bannerboek Ressegem.gif (26768 bytes)

 

 

 

 

wapenschild

Home Page

R

eesghem zal alhier Godts Oordeel gaen vertoonen

E

n dat voor ieder een die ons tracht bij te woonen,

E

n dat met groot aendacht elk in syn herte prent,

S

oo zult gij zijn bevrijd van ’t eeuwig helsch torment

S

a mensch oefent de Deugd en Vraegt van Godt genaede,

E

n syne moeder ook, eer dat het is te spaede:

G

een twijfel is er aen, sy zal uw Voorspraek zijn,

H

et is haer oud gebruyk; want s’is Godts Moeder reyn,

E

n dat in aller heyl zal sy ons ziel verschoonen,

M

et Godt haer lieven zoon in ‘t Ryk des Hemels kroonen (1)

(1) J. Broeckaert,Dendermondsche Drukpers,2de bijvoegsel blz. 12.


I. INLEIDING

Wat de naam van het dorp betreft,schreef men die in 1125 als RASSEGHEM, in 1173 als RACENGEM, in 1174 als RASSINGHEM, in 1249 als RASENGHEM ook wel eens REESEGHEM en RAISEGHEM ( o.a. door C. van Gistel) en in de meeste Franse oorkonden RASSENGHIEN alwaar de schrijfwijze uit de persoonsnaam RAAS of RASSE met het achtervoegsel GEM (HEIM=woonplaats) is samengesteld.

Men heeft de inwoners de spotnaam van "lompe boeren van Ressegem" gegeven. Waarom en wanneer weet niemand te zeggen, misschien dat de spotnaam uit afgunst of wrok eens door enkele lieden uit hun duim gezogen werd.

De kermis van Ressegem valt op de eerste zondag na de feestdag van de H. Mauritius, in de maand september.

 

II. LEENROERIGE INRICHTING - BESTUUR

 

De oude heren van Ressegem,gesproten,zo men beweert,uit het beroemde geslacht van Zottegem,zie Zottegem,waren gedurende verscheidene eeuwen één van de vermogenste en invloedrijkste dezer landstreek. ROTHARDUS de RASSEGHEM,de oudste ons bekend,hechtte in 1088 zijn zegel aan het charter,waarbij de abt van Hasnon het vrij adelijk goed van Aalst,Eesegem en Lede aan Gijsbrecht van Aalst afstond. (Zie Zottegem oudstgekende Ruthardus:keure 1083 naar G. de Seyn).

De andere Rothardus de Rasseghem was in 1125 getuige van Boudewijn graaf van Aalst en dezes broeder Iwein,toen zij de abdij van Affligem met goederen te Erembodegem begiftigden. In 1173 ontmoeten wij de naam Jordanus de Racengem,als getuige in een akte,waarbij Godfried,hertog van Lotharingen,de abdij van Vorst in het bezit harer goederen bevestigt. Het jaar daarna was hij eveneens aanwezig toen Philip van den Elzas de vrijheden en voorrechten der stad Aalst bekrachtigde.

Met het begin der XII-de eeuw (1199 volgens G. de Seyn) vinden wij de heerlijkheid van Ressegem in het bezit van Geeraard van Zottegem,gehuwd met Beatrice van Massemen,vrouwe dezes dorp en van Laarne (cfr. ridderslot). Hij werd opgevolgd door zijn zoon Giselbrecht die zich in de echt begaf met Machteld van Béthune,zuster van Robrecht,voogd van Atrecht en heer van Dendermonde. De andere zoon uit het huwelijk van Geeraard van Zottegem en Beatrice van Massemen,met name Willem,werd kanunnik der Sint-Pieterskerk te Rijsel en schonk ten jare 1229 een deel van zijn ouderlijk erfdeel,namelijk de tienden te Ressegem,Leeuwergem,Elene en Hillegem,aan de abdij der Bijloke te Gent,welke gift door Giselbrecht van Zottegem en zijn echtgenote,die er op hun beurt de tienden te Bassevelde bijvoegden,werd goedgekeurd.( Duchesne,Histoire de la maison de Bethume,Preuves,blz.113).

Machteld van Bethune,reeds weduwe in 1238,overleed op 1 november 1252 en had als opvolger haar oudste zoon,Geeraard,heer van Ressegem (gestorven in 1338) die een huwelijk aanging met ene dochter uit het geslacht van Lens-sur-Dendre in Henegouwen. Hier moeten wij nochtans opmerken dat Robrecht van Ressegem,de tweede zoon van Gijsbrecht en van Machteld van Bethune,de heerlijkheid ook in zijn bezit heeft gehad,terwijl na zijn dood omtrent de verdeling van zijn nalatenschap een betwisting oprees tussen Geeraard en Gijsbrecht van Ressegem,zonen van Geeraard I en van Maria van Lens,welk geschil op 17 mei 1276 door Magareta,gravin van Vlaanderen,beslecht werd in deze zin dat Ressegem,benevens Borsbeke en Bambrugge,met alles wat er van af hing,ook de laten te Ressegem,Herzele en te Diepenborne,aan de eerstgenoemde werden toegekend.

