Het verhaal van Prometeus
of onbegrensdheid in de hulpverlening
Willy Van Haver
Hulpverleners onderkennen en accepteren vaak te weinig hun eigen grenzen in hun werken met cliënten en probleemsituaties. Om welke redenen geraken ze gemakkelijk in het onbegrensde? En welke gevolgen heeft dit voor cliënten, voor de hulpverlener zelf en voor directies?
Een exploratie met hier en daar een proefje Griekse mythologie.
Ken uw grenzen
Hulpverleners moeten voornamelijk twee dingen leren. A : Ze moeten leren hun mond te houden en luisteren naar diegene die ze cliënt noemen. En B : Ze moeten hun grenzen leren kennen, die zelf respecteren en ook door anderen doen respecteren.
Ik heb het dan niet over grensoverschrijdend gedrag door de hulpverlener, maar over het tekort aan begrenzing van beschikbaarheid en inzet voor de cliënt.
Deze laatste opgave wil ik even scherper bekijken.
Wellicht zal niemand of vrijwel niemand bezwaren maken tegen de stelling dat het respecteren van eigen grenzen belangrijk is.
Ken uw grenzen. En zorg ervoor dat deze geconcretiseerd worden in het contract dat je aangaat met diegene die beroep doet op uw deskundigheid.
Het is de vertaling van het oude en wijze “gnoti seauton”: weet wat je waar kan maken en laat liggen wat daar niet thuishoort.
Ook al onderschrijft iedereen dit credo, toch laat de praktijk vaak iets heel anders zien.
Telkens weer ontmoet ik bij supervisies idealistische therapeuten die wanhopig proberen om hopeloze probeemsituaties weer goed te maken, waarbij ze ’t moeilijk hebben om de grenzen van hun macht, hun kunnen, hun invloed te accepteren.
Hulpverleners trekken nogal eens als heldhaftige ridders op hun witte paarden ten strijde tegen onrecht en uitbuiting. Vaak stort men zich met drie, vier, vijf diensten op een toestand waar geen beterschap te verwachten valt.
Maatschappelijk werkers worden aangesproken of voelen zich geroepen om de meest scheve en chaotische wantoestanden op te lossen.
Waar nu depressie heerst, willen therapeuten weer ademruimte en levensvreugde brengen. Relatietherapeuten proberen vuur te krijgen in verkilde en gestolde relaties om de onvermijdelijke breuk te voorkomen. Diensten prijzen in hun folders zichzelf aan als de ultieme hulp waardoor het leven weer goed kan worden. Niets is te heet of te zwaar. “Wij zijn er dag en nacht om u te helpen. Een telefoontje volstaat. Ons devies is : hulpverlening op maat !“ (letterlijk citaat uit een folder).
De hulpverleners op de werkvloer praten wel anders.
Ze hadden zich wel iets anders voorgesteld toen ze de hogeschool of universiteit verlieten. Zij wilden zich inzetten voor een betere wereld. Telkens weer worden zij geconfronteerd met de discrepantie tussen wat ze kunnen en wat ze “zouden moeten kunnen”, hetgeen regelmatig leidt tot gevoelens van onmacht, tekortschieten, burn-out, depressie.
Therapeuten worden hun zagende cliënten beu.
Dokters dreigen te verzuipen in bandwerk; verpleegkundigen worden onwillekeurig meegezogen in een ritme waar voor menselijke gevoelens vrijwel geen plaats is.
Wie jarenlang over zijn grenzen probeert te gaan, moet wel door zijn knieën zakken.
Let wel: ik veralgemeen het niet tot alle hulpverleners, alle therapeuten, dokters, verpleegkundigen. Ik heb het over hulpverleners die in de gevarenzone van het grenzeloze opereren.
Waarom het moeilijk is om beperkingen te aanvaarden
Hoe komt het dat heel wat hulpverleners het zo moeilijk hebben om binnen de begrenzing van hun beperktheid te blijven? Waarom laten ze zich toch telkens weer opzadelen met onmogelijke opdrachten? Waarom geraken ze opnieuw en opnieuw gevangen in de gevaarlijke stroming van irreële doelstellingen?
Ik meen vier bronnen te zien waardoor onbegrensdheid binnensluipt in dit prachtig en nobel beroep.
Bron 1 : maatschappelijke druk en de roep om helden
Vooreerst is er het maatschappelijk lijden en de collectieve druk die de hulpverlener uitdagen en stimuleren tot het innemen van de heldpositie.
Telkens als er lijden is, ontstaat er een polarisatie tussen diegene die lijdt en diegene die het slachtoffer uit zijn lijden wil verlossen. Wanneer een gemeenschap lijdt, duiken gegarandeerd de verlossende helden op.
