De schijnwerper op de belangen van pleegkinderen

WETERINGS, A. M.: “Pleegzorg in Balans. Bestaanszekerheid voor kinderen.”, Garant, Leuven-Appeldoorn, 1998.

 

Vele jaren heeft Tony Weterings, een Nederlandse pleegzorg-onderzoeker, vruchteloos in de woestijn gepredikt. Reeds begin de jaren tachtig verkondigde zij de stelling dat binnen pleegzorg de belangen van ouders vaak zwaarder doorwegen dan deze van hun kinderen die in een pleeggezin verblijven. Weterings stelt dat de grondregel, die stelt dat ouders recht hebben op hun kind, veranderd dient te worden. Volgens haar dient de regel te luiden: “een kind heeft recht op opvoeding en recht op kansen om medemens te worden, ouders hebben de plicht die kansen te geven”. Niet alleen ouders mogen opvoeden. Volgens de onderzoeker uit Leiden kunnen ouders, ook zonder hun kind op te voeden een emotionele band met hun kind hebben of ontwikkelen (Weterings, Wat is een pleegkind?, 1983).

“Pleegzorg in balans” werd geschreven door verscheidene auteurs. De diverse invalshoeken van de verscheidene auteurs werkten bevruchtend. Na een schrijfproces waarin de auteurs gedurende ruim een jaar met elkaar in dialoog en discussie gingen, kwamen zij tot een geïntegreerde visie op pleegzorg. Naast Weterings, de redacteur van het boek, werd een deel van het boek uitgewerkt door een kinderrechter, een kinderpsychiater, twee psychologen en een gezinstherapeut. Alle auteurs staan minstens twintig jaar in het werkveld. Weterings zelf wordt trouwens in het boek op zijn Nederlands betiteld als “senior-onderzoeker”.

Op 21 september 98 slaagde Jeugdzorg er in om in samenwerking met uitgeverij Garant, Tonny Weterings naar België te halen om haar boek te komen voorstellen op een persconferentie. Ook de meeste co-auteurs kwamen mee naar België afgezakt. Tot onze grote vreugde daagde de pers massaal op en gaven zij er nadien ook veel ruchtbaarheid aan. Ongeveer in alle belangrijke Vlaamse dagbladen kwam een uitgebreid artikel te staan, daags na de persconferentie was Marijke Wieërs in de studio van ‘Voor de dag’. Aansluitend op de persconferentie had een debatlunch plaats met andere diensten uit de bijzondere jeugdzorg en met enkele verwijzers.

Langs informele weg krijgen wij ondertussen ook te horen dat diverse diensten voor pleegzorg en andere hulpverleners op dit boek “wachtten”. De verdedigde visie zal her en der leiden tot reflectie en discussie. Het lijkt er op dat de ideëen van Weterings, in een klimaat waar de rechten van het kind aan belang hebben gewonnen, beter onthaald worden dan vroeger.

Bestaanszekerheid als uitgangspunt.
Centraal staat het gegeven dat pleegzorg waarborgen dient te scheppen voor de ontwikkeling van een kind. Pleegzorg is aan de orde als ouders, ondanks hulp, langdurig onvoldoende in staat zijn om hun kind te geven wat nodig is om zijn ontwikkelingstaken te vervullen. Zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het kind heeft recht op een nieuwe kans voor ontwikkeling. Daartoe behoeft hij adequate opvoeding, die tot stand gebracht kan worden in een duurzame emotionele relatie tussen een kind en een volwassene, waarbij het kind leiding en stimulans krijgt.

Volgens de auteurs houdt de begeleiding van een pleegzorgsituatie in dat twee gezinssystemen begeleid worden: pleeg- en ouderlijk gezin die samen de verantwoordelijkheid hebben om het kind de gelegenheid te bieden zich te ontwikkelen tot een adequaat functionerende volwassene. De samenleving heeft verantwoordelijkheid voor haar kinderen, ook als toekomstige volwassenen. De hulpverlening ten behoeve van het kind in de pleegzorg dient zo georganiseerd te zijn dat het mogelijk is de begeleiding van twee betrokken gezinssystemen vanuit één leidend principe op te zetten, namelijk dat het kind recht heeft op een opvoedingsrelatie, zo dat het kan leren adequaat te functioneren in persoonlijke en in werkrelaties. Dit betekent dat de plaatsende en begeleidende instanties samen een handelingsstrategie moeten uitzetten waarin de ouderlijke en pleegouderlijke zorg in balans komen, zodat de zorg het kind ten goede kan komen en de bedreiging van zijn ontwikkeling wordt opgeheven. De auteurs verwachten dat bij iedere beslising die genomen moet worden de leidende vraag zal zijn: kan deze handeling het kind ten goede komen of is het risico groter dat daarmee zijn ontwikkeling belemmerd of verstoord zal worden?

Pedagogisch model
Vanuit bovenstaande idee wordt in het boek een pedagogisch model uitgewerkt dat opgevat kan worden als een stappenplan. Er worden vier stappen onderscheiden:

Stap 1: Intensieve opvoedingshulp in het gezin.
Vooraleer een kind uit huis geplaatst wordt dient intensieve opvoedingshulp te gebeuren in het gezin. Als binnen de vastgestelde termijn geen vooruitgang te zien is bij het kind kan stap 2 volgen.