Brief van Magareta,gravin van Vlaanderen:

"Nous Margherite,à touske comme debas fus entre mon segneur Gillebert de Rassenghien ains aines fil notre boen amie Marie dame de Rassenghien et Gerart son frère d'endroit parchons de terre a le pas defin par le consel et lossens de lor communs amis les parties sont concordees par devant nous en teil manière le me sire Gillebert doit mettre Gerard son frère bien a et à loi en tenure et en possession des villes de Rassenghien,de Borsbeke,de Campine,de Bambrughe et de tout ce qui a ces viles apent des gens devouerie,de sers de Rassenghien,de Herzele et de Diepenborne et de tout ce ki à ces viles apartient et en vint livrees par an de fief de bourse le ou tient dou conte de Hollande bien et à loi. Et se il ne le peut mettre,il le doit ailleurs assener d'autant vollant de terre bien et à la loi et à fils er après nomnee,c'est à savoir Marie fille le dame de Rasseghien,me siese Jehaws de Leide,Gilles fius Godefroit dens fois,li fius Sohier des Voshole,Colins de Hullebrone,Hennis fius Leonie,Gilles le Blers,Bauduins li Kens,Hanekens de Lonne, li fius Thierri de Boitse,Rasse de Borsbeke,Thumas de Stevens-dale,Gossuis de Bambrughe,Ghillebert de Welle,Jehans Gruspunt,me sire Hue fius mon Segneur Henri trois fois hom,Jehans de Sterelant,li Riker,Pierres de Gant, Willouinnes Utmaet,Jehans Boenshoef,Jehans de Belle,li enfes de Weldine et Johans de Bruele. Et de tout ce ki ci desourse est dit doit me sire Gillebert agreted Gherard son frère devant dit en teil maniere qu'il Gherars en porra faire toute sa volentier et vendre et despendre et en toutes les manieres quil li plaira muis,comme de son propre iretage,selon le loy den pays,et ses lors apres lui,se il la de son cors. Et se il navait hoir de son cors tout ki iretages devant disuce qu'il en aurait quant il ira de vie a mort,se il tiel avait tout doit revenir a mon segneur Gillebert,son frere devant dis et a ses hoiis par convenence fait. Et parmi ceste concordaen,Gherard doit excutter mon segneur Gillebert son frère envers ses serens de le quatre partide lor assenement. Et de tout ce ki devant est dis doit etre Gerars hom a mon segneur Gillebert son frere. Et si est mis hors de ces porchons la terre des quatre mestiers ki fu mon segneur Robert de Rassenghien,li Moers de Boudelo et la terre ki fu Everart Rainvise. Et si on trouvoit aucun homage u outre vaillance de terre depuis que les porchons furent faites de quoi mentions ne soit faite en porchons aler doit a local porchon selone le forme de porchons faites. Toutes ces choses devant dites ont me sive Gillebert en Gerars ses frere devant nommei fiancer et jurei loiaument a tenir et promis seur lor fois et pens lor savrement ke jamais nisont encontre en tout me en aucunepartie ne par cours ne par autrui. Et on prye nous et nostre chier fil Guimon,comte ect. ki nous les destraignons faire tenir fermement tout en se ke deseure et devisei,se mestiers estoit,comme segneur de la terre et ke nous en tesmoignage de ce domons nos lestres a chascun deans en ceste fourme seelees de nos saious. Et nous Margieriete, comtesse et Guis se fins,cuens et marchir devant nommei,a la pryere et a la requeste des portiers devant nommeis,les parchons faites et les convenances devant dites,loons,greons et approuvons et destrainderons les parties au faire tenir pour messement comme segneur de la terre. En tesmoignage de la quel chose nous avons donnee ces presentes lettres a chacune des parties confirmees et seelees de nos soiaux ki furent donnees en lan del incarnation notre segneur Jehu Crist MCCLXXVI len demain del ascension."

(Arhieven der Rekenkamer te Rijsel,1ste Cartul. van Vlaanderen,N° 333 - Gérard,Histoire des anciennes Seigneuries de Leeuwergem et de Elene,blz. 97).

 

Volgens sommige geschiedkundigen was Geeraard van Ressegem de tweede nog in leven ten jare 1320. Dit is waarschijnlijk een dwaling,het moet eerder zijn zoon geweest zijn,ook Geeraard geheten,die de echtgenoot werd van Oda van Cruningen,dochter van Hugo,en, onder andere kinderen, een zoon had, insgelijks de voornaam voerende van Geeraard,die huwde met Aleidis van Gaver uit de stam der familie aan wie de heerlijkheid van Liedekerke toebehoorde.

Johanna van Ressegem,dochter van deze laatste,trouwde met Arnold van Gaver,wiens zoon Arnold,heer van Ressegem,Lens Liedekerke enz.,gestorven in 1380,vader werd van vijf zonen en drie dochters uit zijn huwelijk met Margaretha van Bergen,gezegd van Boutersem. Hendrik van Gaver,de oudste,werd nu op zijn beurt heer van Ressegem en overleed zonder nakomelingen,na gehuwd geweest te zijn met Catharina Lersanders. Hij werd door zijn broer Willem,proost van Maastricht en burchtgraaf van Lombeek,opgevolgd,na wie Ressegem,tesamen met Liedekerke en andere heerlijke bezittingen tot zijn neef Adriaan Vilain,heer van Sint-Jans-Steene en voogd van Temsche,één der knapste ridders van zijn tijd,overging.

"Lettres d'appoinctement passées pardevant les echevins et conseil de la ville de Gand l'an MCCCXLVII entre Messire Guillaume de Gavere,d'une part,et Messire Adriain Vilain,Seigneur de Saint Jean Steene,advoué de Tamise,son nepveu et son plus prochain hoir féodal,par lesquelles appert que ledit Messire Guillaume s'oblige docahérieter ledit Messire Adriain son nepveu es seigneuries de Rassenghien,de Liedekerke,de Leauwe,de la viscomte de Lombeke,de Eygendomme et de Saint Amand Bassenrode,avecq tous leurs appartenances.