Een mythologische illustratie:
In het oude Griekenland was Athene op bepaald moment schatplichtig aan Minos, de koning van Kreta. Ieder jaar moest de stad 10 jongelingen en 10 maagden leveren die gevoed werden aan de Minotauros, het gruwelijk wangedrocht, half mens half stier, dat het product was van een seksueel avontuur dat de koningin gehad had met een mooie stier. Dit gedrocht leefde in het befaamde labyrint en verorberde telkens een portie jonge mannen en meisjes.
De Atheense bevolking leed onder dit juk. Ieder jaar weer riskeerde je dat de koning een van je kinderen zou opeisen om als dierenvoer naar Kreta te sturen. Tot Peleus, de zoon van de koning, zich opofferde en als een van de tien jongelingen naar de Minotauros trok. Hij versloeg het wrede beest en geraakte met de hulp van Ariadne’s koord weer levend uit het labyrint. Vanaf dan werd hij door de Atheners als een grote held gehuldigd.
Telkens er miserie heerst zie je de onverschrokken held op de scène verschijnen. Jung beschreef dit als een archetype (Jung,1987).
Hulpverleners dreigen zich telkens weer door dit zuigend vacuüm te laten verleiden. Ze rekenen het tot hun taak om meer leven te brengen in het dagelijks bestaan van hun cliënt die overgeleverd is aan de wrede willekeur van het noodlot dat hem alleen met miserie, kwel en kommer bejegent.
Ze voelen zich geroepen om het tij te doen keren en de kwaliteit van leven voor hun cliënt te verbeteren. Kan er een nobeler en lovenswaardiger opdracht bestaan! Alleen devote priesters die de ziel zelve naar de hemel moeten loodsen, steken hen de loef af. Of biddende Clarissen die al eeuwen lang volhardend bij hun God om de wereldvrede smeken.
Laat het duidelijk wezen dat ik veel respect heb voor devote priesters en biddende Clarissen. Maar grenzen zijn grenzen ook al is het een godheid zelve die de koning is in het schaakspel.
Maar al te vaak raken therapeuten of hulpverleners in een te omnipotente positie t.o.v. de cliënt of diens precaire situatie en meten ze zichzelf te veel macht of invloed toe.
Wie verlost ons van jeugdcriminaliteit, van voetbalagressie, van pedofielen en verkrachters, van uitzichtloosheid en eenzaamheid, depressie en zelfmoord ?
Het is moeilijk om niet verleid te worden tot de heldpositie wanneer de gemeenschap smeekt en schreeuwt om een oplossing en de politiekers met geld zwaaien.
De hulpverlening hapt dan al te makkelijk toe; een “convenant” noemt men dat, een staaltje van politieke verleidingskunst.
Wanneer de burger verontwaardigd reageert op maatschappelijke wantoestanden heeft de politieker nu een joker achter de hand: de hulpverleners werken eraan!
Wij lossen het probleem van seksueel misbruik wel op. Kindermishandeling bestaat straks niet meer. We hebben zelfs daderhulp, inclusief voor pedofielen. Pesten behoort straks tot het verleden en ook seksueel gefoefel op het werk wordt een zeldzaamheid.
Pesters, verkrachters, en dies meer : stuur maar door, de hulpverlening staat klaar. Gewapend met wetenschappelijk bewezen protocollen gaan wij het onrecht te lijf.
Prietpraat, verpakt als wetenschap, waarin de ziel de mond wordt gesnoerd in tweemaal vijf sessies wanneer ze weemoedig is en in vijf gesprekken na verkrachting.
Een variante op dit thema van de held is de verleiding voor de hulpverlener om beter te willen zijn dan de collega’s.
Cliënt : “Ik heb al verschillende therapeuten versleten, maar telkens loop ik vast. Ik heb jouw boek gelezen en denk dat dit voor mij de uitkomst is.”
Natuurlijk streelt het je narcisme. Natuurlijk zijn er gradaties in vakbekwaamheid en ervaring. Natuurlijk is de ene methodiek voor een bepaalde problematiek meer efficiënt dan een andere.
Maar de kans is groot dat je de volgende in de rij wordt die beproefd en niet goed genoeg bevonden wordt en dat het vastlopen van het therapeutisch proces weinig te maken heeft met de therapeut maar wel met de eigenheid van de problematiek van de cliënt.
De eigen ijdelheid van de hulpverlener kan hier de valkuil worden waardoor men ongewild toch in een te onbegrensde of zelfs omnipotente positie komt: “Mij lukt het wel!”
Bron 2 : jong geleerd…
Een tweede bron waardoor hulpverleners in een te verantwoordelijke positie komen en over hun grenzen gaan is te vinden in de parallel met de positie waarin ze als kind zaten in hun gezin van oorsprong. In de eigen levensgeschiedenis van hulpverleners zie je vaak hoe zij in hun gezin de functie hadden van verzoener, beschermer, buffer, diegene die het zonnetje in huis brengt, toeverlaat van hun vader of moeder, diegene die al het mogelijke doet om de vrede en de rust in huis te bewaren, diegene die moet voorkomen dat het geweld weer escaleert, enz.
