Hasseltse Jeneverstokers en hun families

 

 

 

De Hasseltse Jeneverstokers en hun families

Vooraf

Vermoedelijk vanaf de zestiende  eeuw werd er reeds jenever gestookt in Hasselt, dit was evenwel nog zeer kleinschalig. Hasselt was in deze periode voornamelijk een import- en exportcentrum voor wijnen ook waren er enkele brouwerijen De geleidelijk veranderde drinkgewoontes bracht de brandewijnproduktie langzaam opgang. Men ging ook met graan stoken, wat gezien het herhaaldelijk verbod om met graan te stoken wel  problemen gaf.
In 1725 waren er in Hasselt een veertigtal stokers waarvan de meeste eerder gelegenheidstokers waren.

De eerste bloeiperiode van de jeneverindustrie was rond 1770 mede door de gunstige tolmaatregelen en een betere wisselwerking tussen de landbouw en de jeneverindustrie, ook beschikte men in die periode over verbeterde stookinstallaties.  Er werd zelfs jenever uitgevoerd en men noemde Hasselt “le nouveau Schidam”. Met de draft, afval van het gestookte graan, werden in de zeventiende eeuw vooral varkens en in achttiende eeuw ossen vetgemest. Die de Kempische boeren  voor de winter tegen lage prijzen verkochten en waarvan het vlees later aan de Luikse slagers verkocht werd.  De arbeiders in de stokerijen waren niet alleen stokersgasten maar een aantal werkte ook als stalknecht,  met het mest uit de stallen werden heidegebieden rond de stad vruchtbaar gemaakt. Achter het stadhuis was er vanaf 1870 een wekelijkse markt waar de stokers hun vetgemeste dieren verkochten.

Tijdens de achttiende eeuw groeide het aantal stokerijen gestadig en nam de productie toe. Tijdens de Franse werd de jeneverindustrie de belangrijkste nijverheid in de stad, dit zou zo blijven ondanks herhaaldelijk verbod om te stoken, tot 1870. De overheid was het stoken wel genegen omdat het geld in de stads- en staatskast bracht maar wou het gebruik van graan voor niet menselijke consumptie stevig in de hand houden. Om de bevoorrading van broodgraan te verzekeren in tijden van schaarste legde de overheid een verbod op om met graan te stoken. In die periode lagen de stookinstallatie lange tijd stil. Soms moesten de stokers zelf hun distilleerzuilen op het stadhuis inleveren. Na protesten van de stokers  stond men een beperkte en streng gecontroleerde  stookactiviteit toe op voorwaarde dat dit met "vreemd" graan of graan dat ongeschikt was voor de menselijke consumptie gebeurde.
Het gebeurde ook dat er associaties of vennootschappen opgezet werden, een eigenaar of geldschieter sloten een overeenkomst met stoker om samen een stokerij te starten. Zoals bvb omstreeks 1783  tussen advocaat Engelbertus Meugens, bezitter van een stokerij en de "zaakvoerder" J. Guffens en in 1789 tussen Joannes  Gisbertus Vliegen, eigenaar, en stoker Daniel Willem Gilis.        

Tijdens de Hollandse overheersing stonden de nieuwe belastingen en concurrentie van Schiedam de verder ontwikkeling van de jeneverindustrie in de weg. Van 1822 tot 1833 werd er accijns geheven op het eindproduct en niet op de hoeveelheden gestookt graan zoals dit voor 1822 en na 1833 het geval was.