(Duchesse,Hist.de la maison de Gand,Preuves,blz. 607)

Het ligt niet in het bestek om hier te herhalen wat elders over Adriaan Vilain werd vermeld. Genoeg zij het te vermelden dat hij gehuwd was met Joozijne van Praet,gezegd van Moerkerke,welke hem o.a. een zoon schonk,met name Marten die geroepen was om de oudste tak van de familie voort te zetten. De heerlijkheid van Ressegem viel deze laatste te kavel in 1449. Hoe hij zich gedwongen zag om Temsche ten gelde te maken is voor onze geschiedenis hier niet relevant. Hij behield echter zijn talrijke andere bezittingen en toog in 1458 naar het H. Land,op zijn terugtocht het eiland Chypra bezoekende,alwaar de koningin hem met de grootste eerbewijzen onthaalde. Hij overleed in 1466 na getrouwd te zijn geweest met Antonia van Massemen die hem tot omtrent 1496 overleefde.

Adriaan Vilain II,zoon van de voorgaande,erfde nu op zijn beurt de heerlijkheid van Ressegem,samen met die van Sint-Jans-Steene enz. en had voor levensgezellin Maria van Coyegem,uit het geslacht van Kortrijk. Hij was betrokken bij de staatskundige aangelegenheden van Vlaanderen en werd op 6 juni 1485,in een oploop te Gent van de vereniging der Schippers en Vleeschhouwers,gevangen genomen. Tien dagen nadien op vrije voeten gesteld,werd hij tot aanvoerder der Gentsche oproer- lingen gekozen en legde hij,als zodanig,de eed af op het Tooghuis. Zijn gehechtheid aan de gemeente kostte hem vooreerst zijn vrijheid; de aartshertog Maximiliaan deed hem te Atrecht in hechtenis nemen en opsluiten in het kasteel van Vilvoorde,waar hij evenwel kort nadien ontkwam, om weldra op weinig ridderlijke wijze aan zijn einde te komen. Op 11 juli 1490 werd hij,door opstoking van de heer van Ravenstein,op de weg naar zijn kasteel laffelijk vermoord.

Zijn zoon,Adriaan Vilain III,volgde hem in de heerlijkheid van Ressegem op. Deze was geboren op het kasteel van Lomme op 14 september 1490 en zijn voogd Adriaan Vilain,heer van Liedekerke,sloot in 1492 een zoensverdrag  met de heer van Ravenstein,wegens de gepleegde moord,gelijk Duchesne in de volgende bewoordingen vermeld:

"Que le seigneur de Ravenstein reconnut desplaisant de tout son coeur du fait perpétré en la personne du defun et seigneur de Rassenghien,dont il demande humblement pardon,et proteta qu'an cas qu'il ne serait arrivé,iamais il n'arriveroit. Et en signe du desplaisir qu'il en avait,il s'obligea a faire dire et célébrer perpétuellement un anniversaire pour la memoire de son âme,à pareil iour qu'il estait parti du monde: Fonder une messe quotdienne et perpétuelle à semblable fin en telle église qu'il plairat aux susdit tuteur,parens et amis du defun du pupille son fils: Et faire ou faire faire deux pélerinages en leur honneur,l'un à Saint Pierre en Saint Paul de Rome,l'autre à Saint Jacques en Gallice."

Adriaan Vilain III,ondertussen meerderjarig geworden,knoopte een huwelijk aan met Margreta van Stavele (bij Veurne) en wordt door Duchesne genoemd als één der verdienstelijkste krijgsoversten van zijn tijd. Een vlek kleeft echter op zijn nagedachtenis. Hij had zich vergrepen aan de kapelaan van Wachtebeke,Adriaan Thibaut,die hij in de nacht van de tweede Paasdag deed oplichten,mishandelen en kerkeren,om welke misdaad de Raad van Vlaanderen hem voor vijftig jaar uit het graafschap bande met het bevel de stad Gent nog dezelfde dag en het land binnend de drie dagen te verlaten op straf er zijn hoofd bij te verliezen. De heer van Wakken die in deze zaak ook betrokken was,alsmede een dienaar van Adriaan Vilain,werden tot dezelfde straf veroordeeld,maar de ban werd enige dagen nadien ingetrokken. Zie daarvoor de geschiedenis van Wachtebeke.

Op genoemde Adriaan Vilain III,in 1532 overleden,volgde als heer van Ressegem zijn oudste zoon, Adolf,die de heerlijkheid niet lang in zijn bezit had. Hij daalde ten grave in 1547.

Ressegem, intussen tot baronie verheven (1533),viel te beurt aan zijn broeder Maximiliaan,te Gent geboren in 1530. Deze,gelijk de meeste zijner voorzaten,vervulde een niet onbelangrijke rol op het staatskundig toneel van Vlaanderen. Getrouw blijvende aan de godsdienst zijner vaderen en aan de koning,verdedigde hij beide met het zwaard. Op het einde van december 1566,aan het hoofd der bezetting van Rijsel en in botsing gekomen met 3.000 à 4.000 geuzen te Lamnoi tussen Doornik en Rijsel,sloeg hij hen uiteen na hen grote verliezen te hebben doen ondergaan.

