- open en receptief zijn; bvb. ontvankelijk zijn voor de blik van de cliënt wanneer hij binnenkomt.
- kunnen luisteren en dingen oppikken, zodat de cliënt zich begrepen voelt.
- empathiserend luisteren, waarbij men ook hoort wat er tussen de regels gezegd wordt, en wat de cliënt misschien niet zelf ziet of wat hij moeilijk durft te onderkennen.
- het spoor van de cliënt kunnen volgen.
- kunnen accepteren wat er is: respect voor de cliënt en zijn gevoelens. Bvb.: kunnen accepteren dat de cliënt zijn situatie als uitzichtloos beleeft, zonder de eigen hoop of constructieve instelling op te geven.
- veiligheid scheppen, waarbij men voldoende sensitief moet zijn voor allerlei details. Bvb.: schept men voldoende veiligheid door de manier waarop men tegenover de cliënt zit ?
- zichzelf voldoende “leeg” kunnen maken, zodat men maximaal beschikbaar is voor de cliënt. Bvb.: terwijl ik praat met de cliënt moet ik de belastingsbrief opzij kunnen zetten die ik straks moet invullen.
- opzij kunnen zetten van eigen gevoelens en verlangens. Het is bvb. niet terzake dat de therapeut met deze cliënt graag een schitterend resultaat wil bereiken.
- behouden van een professionele afstand. Het tegengewicht voor aanwezig-zijn en beschikbaar-zijn is: erover waken dat de professionele afstand tussen cliënt en therapeut bewaard blijft.
b. Het opbouwen van een ondersteunende relatie.
Therapie is immers geen koude, zakelijke bedoening. Het is een menselijke zoektocht, en het vraagt van de cliënt soms heel wat moed om deze zoektocht naar zichzelf en zijn eigen waarheid aan te vatten en door te zetten.
Onvermijdelijk zal dit proces moeilijke momenten kennen of misschien zelfs vastlopen. Het zal bepalend zijn voor het therapeutisch groeiproces van de cliënt dat de therapeut als een bondgenoot beleefd wordt, die bereid is om samen met de cliënt door dit proces te gaan.
c. Positief confronteren, directief zijn, suggesties geven, werkhypothesen vormen.
Een therapeut is niet alleen iemand die volgt en meegaat. Als mensen beschikken we over een krachtige zijde, en een receptieve zijde. Ook als therapeut zal men op het gepaste moment zijn krachtige kant moeten gebruiken. Dit kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een confrontatie.
Confronteren betekent niet: iemand eens goed zijn waarheid geven, maar: elementen aanbrengen die niet overeenstemmen met de visie of de beleving van de cliënt, en die op dat ogenblik constructief kunnen zijn om het groeiproces verder te helpen.
Sommige therapeuten remmen het groeiproces van de cliënt juist af, omdat ze alleen maar ontvankelijk en volgend zijn, en niet confronterend durven zijn.
Directief zijn kan bijvoorbeeld betekenen dat men weigert mee te gaan in een negatief of zelfdestructief omgaan met zichzelf.
d. Een duidelijk contract maken.
De relatie tussen cliënt en therapeut is een werkverband, dat door een contract bepaald wordt; dit contract omvat afspraken en regels die het samenwerkingsverband bevorderen.
Het contract, dat voor het starten van de therapie gemaakt wordt, is de basis waarop men kan terugvallen op momenten dat er allerlei vraagtekens opduiken in de loop van de therapie. Het zal voornamelijk de grenzen aangeven van de samenwerkingsrelatie tussen cliënt en therapeut.
Bijvoorbeeld: als therapeut ben ik tijdens de weekends niet beschikbaar.
De precieze invulling van het contract zal geïnspireerd worden door de concrete therapeutische methodiek die men volgt. Een Gestalttherapeut maakt wellicht een ander contract dan een psychoanalist.
Dit therapie-contract zal duidelijkheid moeten scheppen o.a. rond volgende punten:
- eigen verantwoordelijkheid van de cliënt voor stappen en beslissingen die hij wel/niet zal nemen.
- motivatie om op een constructieve manier aan eigen problemen te werken.
- praktische afspraken.
- wanneer en waarvoor is de therapeut beschikbaar; wat zijn de grenzen van het engagement van de therapeut ?
