HOME KERN | SEMINARIES EN STUDIEDAGEN | KORTE TRAININGEN | JAARTRAININGEN |
| OPLEIDINGEN PSYCHOTHERAPIE | THERAPEUTISCHE PROGRAMMA'S |
| ALBABETISCH OVERZICHT PROGRAMMA'S | OVERZICHT ARTIKELS |
TUSSEN DADER EN SLACHTOFFER - VISIE VAN EEN TRAUMATHERAPEUT
Bie Heyse, klinisch psychologe
Dit artikel verscheen eerder in de
Jubileumbrochure van de Leerprojecten voor daders van seksueel geweld.
Meersstraat 138B - 9000 Gent
09 - 221 07 22
ldsg@pandora.be
Inleiding
In 1995 gingen de leerprojecten voor daders van start. De reacties van centra en hulpverleners die voornamelijk met slachtoffers van seksueel geweld werkten, waren gemengd.
De meesten deden hun best om tenminste op rationeel niveau te erkennen dat dit een goede zaak was. Daderhulp met een sterke nadruk op terugvalpreventie - daar kon niemand tegen zijn. Slachtoffers voorkomen is beter dan genezen.
Vanuit de buik waren de reacties enigszins anders. Overbevraagde therapeuten die al jaren geconfronteerd werden met beperkte middelen, lange wachtlijsten en hoge werkdruk, moesten opeens vaststellen dat er voor daderhulp wél geld beschikbaar was. Bovendien leek het allemaal zo makkelijk. De nieuw aangestelde daderhelpers zouden comfortabel zitten wachten op klanten en intussen een beetje bijlezen. De plegers zelf moesten niet op zoek naar een therapeut, niet op een wachtlijst - ze moesten zelfs niet betalen. Terwijl slachtoffers intussen de keuze hadden tussen nog een jaartje wachten op betaalbare hulp in een gesubsidieerd centrum of zich het brood uit de mond sparen en bij een privé-therapeut gaan aankloppen.
De dadertherapeuten zaten - begrijpelijk - wat verveeld met dit soort emotionele tegenwerpingen en kwamen in hun commentaar niet veel verder dan "Dat is allemaal wel waar, maar wij kunnen er ook niks aan doen". Binnen heel deze context klonk ook het argument "het is een maatschappelijke erkenning voor het leed van de slachtoffers" als een ingenieuze goedprater. De slachtofferhulp in de slachtofferrol, de daderhulp in de daderrol…
Intussen zijn de emotionele stormen geluwd, maar de polarisatie wordt in stand gehouden en versterkt door het expliciet opsplitsen van de hulpverlening. Traditioneel behandelden de CGSO's (later geïntegreerd in de Centra Algemeen Welzijnswerk) zowel slachtoffers van seksueel geweld als de enkele exhibitionist, pornoverslaafde of pedofiel die zich vrijwillig (of onder lichte druk na een aanvaring met de politie) aanmeldde voor therapie. Deze laatsten werden niet benoemd als "daders", maar als mensen die aan een probleem wilden werken. De laatste jaren worden deze cliënten, in de mate van het mogelijke, systematisch doorverwezen naar één van de projecten voor daderhulp. Elke doorverwezen cliënt is er eentje minder op de overbevolkte wachtlijst. Zo verliest de algemene hulpverlening steeds meer voeling met deze populatie. De kloof wordt groter. "Daders" worden hoe langer hoe specialer - een aparte mensensoort. Niet alleen binnen de hulpverlening, maar ook - en wellicht vooral - in het maatschappelijk denken.
Ze hebben aparte therapeuten, die in aparte projecten werken, gesubsidieerd door een apart ministerie. Zelfs de doelstelling is "apart": ze moeten binnen een strikt afgebakende periode leren zichzelf onder controle te houden.
Het valt sterk te betwijfelen of al deze apartheid nodig of zelfs nuttig is.
De dunne lijn tussen dader en slachtoffer
Zowel daders als slachtoffers beantwoorden aan de omschrijving die we terugvinden in de visie van de leerprojecten: "een maatschappelijk kwetsbare risicopopulatie met verminderde kansen op welzijn en gezondheid". Als je vanuit de traumapsychologie kijkt naar de slachtoffers van vroeg seksueel geweld en naar een groot deel van de daders, vallen er veel meer gelijkenissen dan verschillen op tussen beide groepen, zowel in problematiek als in behandelingsmogelijkheden.