Herhaaldelijk werd hij door de hertog van Alva,namens de koning,aangesteld om te Gent voor te zitten bij de vernieuwing van het magistraat,wat geschiedde van 1568 tot 1572 en van 1574 tot 1577. De kroniekschrijver Van Campene getuigt van hem dat hij vermaard was zowel wegens zijn geleerdheid als om zijn bedrijf van wapenen. Toen de troepen hier in Spaanse dienst, in september 1576 aan het muiten gingen omdat hun soldij niet betaald werd en er nog andere moeilijkheden van staatskundige aard waren opgerezen,werd de heer van Ressegem naar Spanje gezonden om koning Philip II over alles in te lichten en met hem raad te staan.

Ten jare 1578 door de geuzen te Gent gevangen genomen benevens de bisschoppen van Brugge, Ieperen,de heren van Eeke en Moeskroen, wist hij met enige lotgenoten uit het Prinsenhof,waarheen men hem had gebracht,uit de handen van zijn vervolgers te ontkomen. Adriaan Vilain III overleed te Doornik in 1583 na gehuwd te zijn geweest met Philippina de Jauche die evenals hijzelf tot een der aanzienlijkste geslachten van Vlaanderen behoorde (zie geschiedenis van Massemen).

 

De verdere heren van Ressegem,in meer dan één andere monografie genoemd ( zie o.a. de monografieën van Kalken,Massemen,Westrem en Wetteren),waren van vader tot zoon:

Jacob-Philip Vilain,graaf van Izegem,heer van Sint-Jans-Steen,enz.,overleden op 5 januari 1628. Hij was een eerste maal gehuwd in 1586 met Odila van Claerhout,dochter van Jacob,baron van Maldegem en een tweede maal gehuwd in 1596 met Isabelle of Elisabeth de Berghes,dochter van de heer van Grimbergen en van Buggenhout en van Anne Sterck,vrouwe van Bucquoy,Stabroek enz.

Philip-Lamoraal Vilain,hoofdbaljuw des Lands van Aalst en daarna gouverneur van Rijsel,Douaai en Archies,gestorven te Rijsel op 6 januari 1631 na getrouwd te zijn geweest met Margareta-Isabella de Merode.

Baltasar-Philip Vilain,graaf van Izegem en van Middelburg,burchtgraaf van Ieperen en prins van Massemen en overleden op 27 februari 1680 op een leeftijd van 63 jaar. Zijn echtgenote was een Spaanse,dona Louisa de Henriquez-Sarmiento,dochter van don Diego Sarmiento de Sotomajor en gestorven in 1675.

Jan-Alfons Vilain,geboren te Brussel op 3 juli 1655 en ontslapen te Versailles op 6 juli 1687,had als gemalin Maria-Theresia de Crevant van Humières,pair en maarschalk van Frankrijk.

Lodewijk Vilain, pas negen jaar toen zijn vader deze wereld verliet,trad op 9 oktober 1700 in het huwelijk met princes Anna-Maria-Louisa van Furstenberg,vervolgens op 20 februari 1713 met de markgravin Maria-Theresia-Charlotta Pot de Rhodes,gestorven op 8 januari 1715 en een derde maal op 16 april 1720 met princes Margareta-Camilla Grimaldi de Monaco. Hij overleed kinderloos op 6 januari 1767.

Als erfgename van de voorgaande en als vrouwe van Ressegem werd het nu de oudste dochter van zijn broer,met name Elisabeth Paulina van Gent,geboren op 20 oktober 1737 en op 11 januari 1755 te Parijs ten altare geleid door Lodewijk-Leo Felicitas van Brancas,hertog van Huranguais. Deze met aardse goederen mild begunstigde edelvrouwe,deelde in het gezamelijk lot van velen gedurende de gevloekte dagen van het Schrikbewind. Op 6 februari 1794 viel haar hoofd onder het mes van de guillotine. Het is met haar dat we deze lange lijst van heren en vrouwen van Ressegem afsluiten.

 

Volgens De l'Espinoy (zie Massemen) voerden de oude heren van Ressegem in hun banier: "d'azur au lion d'or", hetzelfde wapen als dat van de heren van Massemen. Het wapen van de familie Vilain,gesproten uit de oude kasteleinen van Gent,was: "de sable au chef d'argent".

 

III. DE HEERLIJKHEID VAN RESSEGEM

 

De heerlijkheid van Ressegem strekte zich tevens uit over Borsbeke. Het bestond,wat men foncier noemde,uit een omwald opperhof of kasteel,in de nabijheid van de dorpskerk,met een daarvan afhangende neerhof en weiden,vijvers,broeken en bossen met een totale oppervlakte van 32 bunder. De heer bezat er drie graden van het gerecht hetgeen in zijn naam bediend werd door een baljuw en een luitenant-baljuw en daarboven een schepenbank en een leenhof waar 70 achterlenen (63 in 1534),waaronder enige in de Vier Ambachten,afhankelijk waren.

De schepenen gingen ten hoofde naar Aalst en de baljuw mocht in de naam van de heer 3 à 4 maal per jaar een "waerhede" houden,m.a.w. een onderzoek doen over de misdaden en overtredingen,op welk onderzoek al de onderhoringen der heerlijkheid dienden te verschijnen op straf van een boete van 2 schell-parisis.

Hier,zoals elders,kwam aan de heer de nalatenschap toe van de goederen der bastaarden en van de vreemdelingen. Hij inde tolgelden en boeten,verkreeg tiendepenningen samen met tal van andere heerlijke rechten en inkomsten waaronder: 33 pond en 16 schillingen,8 derniers parisis in penningrechten,128,5 kapoenen,175 hoenderen,100 eieren, en 12 meukens haver. Ook bezat de heer van Ressegem en Borsbeke het uitsluitend recht van jacht en visvangst en waren de ingezetenen hem jaarlijks een dag karwei verschuldigd: de houders met paarden met hun dieren en de anderen met handenarbeid,zoals in 't land van Gaver.