Vanaf de Belgische onafhankelijkheid ging de ontwikkeling van de jeneverindustrie zeer snel omdat de Hollandse beperkingen en concurrentie wegviel. Rond 1836 waren er een vijfentwintigtal stokerijen gevestigd die meer dan de helft van de Limburgse jenever produceerden. Maastricht telde toen 16 stokerijen, Sint-Truiden: 7, Venlo: 4 en Roermond: 1. Het hoogtepunt was van 1860 tot 1870,  dit was vooral te wijten aan de opkomst van de stoommachine en nieuwe distillatietechnieken, het vinden van nieuwe middelen tegen de runderpest en betere wegen en spoorverbindingen. In 1869 werden er niet minder dan 787.204 hl graan gestookt, dit was de opbrengst van ongeveer 35.000 ha landbouwgrond, men kan dus gerust stellen dat het grootste deel van de graanproductie in de Hasseltse moutkuipen verdween. Een aantal stokerijen begonnen nu ook stilaan een industrieel uitzicht te krijgen. De bloeiende jeneverindustrie was ook de reden van het ontstaan van tal van nevenindustrieën zoals slachthuizen,  een gelatinefabriek, banken en tal van ambachten.

Vanaf 1880 gaat de jeneverindustrie langzaam achteruit en verdwijnen er stokerijen en gaat de productie achteruit. Verschillende redenen zijn hier de oorzaak voor:  uit melasse (dikvloeibare afval van de suikerbieten die na de suikerbereiding overblijft) kon men goedkoper alcohol distilleren,  dit werd door de verlaging van de accijnzen hierop door de overheid bevorderd terwijl het stoken uit graan eerder werd tegengewerkt. De Hasseltse stokers paste zich niet of veel te laat aan aan de nieuwe situatie.  Ook de landbouwpolitiek wijzigde,  veel boeren schakelde van graanteelt over naar veeteelt waardoor de jeneverstokers hun monopolie op de vleesmarkt verloren. Ook de sterk verhoogde accijnsrechten op sterke dranken en uiteindelijk de wet Vandevelde  deed het jeneververbruik in heel het land dalen.

Dit betekende evenwel niet dat Hasselt afgedaan had als jenevercentrum een aantal van de bedrijven gingen zich toeleggen op versnijden en aanmaken van likeuren. Een belangrijk bedrijf van deze nieuwe activiteit was Notermans die omstreeks de eeuwwisseling  heel wat bijval oogstte  met haar likeuren met o.a. een gouden medaille op de tentoonstelling in Brussel (1886) en Parijs (1889). Ook de firma Ponet schakelde  met succes over op de likeurproducktie.    

Tijdens de eerste wereldoorlog verdwenen veel stokerijen omdat hun koperwerk in beslag genomen werd voor de wapenindustrie.

De eerste Hasseltse stokers

Rond 1800 was Hasselt nog kleinschalig en jenever stoken was een huisnijverheid, de toenmalige stokers waren eerder gelegenheidstokers en waren willekeurig in de stad verspreid. Waarschijnlijk gebeurde het stoken in een achterliggend gebouw van het woonhuis.

Waar waren deze gevestigd?

Beerestraat.

Hier waren rond 1810 twee stokerijen gevestigd, Houben en Stellingwerff. De Beerestraat lag in een van de oudste wijken van Hasselt thans staat hier de Twee Torenwijk.

Demerstraat

Het huis “St-Joseph” was in de 17de eeuw woonst van de jeneverstoker Mathijs Pricken in de 18de eeuw woonde hier de stoker Baerts.

Arnold Baerts had in het huis de “bonten Os” tot in 1791 een branderij.

Maastrichterstraat

In het huis “Sint-Franciscus” woonde stoker Vanderlocht van 1782 tot 1836, later werd dit huis in twee verdeeld respectievelijk in “de Kleine Halle” en “de Biechtstoel”.

In het huis “de Bonte Os, gelegen in de huidige Kleine Maastrichterstraat, woonde en stookte R. Vaninthbroek tot 1754.

Onze-lieve-Vrouwesteeg

J.A. Droogmans verenigde in het begin van de 17de twee huizen tot een stokerij. Deze stokerij werd in 1747 verkocht.

Paarsdemerstraat

G. Willers-Joris bezat hier reeds in de tweede helft van de 17de eeuw een stokerij die in 1730 overgenomen werd door Jacobs en in 1780 op zijn beurt door Meugens. Het huis heette "Sint Paulus".