Hulpverleners zijn vaak van jongsaf getraind om die positie in te nemen. Als kind hebben ze geleerd dat ze maar een plaats hebben in het gezin, ja zelfs dat ze maar bestaansrecht hebben wanneer ze moeder beschermen, zorgen voor een jongere zus, maken dat er geen ruzies ontstaan, etc.
Deze vertrouwde positie van “zorgen voor” kristalliseert zich later in het beroep van “zorgverlener” waarvoor men kiest. Vanuit het “drama van het begaafde kind” kozen zij vaak het hulpverleningsvak en zetten daarbij het ideaal voort van de wereld die van hen afhangt (Ruthgeerts,2002). Jong geleerd is oud gedaan.
Het gevaar dat op de loer ligt, is dat men zo getraind is in het innemen van een bovenpositie in de interactieroos van T. Leary, dat er een automatisme is om in relaties steeds weer deze positie in te nemen.
Op zich niet bezwaarlijk. Ware het niet dat het gebruik van een bepaalde positie in een interactie ook consequenties heeft en determinerend kan zijn voor de persoon aan de andere kant van de tafel. Het opnemen van de bovenpositie, ook al is dat “zorgen”, “helpen”, “raad geven”, enz., duwt de andere partij gemakkelijk in de benedenpositie: diegene die hulpeloos is, die niet weet, die niet kan, enz. (Leary,1957). Het probleem is dan eigenlijk dat er een onjuiste polarisatie ontstaat tussen de machtspositie en de onmachtspositie, tussen hulpverlener en cliënt.
Het gevaar is groot dat de benedenpositie van de cliënt die zichzelf als onmachtig en hulpeloos beleeft nog meer bestendigd wordt. De fundamentele vraag in hulpverlening is niet: ”hoe kan de sterke voor de zwakke zorgen?” maar: ”hoe kan je de zwakke sterker maken?” Dit vertoeven in de onmachtspositie is voor veel hulpverleners een vrij ondraaglijke positie.
Mia Leijssen benadrukt terecht dat bijvoorbeeld een psychotherapeut en cliënt moeten leren om in het therapeutisch proces plaats te laten voor onzekerheid, nog niet kunnen benoemen, het gevoel hebben dat men geen controle heeft en kwetsbaar zijn (Leijssen, 1998).
Het is niet bezwaarlijk dat men iets waar men bedreven in is ook tot zijn professie maakt. Maar het gevaar is dat de beroepskeuze en de invulling die men aan zijn beroep probeert te geven een voortzetting is van een hopeloos gevecht.
“Als ik mijn best doe, als ik goed voor moeder zorg, als ik braaf ben …. wordt het misschien ooit beter”.
Alice Miller heeft ons in “het drama van het begaafde kind” duidelijk gemaakt hoe al deze rollen een overlevingsstrategie zijn om als kind het hoofd boven water te houden in moeilijke, wrange, soms penibele levensomstandigheden (Miller,1979). Vechten tegen het uitzichtloze is een strategie om de pijn niet te voelen. Het uitzichtloze werkt zuigend op de hulpverlener omdat hij op die manier zijn kinderlijk gevecht kan verder zetten (Janov,1980).
Een variante op dit thema is dat men als kind oningevulde ouderfuncties op zich genomen heeft en dat men als hulpverlener deze irreële ouderrol verder zet tegenover zijn cliënten. Telkens wanneer in een gezin een ouderlijke functie niet ingevuld wordt door de ouders zal het kind de neiging hebben om deze leemte op te vullen en zelf een beetje vadertje of moedertje te worden (Van Haver, Pesso, 1990).
“Mijn moeder is gestorven toen ik acht jaar was. Ik was de oudste van vier dochters en vanaf dan heb ik de zorg voor mijn jongere zussen op mij genomen.”
Cliënte, een verpleegster, worstelt met het probleem dat ze nu op haar vijftigste door iedereen overvraagd wordt, moeilijk “neen” kan zeggen en dus nooit tijd voor haarzelf heeft.