- hoe zal er gewerkt worden ?
e. Kunnen zien en gebruiken van lichaamstaal.
Tussen cliënt en therapeut gebeurt veel meer dan wat er gezégd wordt. De communicatie via lichaamstaal biedt een hele rijkdom aan informatie, die ontgaat aan een therapeut die alleen naar woorden en verbale inhouden luistert.
Het is voor een therapeut een basisvaardigheid om deze lichaamssignalen op te pikken en bruikbaar te maken in het therapeutisch proces.
Bijvoorbeeld: wat vertelt de houding van de cliënt wanneer hij over de relatie met zijn vrouw praat ? Wat zegt de blik waarmee de cliënt naar de therapeut kijkt wanneer die iets uitlegt ? Wat betekent de aarzeling in zijn stem wanneer een bepaald onderwerp aan de orde is ?
f. Als therapeut moet men ook projecties van de cliënt kunnen onderkennen en hanteren.
Of het nu gaat om een analytische sessie of niet, de relatie tussen cliënt en therapeut zal hoe dan ook drager zijn van een aantal belangrijke projecties. De therapeutische relatie is de draagmoeder van het veranderingsproces van de cliënt. De therapeut krijgt onvermijdelijk allerlei rollen en betekenissen toegewezen die verder gaan dan de feitelijke, reële werkrelatie die men contractueel gedefinieerd had.
Het is onmogelijk voor de cliënt om deze projecties meteen op het niveau te kunnen plaatsen waar ze thuishoren.
Het is een basiswerktuig van de therapeut om te kunnen onderkennen in welke rollen hij door de cliënt geplaatst wordt, en om deze projecties werkbaar te maken, zodat ze een voeding zijn in het groeiproces.
Therapeuten die deze basisvaardigheid te weinig bezitten, gaan voortdurend meespelen in deze projecties en maken van de verwachte rol de leidraad voor hun omgaan met de cliënt.
Bijvoorbeeld: de therapeut die de redder probeert te zijn voor de hulpeloze cliënt. Of de therapeut die in de rol geraakt van de straffende vader tegenover de cliënt die niet wil meewerken en in het verzet gaat.
Naarmate men beter in staat is om deze symbolische rollen op te pikken en ze te plaatsen waar ze thuishoren, nl. in de eigen levensgeschiedenis van de cliënt, zal men een beter therapeut zijn.
g. Kunnen gebruiken van eigen intuïtie, beelden, associaties, fantasieën, en het onderkennen van eigen blinde vlekken en valkuilen.
Een therapeut is geen levenloos wezen. Hij heeft zijn eigen inwendige reactiviteit op wat de cliënt meebrengt en op alles wat binnen de sessie gebeurt. Die reactiviteit manifesteert zich enerzijds in gedachten en rationele constructen: op de achtergrond denkt de therapeut na over wat er gebeurt, maakt hij hypothesen die hij later toetst, maakt hij gebruik van zijn theoretische bagage die aansluit bij wat de cliënt zegt.
Anderzijds is er ook een gevoelsmatige reactiviteit: men is geboeid door het verhaal, of men vindt het vervelend, of men is erg begaan met wat de cliënt voelt, enzovoort.
Wanneer men dit register van reactiviteit openhoudt, kunnen allerlei beelden, fantasieën, gevoelsmatige reacties ontstaan die voor de cliënt bruikbaar kunnen zijn in het voeling krijgen met zijn echte zelf.
Op die manier kunnen gevoelens, verlangens, ervaringen die in het halfduister van de ziel verborgen waren geraakt, weer aan bod komen.
Bijvoorbeeld: een cliënte zit in een sessie heel de tijd door te praten aan een tempo waarbij ze nog nauwelijks te volgen is. Aanvankelijk doe ik mijn best, maar op een bepaald moment merk ik hoe gespannen ik zelf word door zo over-geconcentreerd bezig te zijn. Er komt een beeld op: een sneltrein die voorbijrijdt, en ik moet maar proberen erop te springen.
Wanneer ik dit beeld vertel aan de cliënte, wordt ze plots verdrietig en zegt ze dat ze steeds het gevoel heeft dat ze geen aansluiting vindt bij mensen, en krampachtig probeert om toch maar contact te krijgen.