Tot de heerlijkheid behoorde een windmolen,waar al de onderzaten verplicht waren hun graan te laten malen. De heer stelde ook de Kerk- en H. Geestmeesters aan alsook de koster hier en te Borsbeke. Hij had eveneens de begeving van 2 kapelrijen,de ene gesticht in de kerk van Ressegem onder de titel van O.L.Vrouw,de andere in het kasteel die de kapelrij van de hove genoemd werd en belast met drie misssen per week.

Hier de inhoud van de oude oorkonde:

"Maximiliaen Vilain,baron van Reesseghem,Iseghem,vrijhere van Sint-Jans-Steene,here van Calckene,etc.,voocht van Wichelen ende Serskamp,eerpachtig colateur van Assene-Ambacht,houdt van den hove van Gavere de bamnerije,eerde ende heerlicheyt van Reesseghem,metten apendenten ende dependentien van diere,staende 't voorseide leen teenen vulken reliefve van X. lib. parisis en de XX S. parisis van camerlync ghelde,ende als ment vercoopt zoo moet mijne heere de Prince van Gavere hebben den Xde pennyne van dat ghelt,naer costume."

"Eerst zo behoort totter voornoemde bannerije, eerde ende heerlelikeyt van Reesseghem de hooghe, middele ende neere justitie, tol, ende alle gevonden goedijghen, stragiersgoet, recht van confiscaten, als van bastaerden ende van den ghenen die bij heuren faicten ende misdader heurlieder goet verbeuren; de beste hoofden, baten van LX. lib. parisis en de daarondere, daeraf de mannen van leene ende schepenen van deser heerelichede hebben de kenisse, ende bij speciale al dat eenen hooghen justicier toebehoort.

Item behoort totten voorseyden heerschape en baillu, stedehoudere, pratere ende boswachtere, een hof van mannen van leene, daerof dat ghehouden zijn LXX leenen ofte daeromtrent, van welcken leenen eenighe in de Vier Ambachten ligghende, alsnu verzoncken zijn in de zee, waeraf dotter zijn veertig leenen die staen ten vullen reliefve van X lib. parisis ende XX s. parisis van camerlyne ghelde, ende dander detich leenen, ofte daeromtrent, staen ter bester vrome van drijen ende XX s.par. van camerlyne ghelde, ende als eenighe van dese vorseide leenen vertieren bij coope ofte anderssins, dan betaelen zij den X pennyne, relief ende camerlyne ghelt, boven sbaillurs ende der mannen recht; welcke mannen hebben kennisse ende gheven jugement ende sententie van alle criminele ende grove zaken, den live aengaende, bomen uten voorseynde heerschepe den termijn van vijftich jaren, twintich, thiene, zesse, drije ofte een jaer, naer d’exigentie van der zaeke, te ruimen binen zomerschijne uteraerde, ende binnen derden daghe zo verre als den ban bestreckende mach, naer doude costuyme, ende dese mannen gaen ten hoofde voor de voorseyde mannen van Gavere, ende leenden, die van de voorseiden hove van Reesseghem ghehouden zijn, die baillui ende mannen hebben, die commen ten hoofde voor de mannen van den hove van Reesseghem.

Item behoort ten voorseyden heerschepe van Reesseghem een vulle lanc van zeven schepen, die hebben kennisse van banneuve uten voorseyden heershepe ende berecht van baeten tot LX lib.parisis ende dover ondere, ende van alle criminele zaken ghelijc van andts ghecostumeeert es, ende dese shepene gaen ten hoofde voor schepenen van der stede Aelst.

Item de bailliu of synen stedehoudere die vermach alle jaere thaudene drij, vier waarheden, met mannen en de schepenen, daer vraecht men naer alle mesdaden en faieten, die binnen den voorseyden heerschepe mesdaen ofte ghevallen zijn, tzij erin of eivel, alzo dat ghecostumeert es, ende daer zijn schuldlich te commene alle de onderzaten van den voorseyden heerschepe van Reesseghem, op de boete van II(2) sc.parisis, teleken als zij dies in ghebreke bliven ende vondt de bailliu te dier plaetsen eenighe afgezetene persoonen, die vermach hij te dier waerhede te doen horene; ende tojuent dat in dese waerhede bevonden, gepubliceerd ende gheopent wert, de voorseyde bailliu moet datte beleeden en procedeeren bij der wet, tsy bij mannen oft schepenen, daer de kenisse behoort; ende zoo ooc zo kennen schepenen van allen erfven, ligghende onder’t voorschreven heerschip, te eerrffvene ende onteerfvene, zonder ymand anders recht daersaene te hebbene, vanwelche gronden, hoedanich dien zijn, rentende of niet, also onteerft bij coope of anderssints, heeft mijn heere van Reesseghem den X pennyne naer costume.

Item behoort ter kenisse van bailliu ende schepenen de Waerderene van den vleesche, broode ende dzane, ende visiteren van den potten, maten en de ghewichten, van weghen, stichelen, brugghen, plancken, heckene, shisen, utliken, ende van stoppene ale op zijn eerfve; ende van desen behooren den heere van Reesseghem de boeten, daertoe staende.