Een groot deel van de plegers beleeft zichzelf tegelijk ook als slachtoffer van de maatschappij. Bovendien hebben velen van hen zelf enige vorm van trauma in hun geschiedenis: mishandeling, seksueel geweld, emotionele verwaarlozing… Dat is allerminst een excuus, maar wel een realiteit waar gelukkig steeds meer rekening mee gehouden wordt. Net zo goed zijn er veel slachtoffers die gedurende een bepaalde periode in hun leven dadergedrag vertonen. Dat is al een veel delicatere realiteit - bijna een taboe - waar minder rekening mee gehouden wordt. Toch moet je in de klinische praktijk al hardnekkig blind zijn om ernaast te blijven kijken. Getraumatiseerde ouders die hun kinderen mishandelen als de stress te hoog oploopt, incestslachtoffers die jongere kinderen in het gezin tot seksuele spelletjes dwongen, emotionele wreedheid en chantage binnen een partnerrelatie - allemaal zeer verklaarbaar en begrijpelijk, maar het blijft wel dadergedrag. Nog meer slachtoffers vertonen een of andere vorm van dadergedrag tegenover zichzelf, gaande van zichzelf voortdurend kleineren tot automutilatie.
Mensen die in een onveilige of gewelddadige omgeving opgroeiden, vertonen doorgaans hetzelfde soort problemen.
Waar zit dan het verschil? Cliënten die zich aanmelden als slachtoffer, zijn niet wegens strafbare feiten met het gerecht in aanraking gekomen. Ze komen vrijwillig in therapie omdat ze last hebben van hun symptomen. En het zijn meestal vrouwen. Plegers hebben uit zichzelf weinig motivatie om zich te laten helpen. De maatschappij draagt meer de last van hun symptomen dan zijzelf. En het zijn meestal mannen. Toch is hun geschiedenis en achterliggende problematiek zeer vergelijkbaar. Bruce Perry, een neuropsychiater die onderzoek doet naar de effecten van het opgroeien in een omgeving waar men geregeld met geweld in aanraking komt (als slachtoffer of als toeschouwer), merkte dit sekseverschil ook op. Jongens die geconfronteerd worden met geweld zijn "voorgeprogrammeerd" om meer te blijven hangen in de woede die dit bij hen oproept. Die woede vertaalt zich in naar buiten gerichte agressie. Meisjes in dezelfde situatie schuiven sneller door naar een soort "overgavereactie", die gepaard gaat met meer depressieve en dissociatieve symptomen. Ze houden de last binnen in zichzelf. Het trauma van daders weegt meestal meer op de samenleving; het trauma van slachtoffers weegt meestal meer op henzelf. Wellicht verklaart dat waarom de maatschappij, zeker de laatste jaren, meer investeert in de behandeling van plegers dan in die van slachtoffers.
Op een fundamenteler, minder zichtbaar niveau vertonen beide groepen echter dezelfde mankementen. Zowel slachtoffer- als dadergedrag is het gevolg van een onderliggend wereldbeeld, hechtingsmodel en gestoord emotioneel functioneren. Beide groepen moeten gelijkaardige dingen leren en verwerken.
Getraumatiseerde en verwaarloosde kinderen hebben grote kans op een verstoorde ontwikkeling van wat traumapsychiater Frank Putnam "metacognitieve functies" noemt. Metacognitieve functies stellen ons in staat om onszelf als één geheel, met een stabiele identiteit, te ervaren en om controle uit te oefenen over onze eigen "states". Het begrip "state" verwijst naar een samenhangend en ondeelbaar geheel van bewustzijn, emotie, fysiologie en gedrag. Zo hoort bijvoorbeeld bij een state van seksuele opwinding niet enkel een gevoel, maar zijn ook een aantal fysiologische variabelen anders dan wanneer we geconcentreerd aan het lezen zijn, en zijn we geneigd om gedrag te stellen dat we in andere bewustzijnstoestanden niet eens zouden overwegen. Controle krijgen over eigen states is een ontwikkelingstaak die de basis legt voor een gezond emotioneel functioneren en voor gepast sociaal gedrag.