Eigen associaties van de therapeut, eigen beelden en lichamelijke gewaarwordingen, kunnen een bron zijn voor het zoeken van de cliënt. Dit is een ander kompas dan het kompas van het weten en het theoretisch denkwerk. Het is vooral een kompas dat men erg selectief moet kunnen gebruiken; het is immers een terrein waar zowel dingen te vinden zijn die met de cliënt te maken hebben, als zaken die puur met de therapeut te maken hebben, met zijn eigen blinde vlekken, zijn eigen stokpaardjes, zijn eigen projecties, onvervulde verlangens en eigen valkuilen. De cliënt betaalt niet om déze dingen voorgeschoteld te krijgen.
Het behoort tot de job van therapeut dat men tenminste voldoende weet heeft van deze stukken van zichzelf, dat ze een plaats hebben in het zelfbeeld en de zelfkennis. Op die manier is men in staat om bij sommige opkomende beelden en gevoelens onmiddellijk een bordje te plaatsen: “Hoort bij mij; is nu niet bruikbaar.”
Om deze reden is het voor een therapeut een noodzaak dat hij in een eigen leertherapie meer zicht krijgt op deze kanten van zichzelf.
Dit is een therapeutisch basiswerktuig dat nooit àf is: naarmate men als therapeut een juister beeld heeft van zichzelf, zal men ook kwalitatief zuiverder werk kunnen leveren.
4. PSYCHOTHERAPIE-OPLEIDING
Om zinvol en verantwoord te kunnen werken als therapeut, is het nodig dat men een specifieke opleiding in de psychotherapie gevolgd heeft.
Bijvoorbeeld: relatie- en gezinstherapie, client-centered therapie, Gestalttherapie, gedragstherapie, Pesso-therapie, psychoanalytische therapie, enzoverder.
Deze opleiding is niet te verwarren met de basisopleiding. Een psycholoog, psychiater, maatschappelijk werker, is niet ipso facto een psychotherapeut.
Een psychotherapie-opleiding is steeds een langdurige opleiding. In Vlaanderen zijn bijna alle opleidingsinstituten het erover eens dat een degelijke opleiding minimaal drie jaar duurt, met een frequentie van minstens twee dagen per maand, en in totaal 300 opleidingsuren.
Het lijkt vanzelfsprekend te zijn dat iemand pas psychotherapie doet wanneer hij hiertoe ook opgeleid is. Maar de praktijk is anders, is beschamend anders. Er zijn geen onderzoeksgegevens voorhanden om dit te staven, maar mijn inschatting is dat een aanzienlijk deel van de mensen die psychotherapie doen, hiervoor geen volledige, afgeronde opleiding gevolgd heeft.
Vaak heeft men wel ‘iets’ gevolgd; maar na een initiatiecursus van 5 dagen gezinstherapie is men nog geen gezinstherapeut.
Deze toestand doet zich zowel voor in centra (die bovendien nog door de gemeenschap gesubsidieerd worden) als in de privé-praktijk.
Stelling is hier: hoe meer opleiding in de psychotherapie iemand gevolgd heeft, hoe beter de kwaliteit van zijn werk.
Na deze psychotherapie-opleiding is het vanzelfsprekend noodzakelijk dat men verder regelmatig bijscholing volgt via seminaries, studiedagen, workshops, enz. Verder zal het ook nodig zijn om een gespecialiseerde opleiding te volgen wanneer men frequent te maken heeft met een bepaald cliënten-publiek. Zo vraagt bvb. het werken met incest-slachtoffers niet alleen een basisopleiding in de psychotherapie, maar zal een therapeut efficiënter en degelijker hulp kunnen bieden wanneer hij een bijkomende specialisatie hieromtrent gevolgd heeft.
5. ERVARING.
Zoals in ieder beroep is ook de ervaring die men heeft een bepalende factor die de kwaliteit van de vakman zal bepalen: al smedend wordt men smid.
Iemand met 20 jaar praktijkervaring zal minder dwaasheden begaan dan iemand die er pas aan begint. Dit is een moeilijk punt naar jonge collega's toe: men kan maar ervaring opdoen door te beginnen zonder ervaring.
Tegenover dit gebrek aan ervaring en ‘beroepswijsheid’ heeft de beginnende therapeut het voordeel dat zijn blik meestal nog veel breder is, en hij gemakkelijker zal openstaan voor vernieuwende tendensen.