Item ende ghebeurdet dat schepenen van Reesseghem abuys daden ofte quaet vonnisse maecten, daerof zo vermach de bailliu de selve schepenen te betreckene voor de mannen van de voorseyden heerschepe, die daeraf kennisse en de berecht hebben, ende misdaeden ofte boeten, daeraf commenende, behooren toe den voorseyden heere van Reesseghem, ende insghelijcx op dat gheviele dat de mannen van desen hove eenich abuys ofte quaet vonnisse maecten, de ander mannen van den voorseyden hove, die inder misdaet niet begrepen waren, souden daeraf de kennisse ende berecht hebebben, ende de misdaet en de boeten, daeraf commende, behooren ooc toe den heere van Reesseghem.

Item den bailliu ofte zijnen stedehouder die vermoghen eenen heerlichen dach te nemen van alle zaken, te wette dienende, voor mannen ofte voor schepenen totten naeste ghenachte, blijvende in den selven staet, staende daertstaet, ende meer ghemachten, op dat partije daer inne consenteert. Item de bailliu ofte zijn stedehoudere moghen bij der wet vrede maken tusschen partijen, die in ghescille zijn deen jeghens dandere, ende op dat de heerlicke vrede van eenighe partijen ghebroken wierde, die zoude daeromme ghecondemneert worden in de boete van tsestig ponden parisis, ten proffijete van den heere van Reesseghem.

Item de bailliu ofte zijnen stedehoudere vermoghen van alle zaken van ghevechten ende misdaeden, ghesciet binnen der voorseyden heerschepe van Reesseghem, tsij crimineel ofte civiel, buiten jugement van den mannen ofte schepenen, naer dat de zake heescht, houden ene waerhede, gheheeten eenen dachkeur, alzo diewils alst hemlieden goet dunck, ’t sij offitie weghen ofte verzoucke van partije, ende daermede bedwinghen te commene bij kerckgeboden, alle de gene die van der zake zouden moghen weten, ende daer zo zijn zij schuldich te commene, op de boete van twee groote, ten fijnen dat van den zelven faulten ende misdaden vonnisse volcommen mach. Item de voorseiden bailliu ofte zijnen stedehoudere moghen van alle zaken ende ghevechten, gheschiet binnen den voorseyden heerschepe, bij jugementen van mannen ofte van schepenen, naer dat de zake heescht, terstont inne stellen eenen heerlicken keur, zonder kerckghebot, ende daerop doen hooren alsulke persoonen alst henlieden betreft, ende dan daeraf nemen sententie ofte vonnisse, terstont, ofte utstellen eens of meer oorconschap, also dat van audts gheconstumeert es.

Item zo vermach de heere alle bannen, bij de mannen ofte schepenen ghewijst uten voorseyden heerschepe van Reesseghem, wederroepen ende guijte schelden ende selve ghebannene volcommelic restitueren de voorseyte aerde ende heerlichede, ende ooc in al hierlieder goet, dat zij hebben onder de voorseyde heerlichede van Reesseghem ligghende, daer de heere inne gherecht zoude moghen wesen, alzo dat gheconstumeert es.

Item eenen wintmeulene, staende op ’t voorseyde heerschepe van Reesseghem, daer alle de onderzaeten ende alle andere, diet ghelieft, commen malen.

Item zo moeten alle de onderzaeten van der heerlickede van Reesseghem alle jaere eenen dag craweyen binnen den hove, omme dmes uit te doen, es te weten, die waeghen ende peerden houden met heure peerden ende waeghene, die moetent uitdoen op ’t velt, ende dander met heure leden, ende eenen meersch gheheeten den Viret, moeten de onderzaeten, die gheen waeghen noch peerden en hebben, hoyen ende terden, ende ieghene die waghen ende peerden hebben moeten inne voeren binnen den voorseyden hove ende hem zelven daen gaffelen.

Item behoort ter zelve heerlickheit twee vrije warande met conijnen, partriserie, vogelvrije, van riviere ende andere.

Item behooren ten voorseyden heerschepe diversche onderzaeten, die jaerlijcx betalen de rente hier naer verclaerst, gaende ut heurlieder gronden van eerfven, die haer bestreckende zijn binnen der heerlickhede van Reesseghem, Borsbeke, Cotthem, Burst, Hollebeke ende Woubrechteghem; ende dese voorseyde betaelen ooc zo wanneer zij heur eerffven vercoopen den X pennine ten proffijcte vann den heere van Reesseghem, ende zo wanneer zij gaen van live ter doodt, betaelen zij dobbel rente. Item hier compt inne in eerffelicke pensine rente, vallende te Kerssavent, XXXV lib. VJs.viiid. of Xij s. ofte daaromtrent.

Item hondert xxxviij cappoenen en half. Item jeLxxv hoenderen ende drij vierendeel hoens. Item omtrent xij molens evene, elcx luttel min oft meer. Item in eerfven ghehouden in leeme, midts den opperhove ende nederhove metten ommeloopen, grachten, vijvers, bosschen, winnende lant, meersschen ende broucken, al te gadere dertich bunderen ofte daeromtrent. Item noch eenen schoof gheheeten den iiije schoof de thien afgaende, streckende binnen den heerschepe voornoemt, die diverssche baten schuldich sijn.

Item behoort ten voorseyden heerschepe de colatie ende ghifte van twee capelrijen,deen gheheeten de capelvrije van onser Vrouwe in de kercke van Reesseghem, ende dander de capelvrije den casteele, castrael zijnde, ende voort ghifte van der costerije van Reesseghem ende van Borsbeke. Item zo behoort men te doen op thoff van Reesseghem drije missen de weke, sheeren gheliefte, ende eendt de cappelvrije van den hove, daeraf de goedinghen ligghen binnen Reesseghem ende Massemen."