Het is het bijna cliché filmbeeld van de vader die naar de oorlog trekt, zijn geweer aan de oudste zoon geeft met de boodschap: “Zorg goed voor je moeder, je broers en je zussen”. Het lijkt wel alsof hulpverleners ooit een rol op zich genomen hebben en deze maar niet kunnen afleggen. “Het valt niet mee om de “levenslange troon” te verlaten” (Van Attekum,1997)
Bron 3 : eigen wonden likken
Een derde reden waardoor hulpverleners in grenzeloos zorgen verdwaald geraken, heeft te maken met hun eigen gemis, hun eigen kwetsuren. Miriam Van Gael belichtte in haar artikel “Is de psychotherapeut vrij van herinnering en verlangen?” dat de kans vrij groot is dat de hulpverlener in zijn zorgend bezig zijn met de cliënt, in feite ook bezig is, als een soort secundair gewin, met het likken van zijn eigen wonden. Door zijn tijd te besteden aan de pijn, de gekwetstheid, de oningevulde verlangens, de eenzaamheid, de hopeloosheid, enz. van de cliënt kan de hulpverlener op een indirecte, maar legale manier bezig zijn met eigen pijn, eigen gekwetstheid, eigen oningevulde verlangens, enz. (Van Gael,2000).
Het is als de kok die tussendoor mee snoept van de lekkere gerechten die hij voor zijn klanten klaarmaakt.
Het gevaar is dat de cliënt onbewust en ongewild gestuurd wordt naar aandachtsvelden die niet direct de zijne zijn, maar die meer beantwoorden aan onbewuste thema’s uit het eigen leven van de hulpverstrekker.
Via de zorgende positie die hij inneemt voor de cliënt, is de hulpverlener dan bezig met het zalven van eigen kwetsuren.
De tragedie is dat het perpetuum mobile op die manier nooit gestopt wordt. Door eigen thema’s in het werken met de cliënt te projecteren en daar al zijn zorg aan te besteden, kan men wel de eigen pijn afhouden, maar wordt de kwetsuur nooit geheeld. De zorger heeft het zorgen voor de cliënt dan nodig als buffer tegen zijn eigen weggemoffelde oude pijn; een pantser dat in deze vorm eindeloos en grenzeloos is.
Bron 4 : zorgen als onbegrensd instinct
Een vierde oorzaak van grenzeloosheid in hulpverlening zie ik in de aard van het zorgen zelve.
“Zorgen voor” is een instinct. Net zoals het instinct om een rivaal met alle mogelijke middelen te verdrijven, of het instinct om in de bronstijd alle vrouwtjes te bespringen, of als loopse vrouw eender welke vent te versieren (met een korreltje zout natuurlijk).
Het is geen aangeleerd gedrag maar een instinct dat een moeder voor haar baby wil zorgen, dat een ouder zijn kind wil beschermen,dat een oude man voor zijn dementerende partner blijft zorgen, dat sommigen zelfs zo ver gaan om hun eigen leven op te offeren voor het welzijn van anderen.
In een menselijke samenleving vraagt ieder instinct om begrenzing. Binnen maatschappelijk aanvaardbare grenzen mag instinctief gedrag aan bod komen en een antwoord zoeken. Op die manier wordt een instinct een positieve en bruikbare drijfkracht;zonder zou het leven een saaie bedoening worden.
Pubers leren hun weg vinden in afgebakende vrijheid.
Peuters zetten hun eerste stappen in aanwezigheid van een zich wat terughoudende moeder die haar angst dat haar klein wicht zal vallen, een beetje kan intomen.
Vrouwen genieten van goed gedoseerd mannelijk werfgedrag.
Begrenzing is de hoeksteen van maatschappelijke opbouw en menselijkheid.
Mijn vrijheid wordt begrensd door de vrijheid van de ander.
Dit geldt ook voor “zorgen voor”.
Grenzeloos zorgen beperkt de vrijheid van de ander, wordt betuttelend,beklemmend en finaal zelfs destructief.
Vaak realiseert men zich al te weinig dat grenzeloos zorgen destructief is en dus slechte hulpverlening is. Directies of supervisors zouden hulpverleners op hun vingers moeten tikken omdat ze de grenzen van het haalbare niet respecteren.
Gewoonlijk is het andersom: de grenzeloze helper wordt geprezen en gewaardeerd om zijn inzet, zijn engagement en zijn groothartige liefde voor het vak.
En omgekeerd: de hulpverlener die grenzen trekt, die de grenzen van zijn kunnen aangeeft, wordt nogal eens bekeken als egocentrisch, te koel en te afstandelijk, ja zelfs als harteloos.
In verpleegkunde bijvoorbeeld geldt nog al te vaak het devies: ”Dit vak is een roeping!”. Of anders gezegd: ”Hier is grenzeloosheid troef!”
Gevolgen van onbegrensdheid
voor de cliënt
Welke gevolgen heeft zo’n slecht gedoseerde en te weinig begrensde zorgverlening?
Kort en bondig: het is nadelig voor alle betrokken partijen: cliënt, hulpverlener en directie.
Eerst de cliënt.
Op het eerste zicht kan de cliënt niets beter wensen dan een hulpverlener die voor hem of haar al het mogelijke en onmogelijke zal doen om hem/haar uit het slop te helpen; die dat vanzelfsprekend vindt en dat met graagte doet.
