Huizen, lange aaneengesloten rij
Huizen van verleden, ver en nabij
Maar alle gevuld met het duister
Aan ramen klevend waar ik luister:

Aan een huis langs water, langs riet
Waar ratten zitten, waar wij samen
Waren, waar wij hoopten op verschiet.
Huis vol schaduw nu, vol namen.

Verdieping in een grootstad, vol
Van een enkele geur: mijn pijn
Huizenzwam van mijn jeugd
Vol roddel en woordenloos venijn
Tot stad aaneengekleefd.
Een klein huis aan de rand ervan
Waar ik wisselvallig heb geleefd
En dat ik altijd vinden kan

Ook nu elk ander pad verdwenen is.
Klein huis, wanneer ik terug kom
- Dat is: misschien, en dan te laat,
Beschaamd, berooid, met stille trom

Zal, doorheen dodenmist en as,
In de lage kamers iets nog
Mij herinneren aan wat was?
Het 'zwarte huis' in Sint-Agatha-Berchem, Joties laatste woonplaats.
Terug