Stokers vanaf eind 18de eeuw

Vanaf het eind van de 18de eeuw ontstonden de ambachtelijke en industriële stokerijen. De meeste van deze stokerijen waren in het noordelijk gedeelte van de stad gevestigd, de zogenaamde Kempische wijk. Dit had twee redenen in dit gedeelte van de stad lagen verschillende kloostercomplexen, bij de openbare verkoop tijdens de Franse  bezetting boden deze gebouwen en gronden voldoende ruimte  voor nieuwe industriële activiteiten. Anderzijds bood de nabijheid van de Demer-aftakking  voldoende water die de stokers nodig hadden om hun installaties te koelen. Stokers die niet vlak aan de Demer gevestigd waren deden een aanvraag bij het stadsbestuur tot aanleg van een kanaaltje of riool  van de Demer tot aan hun stokerij. Toen in 1858 de aftakking (kanaalkom) van het Kempisch Kanaal (huidig Albertkanaal) in gebruik werd genomen hierdoor lag voor de jeneverindustrie de weg open met de haven van Antwerpen en de internationale export.

De meeste stokers waren ook zeer actief op de vleesmarkt en hadden gemiddeld ongeveer een 100-tal ossen in hun stallen die ze vetmestte met de afval van het gestookte graan. Sommige hadden zelfs nog stallen buiten de stad.
De grootste bedrijven hadden ook een eigen graanmolen en een mouterij.

In 1839 werd door Pieter Jan Willems de eerste stoommachine in een stokerij geplaatst, hierdoor kon zowel de graanmolen als de apparatuur in de stokerij in beweging gebracht worden en kon er op mankracht bespaard worden.

 Vanaf de 19de eeuw kwamen er ook buiten de stad stokerijen meestal op een landgoed bestaande uit een woonhuis, stallen en een stokerij. Andere vonden dan weer onderdak op een hoeve waar de stokerij ondergebracht werd in de stallen.

Stokerijen in het Stadscentrum

Achter de Molen en in de Demertsraat

In 1875 neemt Jean Julien Michel Ponet de stokerij van zijn vader over en verplaatst ze naar de Demerstraat. Deze stokerij lag ongeveer op het huidige Molenpoortplein.

Blindenmurenstraat (huidige Bonnefantenstraat) en Paardsdemerstraat.

Stokerij van Pierre Florent Jos  Platel wordt in 1871 overgenomen door zijn zoon Julien Joseph. In de 20ste eeuw is het gedeelte aan de Bonnefantenstraat eigendom van Fryns G & Cie. De gebouwen worden afgebroken voor de bouw van het RTT-gebouw.

Blindenmurenstraat en Demerstraat.

Burgemeester Pieter Jan Willems was eigenaar van deze stokerij. De gebouwen van deze stokerij, die opgericht in 1799,  waren oorspronkelijk eigendom van het Bonnefantenklooster. Rond 1972 werden de laatste restanten afgebroken voor de bouw van het nieuwe R.T.T.-gebouw ook de gebouwen in de Demerstraat werden vervangen door nieuwbouw.
Pieter Jan Willems die ook de vader was van dokter Willems bezat nog een stokerij in de Demerstraat, een graanmolen in de Paardsdemerstraat, een zoutziederij, een brouwerij en een steenbakkerij.

Boulevard

Rond 1687 lag op de boulevard de stokerij Peetermans Fr. & Cie

Rond dezelfde periode lag ook op de boulevard de stokerij Jacobus Vinckenbosch-Vandercapellen.

Boulevard aan de Kempische Poort.

Hier lag de stokerij van A. Croonenberghs en Frans Dieudonné Farcy. Farcy was zeer welstellend en bezat verschillende huizen op de Grote- en Botermarkt, was ook azijnfabrikant en bezat een graanmolen naast de stokerij.

