"Ik liep met blote benen in het onkruid
met een stok, en at rabarber.
De avond viel, littekende mijn gezicht
met schaduwen en met schrik.
Mijn moeder riep mijn vader
riep mij, treinen reden toen
aan onze achterdeur voorbij.
De nacht steeg op en schuimde de voren af
naar wormen.
Kaal van schrik holde ik naar binnen."