Een even essentiële metacognitieve vaardigheid is, kunnen beseffen en ervaren dat al onze states, met de bijhorende gevoelens, gedachten en handelingen, deel van onszelf zijn en samen onze identiteit uitmaken. Bijgevolg vallen ze ook allemaal onder onze eigen verantwoordelijkheid.
Voor een optimale ontwikkeling van deze functies hebben kinderen een veilige, stabiele omgeving nodig, en de hulp van sensitieve opvoeders. Zowel daders als slachtoffers hebben dit meestal gemist. De gevolgen daarvan zijn dat beide groepen moeite hebben met het benoemen van en omgaan met hun eigen gemoedstoestanden, en geneigd zijn bij oplopende stress snel de controle over hun eigen emoties en gedrag te verliezen. Ze ontwikkelen gewoonlijk disfunctionele strategieën om toch enige state-controle te verwerven. Om negatieve states op afstand te houden of controleverlies te vermijden, nemen ze hun toevlucht tot drank- of drugsmisbruik, vreetbuien, braken, automutilatie, ontkenning, zich (seksueel of gewelddadig) afreageren op anderen, etc… Omdat heel wat handelingen ervaren worden als buiten de eigen controle vallend, nemen ze er ook weinig of geen verantwoordelijkheid voor.
Aangezien ze slecht in staat zijn om met hun eigen sterke emoties om te gaan - en dat geldt evenzeer voor positieve als voor negatieve emoties - kunnen zowel slachtoffers als daders ook slecht om met gevoelens van anderen. Empathie dooft uit bij praktisch alle mishandelde of misbruikte kinderen en bij veel kinderen die opgroeien in een stresserende gezinssituatie.
Veel daders en slachtoffers hebben een zelfde onveilig wereldbeeld. De vroege omgeving staat model voor het wereldbeeld dat mensen meedragen. De opbouw van zo'n beeld begint vanaf het moment dat een baby zijn eerste ervaringen opdoet. Vroege indrukken worden voornamelijk op emotioneel niveau opgeslagen en blijven van daaruit een sterke invloed uitoefenen. Daarom gaat het hier om meer dan een "denkkader". Het gaat vooral om een emotioneel model dat bepaalt hoe we de wereld ervaren en tegemoet treden. Het is dan ook een illusie dat we dit wereldbeeld zouden kunnen veranderen enkel en alleen door cognitieve en gedragstherapie. Om het te wijzigen is het noodzakelijk dat cliënten ook nieuwe, corrigerende ervaringen opdoen.
Zowel daders als slachtoffers hebben grotendeels dezelfde basisaannames, die stevig verankerd zitten in hun manier van functioneren. Ze dragen over het algemeen dubbele en onduidelijke boodschappen mee over wat goed en slecht is, over wat er van hen verwacht wordt. Ze zijn opgegroeid in een onvoorspelbare wereld, waarin ze voortdurend op hun hoede moesten zijn en waarin regels en grenzen weinig betekenis hadden. Dat verklaart waarom zowel daders als slachtoffers moeite hebben met het waarnemen, respecteren en stellen van grenzen. Aangezien er weinig rekening gehouden werd met hun gevoelens, wensen en behoeften, hebben beide groepen de ervaring dat ze weinig of geen invloed konden uitoefenen op hun omgeving. Ze hebben dan ook problemen met het beseffen van hun eigen invloed en voelen zich mede daardoor minder verantwoordelijk voor de gevolgen van hun gedrag én voor het vervullen van hun eigen behoeften. Ze hebben geleerd dat het toch geen nut heeft om dat te proberen.
Een belangrijk onderdeel van het wereldbeeld, dat speciale aandacht verdient, is het hechtingsmodel dat een kind opbouwt. Dat is wat een kind leert - ook weer op emotioneel niveau - over hoe mensen met elkaar omgaan en wat het van anderen kan verwachten. Vanuit vroege interacties met verzorgers ontstaat een werkmodel, een blauwdruk voor toekomstige relaties.