Capuciennestraat

De gebouwen van het voormalige Capucienneklooster, dat tijdens de Franse bezetting verkocht werd na de opheffing van de orde,  werd gekocht door Gerard Thoelen die er een stokerij onderbracht. Deze stokerij werd achtereenvolgens overgenomen door Pierre Jan Ory, Jean Jacques Van Vinckenroye en Jan Van Vinckenroye die er stookte tot 1887. De stokerij werd afgebroken voor de uitbreiding van het Atheneum

 Demerstraat

In het huis “Het Gulden Spoor” (naast het Demermanneke) had Joes Hussen vanaf 1777 een stokerij. Deze werd in 1819 overgenomen door Laurens Palmers die ook reeds een stokerij bezat aan de Molenpoort.

In het huis “de Fransche Kroon” had Hubert Vanstraelen een stokerij en later zijn zonen Frans en Jean Jacques. Hubert was tevens brouwer.

Het huis “St-Joseph” was sinds het begin van de 18de eeuw eigendom van de familie Baerts tot 1846 was hier een stokerij. Huis was voorheen eigendom van de stoker Pricken.

In het huis “het Groot Fortuynn” was in de 17de  en de 18de eeuw  een brouwerij gevestigd (uitgebaat door Willems) en werd in 1793 publiek verkocht aan Hendrik Vinckenbosch. Zijn zoon, kleinzoon en achterkleinzoon woonden in dit huis en richtte er een branderij, azijn en gistfabriek op welke ook een groot stuk van de achterliggende Raamstraat innamen. De stokerij lag in de Demertstraat waar later ooit een bioscoop was, langs de stokerij liep er ook een steeg die de Demer- met de Raamstraat verbond.

Het vervallen huis “de Bonte Os” van Arnold Baerts werd in 1791 door Herman Van Rey gekocht.  In de Bonte Os had Arnold en zoon en kleinzoon Willem hadden er een branderij die door Willem werd overgebracht naar de oude vuurmolen in de Paardsdemerstraat.

Demerstraat en Gasthuisstraat

Felix Theodoor Cordens had in een achterliggend gebouw aan zijn huis aan de Demerstraat een stokerij  die werd opgeheven in 1872. Het perceel werd eigendom van Cyriel Elens in 1874 samen met een perceel in de Gasthuisstraat, Jos Thiers had hier in 1835 een stokerij die daarna in bezit kwam van Frans Martin Nijs die ze in 1874 aan Cyriel Elens verkocht. Deze stokerij bleef bestaan tot het begin van de 20ste eeuw.

Dorpstraat

In de eerste  helft van 1800 was hier een zoutziederij gevestigd en in de tweede helft van de 19de eeuw de stokerij Vanstraelen en in de 20ste eeuw stookte Guillaume Ponet er.

Isabellastraat

Weduwe Nicolaas Maes had hier een stokerij die later verhuurd werd aan Jan Ory, in de 20ste eeuw werd de stokerij verbouwd tot woonhuizen.

Molenpoort

Huis “de Pijp” lag op de hoek van de Molenpoort en de Demerstraat en was eigendom van stoker Henri Peetermans. Het huis werd afgebroken voor de verbreding van de doorgang.

Nieuwstraat (huidige Koning Albertstraat)

In het huis” de Gulden Leeuw” vlak bij huidige Boulevard lag de stokerij van  stoker  Willem Smeets en zijn zonen. Vanaf 1868 was de stokerij in het bezit van Frans Martin Nijs die regelmatig de installatie uitbreide.  Het stokerijcomplex is verdwenen met de bouw van de herenhuizen in de 20ste eeuw langs het Leopoldplein.

In het huis “In de Duyve” had weduwe Basteyns er van voor 1836 tot 1844 een azijnfabriek en stokerij, daarna nam haar schoonzoon Louis Croonenberghs de zaak over en verkocht ze in 1875.

In de Nieuwstraat lag ook nog de stokerij van Jos Wery & Cie

Paardsdemerstraat

Hier zaten achtereenvolgens Engelbertus Meugens, Weduwe Willem Vandercapellen (voor 1837) en Jacques Vinckenbosch (1843). In 1904 werd er ook een brouwerij aan toegevoegd. Het complex verdween met de bouw van het R.T.T.-gebouw na WO II.

