"Op mijn werktafel, naast de foto van grootmoeder, staat een foto van mijn grootvader eveneens op zijn doodsbed. Tussen de foto's in staat een tandeloze mensenschedel, van een onbekende." Een fragment uit het verhaal 'Heer van de poorten des doods' van Jotie T'Hooft, dat in april '77 verschijnt. Zelf heeft T'Hooft op dat ogenblik geen half jaar meer te leven.

Op de avond van 5 oktober trekt hij naar vrienden in Brugge. In een somber kamertje in de Meestraat dient hij zich een overdosis cocaïne toe. Nu nog herinneren verpleegsters van de Sint-Lukaskliniek zich hoe hij op die bewuste dag als een hond voor de poort van het ziekenhuis wordt achtergelaten. Jotie T'Hooft overlijdt nog voor hij naar de reanimatiekamer kan worden overgebracht. In z'n huis in Sint-Agatha-Berchem, dat van vloer tot plafond zwart is geverfd, vindt men de typoscripten van zijn laatste twaalf gedichten. Waaiervormig liggen ze op de schoorsteenmantel uitgespreid.


Trouwste vriend

"Mijn stilste en mijn trouwste vriend / getuige van het vele leed dat groeit / getuigenis ook van de verlossing / en hoe een & ander wordt verdiend", zo beschrijft Jotie in een gedicht de fameuze schedel die zijn werktafel macabere luister bijzet. Zijn vader, Marcel T'Hooft (+ 16.10.1999), schonk het bruine, broze ding na de dood van zijn zoon aan het Antwerpse Museum en Archief voor het Vlaamse Cultuurleven. Het doodshoofd maakt er nu deel uit van een permanente tentoonstelling. Andere curiosa zijn een lepel waarin T'Hooft zijn shots bereidde, en een pijpje dat hem nog heeft toebehoord.

"Op een dag zal ik weg zijn en wat dan?", schreef hij toen hij vijftien was, "Verdwenen zonder een / teken te geven of te nemen en / het puin dat ik achterlaat is / niet langer lachwekkend."

Straks is Jotie T'Hooft een kwarteeuw 'weg'; dit jaar zou hij vierenveertig zijn geworden. Geboren werd hij in Oudenaarde, op 9 mei 1956. In die tijd reist zijn vader als forens dagelijks naar Schaarbeek, waar hij onderwijzer is. Joties moeder, Rosa Bostijn, werkt als mode-ontwerpster bij een confectiebedrijf. Johan kent een overwegend gelukkige jeugd, al wordt die wel overschaduwd door de dood van enkele dierbare familieleden: in '59 - Jotie is drie - overlijdt Gaston Bostijn ofte 'Peter Elektriek' na een fietstocht aan een hartaanval. In '66 volgt Joties grootmoeder van vaderszijde, Elise Coeck, hem in de dood. Zij sterft aan darmkanker. Beide figuren staan in zijn poëzie en proza gebeiteld.

"De dood van zijn grootouders heeft hem nooit meer losgelaten", zei vader T'Hooft daarover ooit. "Soms denk ik dat dáár de sleutel ligt. Andere kinderen maken dat ook mee, maar Johan was zo gevoelig. Ook in zijn werk komt hij er telkens op terug. We vertelden hem dat Peter Elektriek op een verre reis vertrokken was en nooit meer zou terugkeren. Johan vond dat niet zo mooi van hem, maar merkte tegelijk op dat hij toch geluk had omdat hij zich nu om niets en niemand meer hoefde te bekommeren. Van kindsbeen af had hij die merkwaardige fascinatie voor dood en vergankelijkheid. Zo zette hij dode mussen en muizen op een mierenhoop en liet ze afvreten tot op het bot. Achteraf stalde hij de skeletjes uit in een glazen kast. Ik vond dat toen wel vreemd maar ik dacht: ach ja, beter dat dan voetbalplaatjes."