Wanneer ik naar de kinesitherapeut ga, hoop ik dat hij mijn rugklachten oplost met wat massage, een warm modderpak en nog wat magische ultrason-behandeling. Regelmatig oefeningen doen, mijn levensstijl wat aanpassen en bovendien nog wat sporten of regelmatig bewegen, klinkt al veel minder paradijselijk. De gemakkelijkste weg is doorgaans ipso facto de meest aantrekkelijke. Maar… wanneer het zorgaanbod van de hulpverlener te onbegrensd is, dreigt de werkrelatie tussen cliënt en hulpverlener op zijn kop te gaan staan. Het gevaar is dat de verantwoordelijkheid en dus ook de motor om het probleem op te lossen of uit de impasse te geraken bij de hulpverlener komt te liggen in plaats van bij de cliënt. De cliënt zal maar veranderen, de beklemmende situatie waarin hij zit zal maar een andere wending nemen omdat de cliënt zelf zijn beschikbare energie aanspreekt en stappen onderneemt om iets te veranderen.
Han Sarolea, een van de nestors van de Pesso-psychotherapie in Nederland, waarschuwde jonge therapeuten vanuit haar jarenlange ervaring voor de veronderstelling dat verandering bij hun cliënten door henzelf van buitenaf moet worden aangebracht.
“Dit idee doet snel een onderwaardering ontstaan van de waarde van wat in de cliënt al gewoon aanwezig is.”(Sommeling,2002).
De oplossing van het probleem ligt bij de cliënt zelf, niet bij de hulpverlener. De hulpverlener is er om dit zoekproces, deze pogingen van de cliënt te begeleiden en een werkmiddel aan te bieden waardoor de efficiëntie van het werken verhoogt. De rollen worden omgekeerd wanneer de hulpverlener voorop gaat en de cliënt volgt. De drijvende kracht moet van de cliënt komen. Mensen veranderen omdat ze moeite doen om te veranderen. De rest is loterij: als je geluk hebt, wordt het vanzelf wel beter.
We moeten ons daarbij realiseren dat mensen vaak niet te veel moeite willen doen om te veranderen of om een situatie op een ander spoor te krijgen. Ze willen van de last, de zorg, de narigheid verlost worden. Maar veranderen is nog iets anders. Fabrikanten van medicijnen zijn hen daar dankbaar voor; hun winsten zijn gevrijwaard.
In dit proces, tegenover deze uitdaging voor de cliënt, moet de hulpverlener voldoende aan de zijlijn leren staan. Dit is niet simpel, omdat er zoals we eerder aangaven, allerlei krachten en motieven zijn die de hulpverlener wegzuigen van deze kantlijnpositie.
Ik kom terug op de aangehaalde mythe van Peleus die de Minotauros moest verslaan.
In een eerder artikel over “contract in psychotherapie” gaf ik extensief aan hoe het de opdracht van de cliënt is om zoals de held Peleus zijn weg te zoeken in het gevaarlijk labyrint waar het monster zich schuilhoudt. In deze mythe overleeft Peleus dit avontuur omdat hij van zijn geliefde Ariadne die aan de ingang van het labyrint bleef wachten de welbekende draad meekreeg. Hij is de held in zijn verhaal, maar dank zij haar hulp vindt hij zijn weg terug naar de realiteit (Van Haver, 2000).
Het is als hulpverlener soms niet gemakkelijk om zoals Ariadne op je post buiten te blijven terwijl je binnen je cliënt allerlei hulpkreten hoort slaken in zijn gevecht met de monsters in zijn leven. Maar wanneer Ariadne naar binnen zou gelopen zijn om haar geliefde bij te staan en te redden, zou ook de levensnoodzakelijke draad verloren gegaan zijn.
Hulpverleners die grenzeloos bezig zijn, zijn een slechte zaak voor de cliënt omdat ze het houvast van de begrenzende structuur verwaarlozen en finaal dus juist te weinig houvast bieden. Soms is het beter dat de cliënt voelt dat het water erg hoog staat dan met man en macht te beginnen pompen.
De vraag is niet: ”Hoe los je dit probleem op?” maar: ”Hoe krijg je de cliënt in gang om dingen aan te pakken en te veranderen?”.
Gevolgen van onbegrensdheid
voor de hulpverlener
Slecht gedoseerde, te weinig begrensde hulpverlening is ook voor de hulpverlener nadelig. Het leven dicteert zijn wetmatigheden en wie daar een loopje mee neemt, wordt op een of andere manier beboet.
Een van die, weliswaar niet wiskundige, wetmatigheden is de balans tussen geven en krijgen (Buelens,Vermeiren,1999).
De te onbegrensde hulpverlener verwaarloost deze balans, waarbij geven te sterk gaat doorwegen. Wie teveel moet geven en zelf te weinig krijgt, geraakt leeggezogen.