Kinderen die in een bedreigende of weinig zorgende omgeving opgroeien, ontwikkelen een onveilig hechtingsmodel. In onveilige relaties, die niet op verbondenheid en vertrouwen gebaseerd zijn, is het van kapitaal belang wie de macht heeft. Er wordt weinig of geen rekening gehouden met noden en behoeften - het recht van de sterkste primeert. Als gevolg hiervan zullen zowel slachtoffers als daders relaties waarnemen en beleven in termen van machtsverschillen en in elke relatie zeer snel hun eigen positie en die van de ander bepalen. In deze context is het niet verwonderlijk dat seksueel gedrag vanuit beide posities veeleer gezien wordt als een machtsmiddel dan als een uiting van verbondenheid en warmte.
Cliënten die zich als slachtoffer aanmelden, zullen zichzelf snel in de onmachtspositie plaatsen: "Bij mij gaat alles mis en ik kan er zelf niks aan doen." Dadercliënten zullen zich sneller in de machtspositie plaatsen: "Ik heb nergens last van, het zijn de anderen die een probleem hebben." Toch zijn dit slechts twee verschillende uitingen van een zelfde onveiligheid in het hechtingsmodel. Soms is het trouwens verbijsterend om te zien hoe abrupt cliënten van positie kunnen wisselen. Zoals het incestslachtoffer dat haar therapeut de huid vol scheldt als die haar aanspoort beter voor zichzelf te zorgen; of de stoere cliënt met dadergedrag die opeens met een klein stemmetje aan zijn therapeut vraagt of ze toch niet kwaad op hem is.
Alle getraumatiseerde cliënten zijn bang voor de confrontatie met hun onverwerkte geschiedenis. Allemaal vertonen ze (soms zeer extreem) vermijdingsgedrag om contact met bedreigende herinneringen of emoties te ontwijken. En allemaal hebben ze troost en veiligheid nodig om hun trauma's te kunnen verwerken - daders net zo goed als slachtoffers.
Zowel dader- als slachtoffertherapeuten zullen zich dus moeten toespitsen op het versterken van de metacognitieve functies van hun cliënten en op het installeren van een gezonder wereldbeeld en veilige hechting. Bovendien moeten ze een context creëren waarbinnen het mogelijk is met vroeger trauma in het reine te komen.
No cure, but control?
In de daderprojecten vertrekt men vanuit het motto "no cure, but control". Je kunt plegers niet genezen, je kunt ze enkel leren hun gedrag te controleren. Hoe moeten we die uitspraak begrijpen? Zegt ze iets over wat mogelijk is? Of enkel over het doel dat men zich stelt?
Hoewel men tegenwoordig ook in de slachtofferhulp minder optimistisch is dan tien jaar geleden, streeft men - na een grondige afweging van wat haalbaar is voor elke afzonderlijke cliënt - meestal wel naar "genezen". Als we ervan uitgaan dat veel dader- en slachtoffergedrag zijn oorsprong vindt in dezelfde disfuncties, lijkt genezen ook een realistische doelstelling voor een aanzienlijk deel van de plegers.
GEVALSBESCHRIJVING
Erik is 26 als hij voor het eerst in therapie komt. Zolang hij zich kan herinneren heeft hij exhibitionistische fantasieën. Hij stelt zich dan voor dat een vrouw hem ziet masturberen en daar positief op reageert.
Toen hij twee jaar geleden begon te werken als vertegenwoordiger, zag hij kans om zijn fantasie in de praktijk om te zetten op plaatsen waar niemand hem kende. Twee weken geleden werd hij opgepakt door de politie. Het slachtoffer besliste geen klacht in te dienen en Erik kwam er met een waarschuwing vanaf. Gevolg was wel dat zijn vriendin, met wie hij al drie jaar samenwoonde, op deze manier van zijn exhibitionisme op de hoogte kwam en dreigt hem te verlaten. Dit is voor Erik aanleiding om zich aan te melden voor therapie. Hij wil controle krijgen over zijn gedrag.
De therapie concentreert zich op zicht krijgen op de gedragsketen, op tijd leren ingrijpen, alternatieve manieren leren om met spanning om te gaan en aankweken van empathie. Erik had ook graag aan de seksuele relatie met zijn vriendin gewerkt. Die stelt niet veel voor. Ze vrijen zelden of nooit - geen van beiden heeft veel zin. Als het er toch van komt, is Erik er niet echt "bij". Zijn vriendin weigert echter resoluut ook maar iets met de therapie te maken te hebben. Hoewel Erik dit erg jammer vindt, is hij tevreden met wat hij bereikt heeft en de therapie wordt afgerond.