In het gewezen Oud Mannenhuis werd door Jozef Fabry een stokerij ingericht. De eerste vermelding van deze stokerij is van 1837. Zijn weduwe huwde later Guillaume Bossy die de stokerij overnam. Ook dit gebouw verdween met de bouw van het R.T.T.-gebouw.

In dit pand richtte Jan Willem Bamps rond 1814 zijn stokerij op,  later rond 1842 werd er door Vanvinckenroye,  en Van Rey een vuurmolen opgericht. Deze vuurmolen werd later door Van Rey omgevormd tot stokerij door Willem Van Rey die er zijn stokerij uit de Demerstraat overplaatste. Gebouwen zijn afgebroken voor de bouw van het R.T.T.-gebouw.

Ten oosten van de gebouwen van Van Rey lag de stokerij van weduwe Arnold Schouterden. Ook deze gebouwen verdwenen met de komst van het R.T.T.-gebouw.

Op een perceel waar de familie Van Rey in de 19de eeuw een stokerij had. In de tweede helft van de 19de eeuw kwam dit perceel in bezit van Henri Brepoels-Schoofs die het bij zijn mouterijcomplex, gelegen op de hoek van de Raamstraat en Paardsdemerstraat,  voegde.

Het hoekhuis “de Warande” gelegen op de hoek van de Demer- en de Paardsdemerstraat was eigendom van Gregoor Vandersmissen. Het werd in 1782 voor de helft verkocht door Joes Gulkens-Vandersmissen  aan  zijn zwager Livinus Vandersmissen die reeds eigenaar was van de andere helft. Livinus bouwde de bestaande brouwerij om tot stokerij. De stokerij werd door zijn kinderen in 1834 publiek verkocht.

Persoonstraat

Hier was de stokerij Mathijs-Milliard gevestigd in de 18de-19de eeuw.

Raamstraat

In de 19de eeuw had Jos Marie Rousseau hier een stokerij die tegenover  de achterbouw van het huis “de Drei Dragonders” lag in welk huis hij woonde. Hier brak in 1866 voor het eerst de runderpest uit.

Joes Van Elsrack richtte in het huis “de Brandewijnketel” in het begin van de 18de eeuw een stokerij op. In dit huis woonde in de loop der tijden vele stokers.

Overzicht van de stokers ven de Brandewijnketel:

1791         : de branderij Jean Nicolas Pluymers is hier gevestigd
1810-1827: branderij Poutrain-Pluymers, schoonzoon van Jean Nicolas Pluymers
1827-1833: branderij weduwe Poutrain-Pluymers
1833          : brander Cocquit
1861          : eigenaar Le Bon Pieter
1862          : brander Hubert Vanstraelen
1864          : branders Jan Vanstraelen & Co
1885          : brander Jan Vanstraelen oprichting  mouterij
1906          : brander Leon Vinckenbosch
1930          : Henri Brepoels mouter
1947          : terug als branderij ingericht door Gerard Smeets

Witte Nonnenstraat

Stokerij Stellingwerff-Theunissen

Zuivelmarkt en Meldertstraat

In 1758 werden de gebouwen van “de kleine Brandewijnsketel” en “de Grote Brandewijnsketel” samengevoegd, in het begin van de 19de eeuw had G. Wijnants hier een stokerij, die later overgenomen werd door de gebroeders Nijs. Deze breidde het bedrijf uit en hadden naast de jeneverproductie ook een aanzienlijke veestappel van ongeveer 800 ossen die deels in het centrum en stallen in Kuringen verbleven.
In 1902 werd de stokerij overgenomen door L. Croonenberghs

In de gebouwen van de stokerij is nu een taverne.

Stokerijen buiten het centrum.

Boulevard-Luikerpoort

Vanaf 179O was hier de stokerij van Eyben-Dewitte gevestigd die circa 1843 overgenomen werd door Louis. Vanvinckenroye (broer van Jean Jacques) en in 1875 door Florent  Villers. Onder de twee laatste stokers nam de stokerij een gestadige uitbreiding.