Omdat men te weinig kan accepteren dat er grenzen zijn aan wat men vanuit de hulpverlenerpositie vermag te doen, legt de hulpverlener de lat voor zichzelf te hoog. In iedere therapiesessie zou men op het scherp van de snee moeten zitten en op het juiste moment de juiste interventie plaatsen. Voor iedere schrijnende situatie zou men een leefbare oplossing moeten kunnen vinden. Men moet maar voldoende stressbestendig zijn om in een constante overdruk toch nog degelijk werk te blijven verrichten.
Bij supervisies zie ik in een toenemende mate hoe hulpverleners platgewalst worden door het devies “het moet vooruitgaan” en hun ademruimte verliezen om respectvol bezig te zijn met het moeizame en kwetsbare waarvoor de cliënt hulp zoekt.
Het gevolg is onvermijdelijk frustratie: wat men wil, lukt niet; men kan niet voldoen aan de te hoge eis die men aan zichzelf stelt (Horton,Varma,1997).
Het verlies van zelfwaardegevoel duikt dan op: ”Ik kan het niet, ik leer het nooit, ik ben niet geschikt voor deze job”. De zelfwaarde van het individu wordt ondermijnd omdat de illusie dat anderen dit wel kunnen in stand gehouden wordt.
De zingeving van wat men aan het doen is, wordt aangetast: ”Ik misluk in mijn opdracht; de cliënt schiet niet veel op met wat ik (maar)doe”.
In Pesso-psychotherapie gaan we uit van het volgend processchema: er is levensenergie, vitaliteit, het individu zet zijn energie om in actie, in daden en het product van dit proces is: plezier, lust, tevredenheid, verbondenheid en zingeving (Pesso,1991).
De onbegrensde hulpverlener die de lat voor zichzelf te hoog legt of toelaat dat anderen die lat voor hem te hoog leggen, haalt geen plezier of tevredenheid meer uit zijn werk. De investering van zijn energie in zijn werk resulteert dus ook niet meer in zingeving. Defaitisme, depressie, uitgeblustheid, aversie voor cliënten, psychosomatisch ongemak, gedesillusioneerd zijn, sarcasme, enz. installeren zich.
Terug naar een stukje Griekse mythologie. Toen de goden de wereld bevolkt hadden met alles wat leeft, had ieder schepsel iets meegekregen dat hem sierde of dat hem zou beschermen: snelheid om op de vlucht te slaan wanneer gevaar dreigt, scherpe klauwen of een snavel om zich te verdedigen, mooie kleuren om te paraderen en te lokken, doffe kleuren om zich te verbergen, ….
Alleen de mens - wie verwacht iets anders - was buiten de prijzen gevallen en bleef over in zijn kwetsbare naaktheid. Toen Prometeus, een van de ondergeschikte goden, dit zag, kreeg hij medelijden met de onderbedeelde mens. Hij stal het goddelijk vuur uit de smederij van Hephaistos en bracht dat naar de mens zodat ook hij een middel had om zich te beschermen, zich te verwarmen en later allerlei tuig te maken. Maar toen Zeus, de grote baas op de Olympos, dat merkte, werd hij woest omdat Prometeus zijn goddelijk gezag met de voeten had getreden. Een erg pijnlijke straf volgde. Prometeus werd vastgeketend aan een berg in de Kaukasus en iedere dag kwam er een adelaar die de lever van de geketende Prometeus oppikte. ’s Nachts groeide de lever weer aan, maar de volgende ochtend was hij opnieuw de prooi van deze hongerige roofvogel (Roberts,1990). De les is duidelijk: wie een goddelijke wetmatigheid overtreedt, zal daar zwaar voor boeten.
Hulpverleners die zich te veel geroepen voelen om opnieuw vuur te brengen in het leven van hun onderbedeelde cliënten staat een zware boete te wachten. Ze moeten het bekopen met hun eigen vitaliteit, in de mythe gesymboliseerd door de lever die telkens opgepikt wordt.
Een van de aspecten waardoor de balans tussen geven en krijgen onevenwichtig kan zijn, is omdat er in de hulpverlening doorgaans te weinig ruimte gemaakt wordt voor bijscholing en supervisie.
Bijscholingsprogramma’s en regelmatige supervisie zijn geen luxe maar een noodzakelijke voedingsbron die een tegengewicht moeten vormen voor de positie van constant geven en zorgen waarin de hulpverlener zit.
Regelmatig kom ik mensen tegen die de laatste vijf jaar niets van bijscholing of professionele opfrissing gehad hebben. Een richtnorm van een tweetal bijscholingsdagen per jaar lijkt mij beslist een minimum.
Gevolgen van onbegrensdheid
voor directie
Tenslotte is het niet respecteren van beperkende grenzen in de hulpverlening ook nadelig, soms zelfs nefast, voor de directie of diegene die verantwoordelijkheid draagt voor het functioneren van een dienst of een team.