Twee jaar later komt Erik terug. Zijn vriendin heeft hem verlaten voor iemand anders. Hij heeft zelfmoordgedachten en zeer agressieve fantasieën over zijn vriendin en haar nieuwe vriend. Bovendien begint hij terug situaties op te zoeken waarin hij zou kunnen exhibitioneren. Hij is bang om zijn controle te verliezen. Eigenlijk wil hij voor eens en altijd van zijn dwangmatige fantasieën af.
Erik is opgevoed door zijn moeder en twee oudere zussen. Zijn vader stierf toen hij twee was. Zijn zussen, die hem meestal in bad stopten, speelden regelmatig seksuele spelletjes met hem en hadden de grootste lol als hij dan een erectie kreeg. Kleine Erik ervoer dit als zeer vernederend. Hij herinnert zich ook dat zijn moeder hem een paar keer streng strafte toen ze hem op masturberen betrapte.
Zijn relaties met vrouwen zijn nooit echt bevredigend geweest. Ofwel ging het op seksueel vlak goed en was er verder geen echte band; ofwel werd hij verliefd op vrouwen die eigenlijk op hem neerkeken en weinig seksuele trek hadden.
In therapie verwerkt hij moeizaam zijn gevoelens van schaamte, woede en machteloosheid tegenover zijn moeder en zussen. Hij wordt zich ook bewust van zijn intens verlangen naar een vrouw die zijn lustgevoelens accepteert. Stilaan leert Erik zichzelf met al zijn emoties en verlangens te zien en te gedragen als iemand die de moeite waard is en respect verdient.
Na een jaar wordt de therapie beëindigd.
Onlangs ontving ik een geboortekaartje van zijn eerste kind, samen met een kort briefje. Erik voelt zich gelukkig met zijn nieuwe vriendin, ook op seksueel vlak. Hij kan zich bijna niet meer voorstellen wat hij ooit aan zijn exhibitionistische fantasieën gevonden heeft.
Cure - het kán dus wel. Maar het duurt dikwijls langer dan de leerprojecten toelaten. Genezen vraagt tijd. En het vraagt een andere benadering.
Al sinds het einde van de 19de eeuw gebruikt de traumapsychologie een driefasenmodel voor therapie. In de praktijk kunnen de verschillende fasen uiteraard wat door elkaar lopen.
In fase één wordt door het creëren van rust, veiligheid en controle toegewerkt naar symptoomreductie en stabilisatie. Absolute prioriteit hierbij heeft het stoppen van nog doorgaand misbruik of geweld, zowel dat waarvan men slachtoffer als waarvan men dader is. Een tweede belangrijke doelstelling is het ontwikkelen en versterken van metacognitieve functies, zodat cliënten meer controle en meer besef van invloed krijgen, wat hen in staat stelt actief keuzes te maken en verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen gedrag en welzijn. Er gaat uitgebreide aandacht naar het opbouwen van een veilige therapeutische relatie en het leren omgaan met regels en grenzen. Verder werkt men aan effectief stress-management, betere zelfzorg en het uitbouwen van een gezond sociaal netwerk.
En hier kan de therapie stoppen: er is controle.
In traumabehandelingen wordt op dit punt de afweging gemaakt of men al dan niet zal verdergaan met de volgende fase: traumaverwerking. Niet alleen ervaringen met misbruik of ander geweld kunnen hier aan bod komen, maar ook hechtingstrauma's. In deze fase leren cliënten op een veilige, gecontroleerde manier contact maken met hun onverwerkte ervaringen en de bijhorende pijnlijke en beangstigende gevoelens, die ze zo lang vermeden hebben. Binnen de veilige context van de therapie kunnen cliënten merken dat ze nu wel in staat zijn deze te verdragen en te plaatsen. Disfunctionele vermijdingsstrategieën verliezen hun nut.
Dit is een zeer belastend proces, dat enkel succes kan hebben als een aantal basisvoorwaarden vervuld zijn. Het zal vanzelf spreken dat de eerste vereiste is, dat cliënten ervoor kiezen om hiermee aan de slag te gaan. Daarnaast is het nodig dat cliënten over voldoende draagkracht en een steunend sociaal netwerk beschikken. Ten slotte kan het belang van degelijke therapie in fase één en van een dichte en veilige therapeutische relatie niet overschat worden. Het is dan ook een schrijnende vaststelling dat veel plegers net als deze voorwaarden vervuld zijn, niet verder behandeld kunnen worden binnen de leerprojecten. In het beste geval worden ze doorverwezen naar een andere therapeut, waarmee ze weer helemaal opnieuw een vertrouwensband moeten opbouwen.