Een remedie tegen het gebrek aan praktijkervaring is, dat men werkt onder ruime supervisie van een senior-therapeut.
6. SUPERVISIE
Het zesde wiel aan de wagen is supervisie. Ook voor ervaren therapeuten is het goed dat er af en toe iemand over de schouder meekijkt naar wat er in een therapie-sessie of in een therapeutisch proces gebeurt. Zeker als het gaat om een langduriger therapie, verliest men na verloop van tijd de frisheid en de groothoeklens om voor iedere sessie toch voldoende “nieuw” te zijn.
Welke hypothesen volg ik ? Hoe kader ik dit probleem ? Hoe is mijn relatie met deze cliënt ? Is ons contract nog juist ? Waarop lopen we vast ? In welke rol stap ik voor de cliënt ? Gaan we iets uit de weg in deze therapie ? Zijn er tegenoverdrachtsgevoelens die me parten spelen ? Zou ik beter doorverwijzen ?
Het bespreken van dergelijke vragen met collega's kan een frisse wind brengen in een therapie, en beschermt de therapeut tegen burn-out.
Supervisie kan verschillende concrete vormen aannemen: een regelmatige case-bespreking binnen het eigen team, een intervisiegroepje van mensen die vanuit eenzelfde methodiek werken, supervisie van een ervaren therapeut of opleider.
Naarmate men meer supervisie heeft, zal de kwaliteit van het therapeutisch werk stijgen. Of omgekeerd: het gebrek aan supervisie-mogelijkheden zal de kwaliteit van het therapeutisch werk gemakkelijk aantasten. Vooral voor mensen die als solist in een privé-praktijk werken, is dit een belangrijk aandachtspunt.
Een van de voornaamste fouten die gemakkelijk gemaakt wordt bij afwezigheid van corrigerende feedback is, dat men gemakkelijk over zijn eigen grenzen gaat, hetgeen noch voor de therapeut noch voor de cliënt een goede zaak is.
VUISTREGELS VOOR CLIËNTEN
In het voorgaande werden verschillende faktoren besproken die determinerend zullen zijn voor de kwaliteit van een therapeut en het ‘produkt’ dat hij aflevert. Ik wil nogmaals benadrukken dat deze faktoren cumulerend en tegelijkertijd werkzaam zijn, en dat het ontbreken van een element niet kan vergoelijkt worden door een ander extra in de verf te zetten.
Ik realiseer me terdege dat er nog veel onbeantwoorde vragen blijven liggen: hoe kan men deze faktoren standaardiseren tot meetbare criteria ? Wie heeft of krijgt uiteindelijk de zeggenschap om deze criteria vast te stellen ? Hoe kontroleert men die ? Hoe kan een cliënt er informatie over krijgen ? Hoe zal men optreden tegen misbruiken ? ...
De voornaamste vraag die overblijft is deze: welk houvast heeft de cliënt intussen bij het kiezen van een psychotherapeut, nu er in de therapeutenwereld over deze criteria nog geen consensus bestaat ? De cliënt blijft hier in de positie van de spreekwoordelijke blinde die naar een ei tast.
We menen daarom volgende voorlopige vuistregels te mogen geven, die kunnen helpen bij het kiezen van een therapeut.
1. Een ex-cliënt van een therapeut is een goede informant.
Misschien is er een vriend, een kennis, een buurvrouw die tevreden is over de therapie die hij/zij gevolgd heeft.
Natuurlijk zal ook van een degelijke therapeut niet iedereen perfect tevreden zijn, maar niettemin is informatie van ex-cliënten grotendeels betrouwbaar als wegwijzer.
Men kan de vuistregel ook omkeren: een slechte therapeut heeft meer kans om ontevreden cliënten te produceren dan een goeie therapeut.
2. Informeren naar de deskundigheid van de therapeut.
Als kandidaat-cliënt kan men informatie aan de therapeut zelf vragen. Het klinkt misschien wat arrogant, maar het is volkomen terecht om aan een therapeut te vragen welke opleiding hij heeft, hoeveel ervaring hij heeft met de gebruikte metode, of hij samenwerkt met andere collega's, of hij lid is van een beroepsvereniging, enzovoort.