Modern management leert ons dat er bij het leiden van een team niet alleen moet gekeken worden naar de prestaties van de medewerkers, maar dat de sfeer die binnen het team heerst mede bepalend zal zijn voor productiviteit\samenwerking\efficiëntie en finaal ook voor tevredenheid van de klant. Moderne bedrijven gebruiken allerlei hupmiddelen om ervoor te zorgen dat er binnen het bedrijf een constructieve sfeer heerst. Voor het gemak van de medewerkers heeft het bedrijf een eigen kinderopvang, eigen fitness, enz., en profiteren de werknemers voor een deel mee van de gemaakte winst. Enthousiasme en engagement kan men niet afdwingen, maar is het resultaat van een goed uitgebalanceerd samenwerkingsverband tussen directie en medewerkers. Medewerkers die te vaak over hun grenzen moeten gaan of in de grenzeloze behoeften van de cliënt meegezogen worden, raken gestresseerd en gaan zich wapenen tegen dit “te veel”. Daardoor wordt de sfeer binnen het team in mineur, je hoort meer zagen en klagen dan enthousiasme of tevredenheid, de communicatie begint spaak te lopen, mensen haken af of zoeken wat anders, er is een te groot personeelsverloop waardoor men telkens weer opnieuw moet beginnen en een constructieve sfeer is ver te zoeken.
Een goede medewerker is een tevreden medewerker.
De moeilijkheid voor de teamverantwoordelijke of directie in de hulpverlening zal vaak zijn dat men in een positie tussen aambeeld en hamer terecht komt.
Enerzijds wil men als teamleider of directie een positief werkklimaat scheppen waarin mensen met graagte hun job kunnen doen.
Anderzijds is er de druk van de opdrachtgever, meestal de overheid, die een dienst bestaansrecht en dus ook financiële middelen geeft op voorwaarde dat de dienst beantwoordt aan een bepaalde maatschappelijke nood. Hier is op zich niets mis mee. Maar het probleem is dat de opdrachtgever vaak iemand is die politieke verantwoordelijkheid draagt en die leek is op vlak van mogelijkheden en beperkingen van een specifieke hulpverleningsvorm of -methodiek.
De minister van volksgezondheid runt de centra voor geestelijke gezondheidszorg, maar heeft er geen benul van wat de mogelijkheden en grenzen zijn van een of andere vorm van psychotherapie. Toch bepaalt hij/zij de middelen die voor deze hulpverlening voorzien worden en omschrijft hij of zij ook de concrete invulling van de opdracht van deze centra.
Deze invulling zal vaak te weinig rekening houden met de grenzen die er zijn van wat wel kan en niet kan in deze hulpverleningssetting. Het resultaat is dat directie terecht komt tussen twee partijen, opdrachtgever en uitvoerder, die tegengestelde belangen hebben; een weinig benijdenswaardige positie die eigenlijk een gevolg is van een te grenzeloze invulling van de hulpverleningsopdracht van die dienst door de betrokken overheid.
Signalen van onbegrensdheid: enkele voorbeelden
* Je overschrijdt regelmatig de voorziene tijd; je kan een gesprek niet tijdig afronden.
* Je laat regelmatig koffiepauzes of rustmomenten voorbijgaan.
* Je neemt meer dan uitzonderlijk werk mee naar huis.
* Je laat toe dat cliënt je contacteert in je privé-tijd: ’s avonds, in het weekend, tijdens verlof.
* Je zegt ongefilterd ja op alle vragen naar hulp, therapie of begeleiding.
* Je stelt geen maximum aantal cliënten die je kan begeleiden of je zit geregeld boven dit aantal.
* Je bent een hele werkdag alleen maar bezig met begeleidingen of cliënten.
* Je voelt je verantwoordelijk en schuldig voor het feit dat de cliënt geen vooruitgang maakt of een probleem niet opgelost raakt.
* Je denkt dat je wel in orde krijgt wat andere hulpverleners niet kunnen.
* Je laat je te veel bepalen door allerlei voorwaarden die de cliënt stelt.
* Je laat te vaak toe dat de cliënt gemaakte afspraken niet nakomt of afspraken telkens weer verandert.
* Je schiet te gemakkelijk in gang om allerlei proberen te regelen bij een vraag van de cliënt.
* Je hebt te weinig tijd voor bijscholing, supervisie, overleg, vakliteratuur bijhouden, enz.
* Je laat de cliënt bij jou thuis komen.
* Je laat cliënten binnen in je privé-wereld.
* Bij een doorverwijzing accepteer je dat een cliënt toch steeds weer op jou beroep blijft doen.
* Je voelt je chronisch overbelast door cliënten of opdrachten.
* Je hebt chronisch tegenzin tegen opdrachten of gesprekken met cliënten.