(Leenboek des Lands van Gaver,n°7,blz.285 – Staatsarchief te Gent)

 

Volgens het denombrement van 1473 was de heerlijkheid destijds geschat op een jaarlijks inkomen van 28 pondgroote. Een der achterleenen, met name ’t goed te Wittevelde, onder Borsbeke, was in ’s heeren voordeel belast met een jaarlijksche rent van 24 pond parisis. Een ander achterleen, ter grootte van 12 bunder bekend onder de naam van “ter Waerden”, behoorde ten gemelden jare aan Simoen Borluut.

Het kasteel van Ressegem, van hetwelk niets anders meer te zien is dan een deel der oude wallen en eene aardhoogte, sedert 1843 ingelijfd in den hof der pastorij (bij afstand van den prins van Arenberg, eigenaar van het oudheerlijk domein dezer gemeente), is sedert de xviie eeuw niet meer in wezen. Van Gestel spreekt er van in de volgende bewoordingen:

“Hic loci quondam stetit insigne castellum Dynastarium Rassingemiensium, sed pristinis bellorum motibus et injuria temporum interiït.” Sanderus maakt er geen melding van.

Het oud archief der vierschaar van Ressegem en Borsbeke berust in de handvestenverzameling van den staat van Gent. Te Ressegem bestaat er nog een Landboek van 1766, opgemaakt door de gezworen landmeter Lieven-Frans Mabilde en bewaart men de doop- en huwelijksregisters, aanvangende met 1636 alsmede de overlijdens sedert 1731.

 

BALJUWS van RESSEGEM

Jan Tuskaevens

1463

…………………………

……….

Reinant van Willebeke

1538

……………………….……………

……….

Joost van der Llinden

1676

………………………………….

……….

Pieter van Melkebeke

1774

B.-M De Poortere

1785

 

 

 

 

BURGEMEESTERS van RESSEGEM

J. de Vuyst

1803 tot 1808

T.D. van Waeyenberghe

1808 tot 1823

J.-B. van Waeyenberghe

1823 tot 1825

Sebastiaan-Jozef de Vuyst

1825 tot 1830

Dominicus van der Maeren

1830 tot 1851

Eduaard van der Maeren

1855 tot 1893

Constant van der Maeren

1894 tot 1918

Alfred van der Maeren

1921 tot 1926

Hector van der Maeren

1927 tot 1958

Albert Eeckhout

1959 tot … fusie Herzele

 

 

 

IV. DE KERK:     kerkdorpel: hoogte: 60,47 meter boven de zeespiegel

 

De kerk dezer parochie is toegewijd aan den H. Mauritius, den aanvoerder van het Thebaansche legioen, die met zijne christene onderhorigen in 286 (of 303) den marteldood stierf omdat hij geweigerd had te gehoorzamen aan het godloze bevel van keizer Maximilianus. Dit voorval had plaats in het tegenwoordige Walliserland, tussen Agaune (thans St.-Maurits) en Octodorum (thans Martigny). De lijken van deze martelaren werden op wonderbaarlijke wijze in de VIe eeuw teruggevonden , waarvan Sigismond, koning van Burgondië, daar ene abdij stichtte, die later beroemd werd.

Wij gissen dat de kerk hier na de eerste kruisvaart zal tot stand gekomen zijn. Immers, het is gekend dat vele Vlaamse edelen, vóór hun vertrek naar het H. Land, de belofte hadden afgelegd ene bidplaats in hunne heerlijkheid, daar ten minste waar er nog geen bestond, op te richten en wij zien er niets gewaagd in te veronderstellen dat de relikwie van de H. Mauritius met dit doel naar hier werd medegebracht. Wat er van zij, zeker is het dat Ressegem reeds ene kerk bezat in 1147 ( zij bestond reeds als kapel in 1088), wanneer Nicolaas, bisschop van Kamerijk, op verzoek van de abt van Clairvaux, de abdij van St.-Ghislain in Henegouwen, er mede begiftigde (C. Van Gistel,Hist. sacra et profana arch. Mechliniensis,II, 280 ) Ook de kerken van Herzele en Oombergen werden toen insgelijks aan gemeld sticht afgestaan en niet aan den abt van Sint-Bernaards zoals verkeerdelijk in monografieën over Herzele kunnen verschijnen.

’t Is ook uit hoofde dezer begiftiging dat gemeld sticht hier tot op het laatste der XVIIIe eeuw het patronaat uitoefende.

De kerk van Ressegem, in 1898 onder toezicht van de bouwkundige Geirnaert van Gent, gelukkig hersteld, biedt nog duidelijk de kentekens aan van haar oude oorsprong. Ter uitzondering van van boven de voorgevel oprijzende toren en enige andere delen, is zij opgebouwd met de witte inlandse Balegemse hardsteen, met zware vooruitspringende drummers en stenen verstermonelen. Oospronkelijk een kruiskerk, bestaat zij thans uit een middenbeuk en twee zijbeuken en langs beide zijden door vier dunne peilers geschraagd. Het gewelf van de middenbeuk is van hout.

De zijaltaren zijn toegewijd aan O.L.Vrouw en aan de H. Mauritius. Weinig of geen schilderwerken zijn in deze kerk voorhanden. Wij troffen er alleen een “Christus op kruis” aan benevens de “HH. Harten van Jezus en Maria” en een oud onbeduidend doek dat in de sacristij hing en voorsteldt: “ de herders bij ’t kindeke Jezus”. De kuip van de predikstoel vertoont een wapenschild met twee leeuwen waaronder de spreuk: “Pays maect liefde”. De twee biechtstoelen komen uit de kerk van Aaigem en het oude orgel uit de kerk van Wieze.