De derde fase is nauw verweven met de tweede: zich realiseren en integreren wat er gebeurd is en rouwen om de gevolgen. Hierdoor krijgen cliënten inzicht in en vat op hun eigen levensgeschiedenis en wat daarin misging. Ze krijgen een realistischer en steviger besef van wie ze zijn, van hun eigen waarde en van hun plaats in de wereld. Affectieve empathie komt in de plaats van rationeel begrijpen wat een ander voelt. Mensen zijn nu in staat tot het opnemen van echte, doorvoelde verantwoordelijkheid voor hun eigen daden en voor het verder verloop van hun leven. En dat is "cure".
Waarom zouden we plegers die mogelijkheid ontzeggen? En waarom zou de maatschappij met minder genoegen nemen?
"A river runs through it" of de kloof in de hulpverlening
De behandeling van slachtoffers en van daders is een complexe zaak. De combinatie van denkfouten, gebrekkige empathie, seksuele disfuncties, hechtingsproblemen, dissociatieve en posttraumatische symptomen vraagt een creatieve, flexibele en dikwijls pragmatische aanpak. Therapeuten die zich hieraan willen wagen, moeten heel wat in hun mars hebben.
Aangezien ook in de psychologie een "theorie van alles" nog niet voor morgen is, integreren de meeste hulpverleners denkbeelden en interventies uit verschillende therapeutische kaders in hun manier van werken. Elke bruikbare nieuwe input is welkom.
Daarom is het vreemd dat er zo weinig toenadering is tussen dader- en slachtoffertherapeuten onderling. Meer uitwisseling en overleg zouden nochtans hun vruchten afwerpen.
Door de aard van hun werk hebben slachtoffertherapeuten dikwijls meer ervaring en kennis in verband met traumaverwerking en gestoorde hechting. Dadertherapeuten hebben over het algemeen meer bagage op het vlak van controle installeren. Veel slachtoffertherapeuten schrikken terug voor een directieve en confronterende aanpak van cliënten, hoewel dat soms hard nodig is om mensen in voeling te brengen met hun eigen verantwoordelijkheid of hen in beweging te krijgen. Veel dadertherapeuten schrikken terug voor het aangaan van een dichte relatie met cliënten en het hanteren van hun eigen gevoelens daarbij. Toch is dat onontbeerlijk als je hechtingsproblemen wil opgelost krijgen of aan traumaverwerking wil doen.
Hoewel er langs beide kanten een zekere bereidheid bestaat om van elkaar te leren, blijft het water diep - grotendeels om organisatorische redenen. Het is ongetwijfeld een verrijking voor hulpverleners om zich te bekwamen in het behandelen van plegers én slachtoffers. Maar tenzij iemand bereid is er twee jobs op na te houden, is het zo goed als onmogelijk om beide te combineren.
En dat is om nog een andere reden jammer.
Zowel dader- als slachtoffertherapeuten krijgen geregeld traumaverhalen te horen. Daardoor lopen ze kans op secundaire of plaatsvervangende traumatisering. Dat is een beroepsrisico. Secundaire traumatische stress is een conditie waarbij hulpverleners zelf posttraumatische symptomen gaan vertonen door de confrontatie met de geschiedenis, of de daden, van hun cliënten. Deze symptomen kunnen heel plots optreden of geleidelijk aan. De hulpverlener wordt geraakt en veranderd door het empathisch contact met het trauma van anderen.
In de praktijk lijkt het erop dat teams of therapeuten die enkel met slachtoffers of enkel met daders werken hun risico verhogen.
Deze uit het leven gegrepen uitspraken kunnen dat illustreren:
"De wereld is nu eenmaal onrechtvaardig - daar is niks aan te doen."
"Ik zou het niet kunnen, met daders werken… Bah!"
Of, aan de overkant:
"Maar hij heeft haar niet aangeraakt - dat valt dus nog mee."
"Ik snap niet hoe je het volhoudt, vijf jaar naar dezelfde ellende zitten luisteren."