Als in een flipperkast

Tot zijn twaalfde is Jotie een voorbeeldige jongen, die moeiteloos schitterende schoolresultaten behaalt. In de humaniora begint echter het gedonder. Hij doorloopt een resem scholen in Oudenaarde en Gent, maar nergens wil het lukken. Voor de vakken die hem interesseren, zoals Nederlands en Engels, haalt hij negens en tienen. Voor wiskunde en wetenschappen nul of één. Telkens opnieuw wordt hij van school gestuurd. Wegens het verspreiden van pornografische strips of communistische propaganda, wegens de verkoop van (nep-)drugs aan medestudenten of gewoon omwille van zijn slechte cijfers.

In 1970 wijdt een Gentse studente hem na een bioscoopbezoek in in het gebruik van LSD. In het verhaal 'Het eenzame leven van de mens' beschrijft Jotie hoe ze ook het eerste 'wijf' werd waarmee hij de liefde bedreef. Hij is dan veertien. Amper een paar jaar later is hij al volop ondergedompeld in het Gentse junkmilieu. Hij woont op kamers en neemt via een uitzendbureau losse baantjes aan in onder meer een melkerij, een weverij en een plasticfabriek. Hij speelt kelner, schoorsteenveger, pompbediende. Begaat een onhandige zelfmoordpoging, plakt trots het scheermesje waarmee hij het probeerde in zijn dagboek en wordt later wegens bezit en verkoop van drugs zeven weken geïnterneerd in instellingen te Beernem en Ruiselede. Zijn verdere leven is nog het beste te vergelijken met "het rollen, botsen, verdwijnen en weer te voorschijn springen van een zilveren kogel in een flipperkast".

Wat Jotie T'Hooft van zijn medejunkies onderscheidt, is dat hij tijdens al dat gerol, gebots en te voorschijn springen ook nog eens blijft schríjven. Tijdens zijn korte leven publiceert hij de dichtbundels 'Schreeuwlandschap' en 'Junkieverdriet', en wint hij de prestigieuze Reina Prinsen Geerligprijs. Als hij op 21-jarige leeftijd dan toch op 'de droomkaros' stapt, laat hij ruim 400 bladzijden proza en zo'n 530 gedichten na. Vaak ontstellend volwassen, met enkele fragmenten die het predikaat 'weergaloos' verdienen.

Na de dood van T'Hooft worden jammer genoeg ook zowat al zijn probeersels en misbaksels uitgegeven, wat kwaadwillige critici een vrijbrief verschaft om te beweren dat hij "beter met de heroïnespuit overweg kon dan met de ganzeveer" (Arjan Peters in De Volkskrant).


Jim Morisson van eigen bodem

Toch lijkt het leven en werk van Jotie T'Hooft een tijdloze herkenbaarheid te bevatten. "Zijn werk beleeft momenteel zelfs een heuse revival", zegt verantwoordelijke Willy Tibergien van het Gentse Poëziecentrum. "Terecht, vind ik , want de man heeft enkele onvergankelijke gedichten nagelaten. Als er over vijftig of honderd jaar nog bloemlezingen Vlaamse poëzie verschijnen, zullen daar zeker enkele gedichten van Jotie T'Hooft in voorkomen. Vooral bij tieners en vroege twens is hij erg in trek. Ik heb zelfs een lijst met tientallen namen van jongeren die wachten tot een bepaald werk van Jotie T'Hooft weer binnenkomt. Ze verzamelen álles van hem."

Op Joties sobere graf, op het kerkhof aan de Dijkstraat in Oudenaarde, tref je nog geregeld attenties van jonge bewonderaars aan. Tekeningen, plastic bloemen, gedichten. Reclamemateriaal voor het Schotse whiskymerk 'Cutty Sark', een duidelijke verwijzing naar Joties tweede zelfmoordpoging, met whisky en valiumtabletten, in een berghok van uitgeverij Manteau. "Bedankt voor uw mooie gedichten", en: "Had je 'Alice in Chains' nog maar gekend. Prachtig zinnetje: 'I think it's gonna rain when I die'".
Jotie T'Hooft
Een marsman op aarde
Terug
Jean-Paul Mulders