Het is voor de leek echter moeilijk om op deze wijze het kaf van het koren te scheiden.
Bruikbaarder is de informatie die men kan krijgen van collega's van de therapeut-in-spe. Wanneer twee of drie collega's zeggen dat een bepaalde therapeut degelijk werkt, dan is dat behoorlijk betrouwbaar.
Het is wellicht niet zo eenvoudig om als cliënt dit soort informatie in te winnen, maar ze is wel bruikbaar.
3. Vertrouwen in het eigen aanvoelen.
De voorgaande criteria situeren zich bij de therapeut en zijn objectiveerbaar. Bij een eerste gesprek krijgt de cliënt echter ook een subjectieve indruk over zijn nieuwe therapeut, en ook deze indruk levert bruikbare elementen op.
Dit kompas kan echter ook een valkuil zijn. Vanuit zijn impasse, vanuit zijn hunkeren naar hulp, kan de cliënt de realiteit van de therapeut uit het oog verliezen en zich laten misleiden door iemand die, bewust of onbewust, al te gretig inspeelt op de hulpeloosheid.
Niettemin kunnen volgende aspecten van het subjectieve aanvoelen gebruikt worden als indicatie voor de degelijkheid van een therapeut:
* De cliënt heeft bij het eerste gesprek het gevoel dat hij begrepen wordt. Het zou niet goed zijn een therapie te starten met het gevoel dat de therapeut niet begrijpt wat men wil zeggen.
* De therapeut is bereid om informatie te geven over de therapie en over zijn manier van werken.
Therapie is een zoektocht die men samen onderneemt, en als cliënt kan men niet verwachten dat de therapeut van bij het begin de hele route zou beschrijven die men samen zal afleggen. Maar hij moet wel in staat zijn om op een begrijpelijke manier uit te leggen hoe hij werkt en welke metode hij gebruikt.
* De therapeut laat ruimte voor eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.
De therapeut laat de cliënt vrij om te beslissen of hij de therapie al dan niet zal starten. Vanuit zijn meevoelen of begaan-zijn kan hij wel een advies geven, maar hij zal niet proberen iemand in therapie te “trekken”.
Daartegenover zijn er ook negatieve indicaties:
* Het is riskant om scheep te gaan met een therapeut die zich opstelt als degene die al de problemen zal oplossen. Een therapeut die overkomt als een reddersfiguur kan voor een cliënt verleidelijk zijn, zeker voor iemand die al geruime tijd worstelt met moeilijkheden, lijden en verdriet.
Maar als de therapeut zich opstelt als “redder”, is dit eerder een aanduiding van zijn behoefte aan almacht en zingeving, en geenszins een teken van reële competentie.
* Het is riskant om scheep te gaan met een therapeut die irreële perspectieven biedt.
Veranderen is een proces dat tijd vraagt, en stapje voor stapje verloopt. Therapie is geen toverdrank die wordt toegediend, en waardoor alle problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Een therapeut die cliënten voorspiegelt dat de therapie drie gesprekken in beslag zal nemen, is onbetrouwbaar; tenzij wellicht als het zou gaan om problemen met kinderen: een kind dat met problemen worstelt, kan soms geholpen worden met enkele gesprekken. Ook (eenvoudige) communicatieproblemen in een relatie kunnen soms in een paar gesprekken een oplossing vinden.
* Het is riskant om scheep te gaan met een therapeut die een oeverloze beschikbaarheid belooft.
Een therapeut is slechts beschikbaar binnen zijn eigen grenzen; het continu ter beschikking zijn kan alleen gegarandeerd worden door een goed georganiseerde dienst of instelling, en niet door één persoon. Een therapeut die permanente beschikbaarheid belooft, verliest zijn eigen menselijke grenzen en beperkingen uit het oog, en dit is voor de cliënt eerder een gevaar dan een winstpunt.
De discussie is hiermee niet rond, dat is duidelijk. Toch vonden we het de moeite waard om betreffende deze moeilijke maar cruciale vragen onze visie als opleidingsinstituut kenbaar te maken. We wensen ons daarbij niet op te stellen als de dragers en verkondigers van het ene ware geloof, maar als vakmensen die mee zoekend zijn naar meer klaarheid en duidelijkheid.