Boulevard-Kuringerpoort

Op de zuidelijke hoek van de Kuringersteenweg en de Boulevard was van 1848 tot 1878 de stokerij van Jan en Louis Pricken gevestigd. In 1870 werd ze omgebouwd tot twee privéwoningen.

Kuringersteenweg

Op de Kuringersteenweg (nu Koningin Astridlaan) recht tegenover de Frans Massystraat lag vanaf de tweede helft van de 19de eeuw tot na 1930 de stokerij Notermans.
De gebouwen zijn nu verdwenen en vervangen door woonhuizen.

Henegauw

Dit complex was eigendom van verschillende kloostergemeenschappen voor het in 1731, samen met 40 hec grond, in lekenhanden kwam. In de herenboerderij die er ontstond was vanaf het begin van de 19de eeuw een goed draaiende jeneverstokerij die uitgebaat werd door Pierre Teuwens en later door zijn zoon François.

Herckenrode

In het begin van de 19de eeuw kocht Guillaume Claes het voormalige Cisterciënzerinnenklooster  in Kuringen rond circa 1840 werd er een stokerij ondergebracht.

Hollands Veld

Aan de Hollandse steeg (nu Generaal Lemansstraat) was er in de tweede helft van de 19de eeuw een landbouwstokerij gevestigd die achtereenvolgens eigendom was van de stokers  De Luesemans, Nijs en Copieters.

Hoogbrug

In de tweede helft van de 19de eeuw had Charles Vaes hier een stokerij, waar hij in 1875 een stijfselfabriek aan toevoegde.

Kiewit

Landbouwstokerij Leynen opgericht door Emile Leynen, broer van Leon die een stokerij had aan de Molenpoort. De stokerij werd vlak voor WO I opgericht maar is nooit in werking geweest omdat de Duitsers al het koperwerk in beslag namen.

Stokerij Roberti. Zenobus Roberti kocht het goed over van zijn broers en zusters en richten er nieuwe gebouwen op van 1860 tot 1868 had hij er een stokerij. Hier is thans de kinderboerderij gevestigd.

Krutzen

Hier was de stokerij van gravin de Geloes gevestigd.

Maeseyckerweg (nu Heksenbergstraat)

Hier was de landbouwstokerij van Ferdinand Vanstraeten gevestigd, de stokerij werd in 1873 opgeheven.

Op de Hekelaar

In de tweede helft van de 19de eeuw was de stokerij van de familie Jan Frans Joseph Vinckenbosch hier gevestigd.

Eind 19de eeuw begin 20ste eeuw

De Hasseltse stokerijen die het stoken koppelde aan het vetmesten van ossen evolueerde in deze periode langzaam naar een combinatie van jeneverstokerij en likeurfabriek. De nieuwe 20e  eeuwse stokerijen speelde op deze evolutie in waren gespecialiseerd in de likeurfabricatie. De alcohol werd vaak elders gekocht en dan versneden tot Hasseltse jenever of likeur.

De enkele 19de eeuwse stokerijen die zich wisten te handhaven waren nu vrij grote bedrijven geworden. De industriële zone in het noorden van de stad onderging een verschuiving en uitbreiding naar de buitenwijken.  De nieuwe  stokerijen  en likeurfabrieken waren vaak echt industriële complexen met grote bedrijfsruimten. Tijdens WOI verdwenen veel van deze bedrijven omdat het koperwerk in beslag genomen werd door de Duitsers. Slechts enkele hervatten hun werkzaamheden na de oorlog maar dan voornamelijk in de sector van de likeur.