* Je enthousiasme voor waar je mee bezig bent is ver te zoeken.
* Je hebt te weinig de mogelijkheid om te overleggen over dingen waaraan je twijfelt, eigen vragen, eigen onzekerheid.
* Er is te weinig toeverlaat waar je terecht kunt met je eigen emoties of de lading waarmee je blijft zitten.
* Hoeveel onmogelijke opdrachten probeer jij te klaren?
* Je doet te veel of te lang belangrijke, belastende opdrachten of taken in een eenmanspositie.
* Je voelt je regelmatig overbelast. Het is allemaal te veel; je komt niet meer tot rust. Je loopt op je tippen. Depressie.
* Je compenseert door eten, drinken, roken, snoepen ...
* Ook tijdens de vakantie klaart de hemel niet uit en blijft de werkwolk hangen.
* Je loopt te prikkelbaar, te gespannen, en je reageert dat onredelijk af op je partner, collega's, vrienden, kinderen, in het verkeer, op de hond ...
Grenzen respecteren en geëngageerd zijn
Dit is geen pleidooi voor een krachteloze hulpverlener, type zachtgekookt eitje.
De hulpverlening is geen toeverlaat voor doetjes die in de harde commerciële wereld hun mannetje niet kunnen staan.
Dit is geen pleidooi voor een houding van “ Ik stond erbij en ik keek ernaar” of voor een gelaten defaitisme.
Dit is geen pleidooi voor rigiditeit of ouderwetse ambtenaarachtige starheid: “Sorry maar ’t is vijf uur!”.
Dit is geen beamen dat de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn en dat verandering illusie is.
Als hulpverlener moet je soms mee op de barricades staan en riskeren dat je je vingers of andere lichaamsdelen verbrandt.
Zo is het bijvoorbeeld de opdracht van de psychotherapeut om het masker van het onechte zelf te doorprikken en op die manier een ontmoeting met het naakte en miskende echte zelf mogelijk te maken.
Dit vraagt respect voor de cliënt, ook voor zijn weerstanden, zijn ontsnappingspogingen, zijn afleidingsmanoeuvres. Maar dit vraagt ook doortastendheid, kordaatheid en doorzicht in de camouflagetechnieken die het echte zelf verdoezelen en in de weg staan.
Een te softe psychotherapeut is een slechte heelmeester die mensen te veel in de vertwijfeling laat.
Dit is geen pleidooi voor softheid.
Dit is een pleidooi voor hulpverleners die hun grenzen kennen en die genoeg zelfzorg hebben om die ook te doen respecteren.
De dagelijkse praktijk heeft mij het belang daarvan geleerd.
- Horton I.,Vorma V.(1997): ”The needs of counselors and psychotherapists”. Sage Publications, London
- Janov A.(1980): ”Prisoners of pain”. Anchor Press, New York
-Jung C.G.(1987): ”De held en het moederarchetype”. Uitg. Lemniscaat, Rotterdam, verzameld werk, deel 8
- Leary T.(1957): ”Interpersonal diagnosis of personality”. Ronald Press Company, New York
- Leijssen M.(1998): ”Focusing Microprocesses”. In :Greenberg L.S.,Watson J.C.,Lietaer G.: ”Handbook of experiential psychotherapy”. Guilford Press, New York,p.121-154
- Miller A.(1979): ”Het drama van het begaafde kind”. Uitg.Wereldvenster, Weesp
- Pesso A.(1991): ”Ego development in the possibility sphere”. In: Pesso A.,Crandell J.: ”Moving Psychotherapy. Theory and application of Pesso System/psychomotor therapy. Brookline Books, Brookline, p.51-58
- Roberts M.J.(1990): ”Klassieke goden, godinnen en helden”. Uitg.Atrium, Alphen a/d Rijn
- Rutgeerts D.(2002): ”Begrenzing bij vroege tekorten:wegwijzers en valkuilen”. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, Nederland, jrg.18,nr.1,p.5-23
- Sommeling L.(2002): ”Over doel en de reikwijdte van (Pesso-)psychotherapie”. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, Nederland,jrg.18,nr.1,p.24-31
- Van Attekum M.(1997):”Aan den lijve. Lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Swets & Zeitlinger,Lisse
- Van Gael M.(2000): ”Is de psychotherapeut vrij van herkenning en verlangen?” Tijdschrift Klinische Psychologie, Acco, Leuven, jrg.30,nr.1,p.4-12
- Van Haver W., Pesso A. (1990): ”Het gekwetste zelf. Pesso-psychotherapie als terugweg naar zichzelf”. Acco,Leuven
- Van Haver W.(2000): ”Het contract in psychotherapie. Een visie vanuit Pesso-psychotherapie”. Kern, Sint-Niklaas, tekst opleiding Pesso-therapie.