Boven het doksaal hing vroeger een merkwaardig levensgroot Christusbeeld van het begin der XVIe eeuw. Het vertoont op de vier hoeken de zinnebeelden van de vier evangelisten en hing na een tijd op de Kalvarieberg te hebben gehangen opnieuw in de kerk.

Ter linkerzijde van de ingang bemerkte men vroeger een groot beeld van de kerkpatroon op wiens voetstuk te lezen stond:

“H. Mauritius gemaakt door Mr. P. Puynbroeck, meester beeldhouwer en door zijn zoon Mr. Ed. Puynbroeck, aan den pastoor van Ressegem en door deze aan de parochiale kerk geschonken den 17 maart 1885. C. Pringels”

Het standbeeld van de H. Mauritius werd onder E.H. Pastoor Hiel verplaatst vooraan de doopvont en werd ten gevolge daarvan beschadigd. In 1973 werd het standbeeld nogmaals verplaatst wegens schilderwerken in de kerk. Hierdoor werd het standbeeld verder beschadigd, heeft men het dan in stukken geslagen en met de stukken de sacristie opgevuld, waarin een holte onder de vloer ontstaan was. Dit door toedoen van E.H. De Vleeschhauwer.

Het beeld groot en fors van aanzien (3 meter hoog en 1,5 meter omtrek) als krijgsfiguur met zwaard  en gekleed als een Romeins legioensoldaat is dus verdwenen.

De klok heeft als opschrift:

“Mauritius Ed. Van Der Maeren Burgemeester et Mater sua Joanna Theresia van Melckebeke donatores suscepesunt. J. d’Hondt pastor Ressegem A.L.J. Van Aerschodt Major et filius Carolus succesores A.L. van den Ghein. Lovanii 1877”.

Kerkstenen met opschriften vinden we hier niet en wat de kerkornamenten betreft, deze komen meestal voort van het genootschap ter ondersteuning van de arme kerken.

Vroeger waren in deze kerk verscheidene kapelrijen gesticht, onder andere ene ter ere van O.L. Vrouw. De bedienaar ervan werd toen door de dorpsheer benoemd.

Gedurende lange tijd hing Resegem af van de pastorij van Herzele; van 1671 tot in de eerste jaren der XVIIIe  eeuw van de pastorij van Borsbeke, na welk tijdstip tot in 1763 de zielzorg er andermaal door de pastoor van Herzele werd waargenomen. De eerste pastoor van Ressegem werd in laast gemeld jaar, waner voor hem een woning gebouwd werd, aangesteld.

De tegenwoordige pastorij dagtekent van 1896.

Op het grondgebied van deze parochie staan drie kapellen: de eerste ter ere van O.L. Vrouw van Lourdes, in 1877 gesticht door Anna Maria van Melckebeke, de andere aan O.L.Vrouw van Bijstand toegewijd en in 1882 opgericht. De derde staat op de Otterkant aan een wegel die naar Herzele loopt. Sedert 1901 werd deze kapel wat verder heropgericht door Donaat Baetens en Victorine Danckaert, landbouwers en steenbakkers, op hun grond. Deze kapel is toegewijd aan O.L.Vrouw van 7 Weeën.

PASTOORS van RESSEGEM 

Mark Meuleman 1481
……………………….. ……...
Pieter de Meyer 1763
Jan van den Borre 1779
Maurits van Ransbeeck 1795
Jean-Baptist Standaert 1805
Jan d’Hondt jan. 1854 tot 14/6/1880
L. van der Eecken 1880
G. van der Donckt 1883
C. Pringel 1884
L.-D. de Wannemaeker 1893
…………………………. ……….
Albert Lens 1923                 (http://www.deuzie.be/artikels/18-2-02.htm)
Frans Hiel 23/2/1964 tot nov 1969 (Erpe)
André De Vleeschauwer 7/12/1969 tot 20/4/1975 (Meerbeke)
Maurits Van Belle 04/5/1975                       (Zulzeke)
Amadé Sunaert  .......
deken Herzele: EHP Dreelinck  .......

 

 

 

V. DE REDERIJKERS

 

Er bestond in Ressegem in het laatste vierde der XVIIIe  eeuw een rederijkersgenootschap onder de benaming “Iverige Jongheyd” en met als kernspreuk:

         “Mensch vreest God met alle kracht

          Opdat gij ’t hemelrijk verwacht”

 

Van 03 mei tot 17 juli 1778 werd tot veertienmaal toe , ten huize van Jan-Balthazar d’Hondt op den Driesch, het “oordeel” vertoont, volgens het te Dendermonde bij Jacob-Jan du Caju gedrukte argument “ opgedragen uyt puere ende geaffectionneerde liefde aen den H. Krijgsheer en Martelaer Mauritius en syne Medegezellen, als Patroon en titulair deser parochiale kerke; ook aan den Eerw. Heer Petrus de Meyer, pastoor derzelfde parochie; insgelijks aen den Heer Petrus-Johannes van Melckebeke, Bailliu en ontvanger van Resseghem en Borsbeke, advokaat geadmitteert in den Raede van Vlaenderen etc., alsmede aen de Wethouders, Greffier ende Notabele der voornoemde parochie.

 

 Het argument eindigt met het naamdicht te lezen als inleiding vooraan deze pagina.

 

 

Copyright © 1999 – 2003 - José Danckaert - All rights reserved.