Stokerijen in de binnenstad

Blindenmurenstraat (nu Bonnefantenstraat)

De stokerij behoorde in het begin van de 20ste eeuw toe aan G. Fryns en Cie. De Firma Fryns was een groot bedrijf met verschillende vestigingen in Hasselt: Bonnefantenstraat, Lombardstraat, Martenlarenlaan,  Meldertstraat, Kanaalkom en Runkstersteenweg.
In de Lombardstraat  was “het Claverbladt” de eertse vestiging van de firma Fryns er werd hier jenever gestookt vanaf 1887.
De vestiging aan de Martenlarenlaan dateert van 1926 dit gebouw kwam leeg te staan toen de firma Fryns verhuisde naar de Crutzenstraat en is thans vervangen door appartementsgebouwen.

In de Meldertstraat was in het begin van de 20ste eeuw een stokerij, mouterij en een graanmolen gevestigd.

Raamstraat en Paardsdemerstraat

Het complex aan de raamstraat was eigendom van Henri Brepoels-schoefs in 1930 voegde hij er de Brandewijnketel aan toe. De twee voormalige stokerijen werden toen als mouterij gebruikt. Vanaf 1947 werd de Brandewijnketel door Gerard Smeets opnieuw als stokerij ingericht.

Witte Nonnenstraat

Stokerij Stellingwerff-Theunissen. Oorspronkelijk was dit de hoeve van het Witte Nonnenklooster. Op het einde van de 18de eeuw werd de hoeve herhaaldelijk verpacht aan stokersfamilies. Onder de Franse bezetting kwam de hoeve in de handen van vrederechter Hussen, in 1803 werd de hoeve omgebouwd tot stokerij door J.A.S. Bamps en in 1807 verkocht aan de stoker Vaesen. Uiteindelijk kwam de hoeve via huwelijk in het bezit van de familie Stellingwerff die het zijn huidig uitzicht gaf. In 1980 kocht de stoker Theunissen de stokerij en hij voegde er een likeurfabriek aan toe. Graanjenever werd er gestookt tot 1956 en de likeurproductie bleef er behouden tot 1960. Deze stokerij is waarschijnlijk de oudste bewaarde jeneverstokerij van België, thans is het Nationaal Jenevermusseum er ondergebracht

Boulvard-Maastrichterpoort

Tot 1855 was deze stokerij eigendom van Jan Frans Liesens en daarna van Louis Severy-Liesens. De stokerij was nog in werking tot na WO II. In de jaren zeventig werd ze afgebroken en vervangen door appartementen.

Raamstraat

Hier was de stokerij Smeets gevestigd, Gerard Smeets begon zijn loopbaan bij Fryns, maar tijdens de eertse wereldoorlog was er geen werk. Gerard beslisste dan om voor eigen rekening te gaan werken  In 1921 opende hij in de Kapelstraat een winkel waar sterke dranken werden verkocht, hij vermengde alcohol met kruiden. In 1947 startte hij zijn eigen stokerij in de Raamstraat. Na zijn overlijden nam zijn zoon Louis de zaak over.

Minderbroederstraat

Hier was Louis Nolens gevestigd.

Verder kennen we in de Binnenstad ook nog de stoker Marcel Pollaris

Stokerijen buiten de binnenstad

 Kanaalkom

Hier waren in het begin van de 20ste eeuw de stokerij en mouterij van de familie Vinckenbosch gevestigd. Na WO I werden de gebouwen volledig verbouwd door de firma Fryns die er een mouterij in onderbracht. Ook deze gebouwen werden later afgebroken en er kwam de groothandel “Limburgia” die op zijn beurt moet plaats maken voor de werken aan de “Blauwe Boulevard”.

Kuringersteenweg (nu Koningin Astridlaan)

Hier lagen in circa 1908 de jeneverstokerij, likeurfabriek en azijnfabriek van Michel Noblesse. Het complex werd later afgebroken voor de bouw van de Raiffeisenkas.

Maastrichtersteenweg

Hier was de likeurfabriek Looienga tot circa 1930 actief.

Joseph Pierre Charles Marie Van Briel nam de stokerij Looinga over.

De gebroeders Nelissen waren ook op de Maastrichtersteenweg actief.