In alle uitspraken blijkt hetzelfde. Het denkkader, het wereldbeeld van de cliënt is binnengeslopen in dat van de therapeut. De daders worden monsters, de slachtoffers zeurpieten, de wereld wordt onveilig en het lijkt opeens niet meer zo fout om een oordeel te vellen over het leed van een ander mens. De ontmenselijking van de ander begint hier, langs beide kanten.
Hierin schuilt een gevaar. Zeker therapeuten die zich niet van deze "besmetting" bewust zijn, kunnen behoorlijk met zichzelf in de knoop raken. Ook voor de hulpverlening is het een slechte zaak. Traumacliënten voelen dit soort verschuivingen feilloos aan en ervaren ze als een bevestiging van hun wereldbeeld. Het besef dat hun therapeut op sommige punten hun scheefgetrokken visie op de wereld deelt, kan dikwijls zwaarder doorwegen dan alle solide cognitieve therapie die hen van hun denkfouten probeert af te helpen.
Teams of therapeuten die zowel dader- als slachtoffergedrag behandelen, kunnen op dit vlak wellicht beter hun evenwicht bewaren.
Ook de uitbreiding van kennis en vaardigheden, die daarmee gepaard gaat, zorgt dat hulpverleners meer vaste grond onder de voeten hebben en vormt zo een extra buffer tegen secundaire traumatisering.
Conclusie
In taalgebruik, theorie en klinische praktijk legt de gehele sector er sterk de nadruk op dat het gedrag niet hetzelfde is als de mens. Daarom is het des te vreemder dat men op beleidsniveau de man en niet de bal speelt. Men maakt zo'n groot onderscheid tussen de behandeling van daders en die van slachtoffers dat het soms lijkt of ze van verschillende planeten komen. Op die manier bevestigt de hulpverlening zoals ze nu georganiseerd is, het traumatische wereldbeeld van cliënten. Het risico bestaat dat én de therapeuten én de maatschappij daarin meegesleept worden.
In de praktijk zijn de raakvlakken tussen dader- en slachtofferhulp groot. In beide disciplines voelen therapeuten de noodzaak om te putten uit verscheidene denkkaders en uit een ruim scala aan technieken om tegemoet te komen aan de complexiteit van de problematiek. Hoewel ingangen en accenten verschillen, werkt men in essentie rond dezelfde thema's - en dat blijkt steeds duidelijker. Dader- en slachtoffertherapie kunnen elkaar aanvullen, vervolledigen, in evenwicht houden. Door wetten en praktische bezwaren blijft de afstand echter groot.
Is het niet logischer om de bestaande apartheid af te schaffen en hulp aan daders en aan slachtoffers te integreren binnen een zelfde organisatie, met dezelfde therapeuten, vanuit een zelfde overkoepelend behandelingsmodel?
Bibliografie
· Hart, Onno van der (red.), Trauma, dissociatie en hypnose -
1991 - Swets & Zeitlinger, Amsterdam
· LeDoux, Joseph, The Emotional Brain -
1996 - Simon & Schuster, New York
· Martein, Roland, Hulpverlening aan seksuele delinquenten vanuit het algemeen welzijnswerk - 2000
· Pearlman, L. A. & Saakvitne, K. W., Trauma and the Therapist. Countertransference and Vicarious Traumatization in Psychotherapy with Incest Survivors -
1995 - W. W. Norton & Company, New York
· Perry, Bruce, Violence and Childhood: How Persisting Fear Can Alter the Developing Child's Brain. A Child Trauma Academy Website version of: The neurodevelopmental impact of violence in childhood. - 2000 - The Child Trauma Academy --http://www.bcm.tmc.edu/cta/Vio_child.htm
· Putnam, Frank W., Dissociation in Children and Adolescents. A Developmental Perspective -
1997 - The Guilford Press, New York
· Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, Leerprojecten voor daders van seksueel geweld. Een kennismaking - 1997
| HOME KERN | SEMINARIES EN STUDIEDAGEN | KORTE TRAININGEN | JAARTRAININGEN |
| OPLEIDINGEN PSYCHOTHERAPIE | THERAPEUTISCHE PROGRAMMA'S |
| ALBABETISCH OVERZICHT PROGRAMMA'S | OVERZICHT ARTIKELS |