Guffenslaan

Hier lag de stokerij Villers ze strekte zich uit tot aan de Toekomststraat en aan de andere kant van de Welvaartstraat lag de mouterij.

Kuringersteenweg

De kantoorgebouwen van Karel Philips lagen hier en de bedrijfsgebouwen in de Hekkelaarstraat.

Stokerijen in Runkst

In een voormalige  melkerij aan de Runkstersteenweg 81 bouwde de firma Fryns in het begin van de 20ste eeuw een jeneverstokerij deze stond onder leiding van Jules Fryns de zoon van de oprichter. In 1929 verhuisde deze stokerij naar de industriële nieuwbouw aan de Martenlarenlaan.  In 1952 werd het gebouw overgenomen door de firma Notermans die  een nieuwe voorgevel liet plaatsen en er de magazijnen en kantoren vestigde.In 1964 werd de firma Notermans volledig opgenomen in de firma Fryns die wel de merknaam Notermans bleef voeren.

De familie Haeyen afkomstig uit een Ulbeekse brouwersfamilie stookte aan de Sint-Truidersteenweg. Pierre Hayen richtte hier in 1870 een jeneverstokerij op de stokerij en de stallen lagen naast het woonhuis, waar later de wasserij Sneeuwwit zich vestigde en vervolgens de Kringloopwinkel Okazi. Zijn zoon Emiel assisteerde hem werd later de zaalvoerder. In 1929 na zijn overlijden neemt zijn zoon Paul op zijn beurt het bedrijf over en bouwt aan de overkant de villa "La Clarté" als woonhuis. Deze villa is tot op heden bewaard gebleven.

In 1920 kreeg Renier Wissels, afkomstig van de Runksterkiezel, een vergunning om een proeflokaal op te richten aan de Runkstersteenweg 39 en een likeurfabriek in de Normandiestraat 12. Renier had het vak geleerd bij de stokers Villers en Fryns. In 1926 breidde hij het bedrijf uit met een magazijn in de Normandiestraat en in 1935 werd er ook een kantoorruimte toegevoegd. Renier overleed in 1942 en na de oorlog zouden zijn zonen Paul en Lucien het bedrijf opnieuw opstarten vanaf 1947 leidde Lucien de zaak alleen en verbouwde in 1952 het pand op de hoek van de Runkstersteenweg en de Normandiestraat tot een likeurwinkel. Na zijn dood bracht zijn weduwe het proeflokaal en de likeurfabriek over naar haar woonst op de Runkstersteenweg en zette zij met succes de zaak verder. In 2004 werd de stokerij verkocht aan De Valk.

Vannisten en Pierre Roberti kochten in 1928 een pand aan de Spoorwegstraat 16 en richtte er een likeurstokerij op. Behalve hun eigen jenever "Herckenrode" distilleerden zij esprits en extracten voor andere likeurproducenten. Circa 1934 verkocht Vannitsen zijn aandeel aan zijn partner Roberti en startte in de Olmenstraat een azijnfabriek die daar tot de jaren vijftig actief bleef.   

Andere stokerijen in de 20ste eeuw

In Kuringen was er de stokerij Motmans, eigenlijk was dit geen stokerij in de strike zin van het woord er werd nooit moutwijn gestookt wel werd er sterke drank gemaakt die bekomen was door versnijding, vermenging  of infusie. Vlak na de oorlog bracht Hendrik zijn jenever Motmans aan de man. In 1945 startte hij het bedrif LIMODI op en ging  later een associatie met een boekhouder aan maar dat liep slecht af; Zo moest hij in 1950 de zaak opnieuw starten. In 1962 nam hij het merk Hollandia van zijn vriend Vandelaer over.en bracht citroen en bessenjenever op de markt maar het bleef toch in hoofdzaak een eenmansbedrijf. later nam zijn zoon Roland de zaak over.

Bronnen: Hasseltse Jeneverstokers-Ann Berger, Hasselt Jeneverstad-De Tijdspiegel
Stadsarchief, PBL, Archief Jenevermuseum, enz...

 

 

- Top -