Stap 2: Tijdelijke of perspectiefzoekende pleeggezinplaatsing.
Een tijdelijke plaatsing is een onderzoeksfase en dient om na te gaan of het kind een kans gegeven moet worden een opvoedingsrelatie met zijn ouders te ontwikkelen en of de ouders kunnen leren hun kind weer op te voeden, terwijl zij tijdelijk ontlast worden van de dagelijkse zorg. Om de ouders dit te leren hebben zij intensieve ondersteuning nodig. Bij de begeleiding van een tijdelijke plaatsing zal de nadruk moeten liggen op de ondersteuning van de opvoedingsrelatie tussen ouder en kind. De frequentie van de contacten tussen ouder en kind dient hoog te zijn, minimaal twee à drie keer per week.

Stap 3: Terugplaatsing op de afgesproken termijn.
Bij terugplaatsing hebben de ouders, zeker in de eerste periode, intensieve begeleiding nodig om de nieuwe wijze van omgang met hun kind te laten stabiliseren. Na daadwerkelijke terugplaatsing kan na vier à zes maanden geëvalueerd worden hoe het kind zich heeft ontwikkeld en op welke wijze de ouder nu met zijn kind omgaat. Er dient bekeken te worden of de ontwikkeling van het kind zichtbaar vooruit is gegaan en blijft gaan. Als de ontwikkeling van een kind opnieuw stagneert, dan is plaatsing in een perspectiefbiedend pleeggezin geëigend en volgt stap 4.

Stap 4: Perspectiefbiedende pleeggezinplaatsing.
Stap 4 is aan de orde als de ouder na de vastgestelde periode van hulp, thuis en/of in het tijdelijk pleeggezin, niet in staat is voor zijn kind te zorgen en niet in staat is met hem een opvoedingsrelatie aan te gaan. In deze situatie zal de beslissing genomen moeten worden dat het kind zal opgroeien in een pleeggezin. Dit kan het gezin zijn waar het kind reeds verbleef of een nieuw pleeggezin. Het kind is nu voor een opvoedingsrelatie aangewezen op pleegouders. De begeleiding zal voornamelijk gericht moeten worden op de ondersteuning van de opvoedingsrelatie tussen het kind en zijn pleegouders. De ouders voeden op dat moment hun kind niet meer op, maar behouden wel hun ouderschap. Aan dit ouderschap zal vorm gegeven moeten worden. De oudercontacten ondergaan een verandering, zij dienen immers een ander doel: vorm geven aan de zijnsverbondenheid van kind en ouders. Frequentie, aard en inhoud moeten per kind en per situatie bekeken worden. Leidraad bij het bepalen van de aard van de oudercontacten is: het tegmoetkomen aan de behoeften van het kind aan veiligheid en voorspelbaarheid en daarnaast het stimuleren van de ontplooiing van de identiteit van het kind.

Verschillende dimensies in ouder-kind relatie.
Bovenstaand pedagogisch model roept heel wat vragen op. Wat is, kan of moet de rol van de ouder zijn nadat duidelijk is dat deze de opvoederstaak niet op zich kan nemen op een voor het kind adequate termijn? Op welke wijze kan het kind zijn verworven loyaliteit opbouwen met zijn ouder? Op welke wijze kan worden voorkomen dat het kind zich door zijn ouder “weggedaan” voelt omdat hij niet door de ouder zelf wordt opgevoed? Op welke wijze kunnen loyaliteitsconflicten voor het kind voorkomen dan wel oplosbaar worden, zo dat het kind niet gedwongen wordt te kiezen tussen zijn ouders en zijn pleegouders?

Weterings meent dat de positie en functie van ouders duidelijker bepaald kunnen worden als men in de ouder-kind relatie drie aspecten onderscheidt: het ouderschap, het opvoederschap en het juridisch zeggenschap.

1. Ouderschap: existentiële relatie
Door hun kind het leven te geven, hebben ouders een existentiële band met hun kind. Deze is uniek, onvervangbaar en onverbrekelijk. Het ouderschap kan ouders daarom ook niet ontnomen worden. Geen enkele ouder wordt ooit ex-ouder. Een kind krijgt van zijn ouders steeds de basis voor zijn identiteit. De ouders blijven altijd belangrijk in verband met de identiteitsontwikkeling van hun kind.

2. Opvoederschap: opvoedingsrelatie
In de dagelijkse omgang met zijn kind kan de ouder door zijn duurzame vanzelfsprekende beschikbaarheid het kind een gevoel van geliefd zijn, veiligheid en vertrouwen geven. Hierdoor gaat het kind zich aan hem hechten. Opvoeding wordt mogelijk als de ouder naast warmte en positief affect ook structuur en consequente leiding geeft. De ouder verwerft op deze manier pedagogisch gezag. Er ontstaat een opvoedingsrelatie tussen het kind en de ouder/hechtingspersoon. Dit houdt in dat het kind zich door de ouder laat leiden en leert zijn gedrag te reguleren. Naarmate het kind ouder wordt en langer de liefde, zorg en leiding van zijn ouders ervaren heeft, is meer verworven loyaliteit ontstaan.

3. Juridisch zeggenschap: gezagsrelatie
Om het ouders mogelijk te maken hun kind op te voeden, wordt de ouder-kind relatie ook beschermd door de wet. Ouders hebben rechten gekregen om hun taak als opvoeder mogelijk te maken. Daartoe hebben ouders zeggenschap over hun kind. Zij kunnen bepalen op welke wijze zij zijn ontwikkeling willen stimuleren. Zij kunnen hem beschermen tegen negatieve invloeden. Dit ouderrecht is geen recht op zichzelf, maar is door de wetgever toegewezen ter wille van het kind en moet dus verbonden worden aan het vervullen van de plicht tot verzorging en opvoeding. De ouder ontleent zijn ouderrechten aan het feit dat hij een kind heeft en dat moet verzorgen en opvoeden. Dit is zijn belang als ouder.

Als de ouder zijn taak, de opvoeding van het kind, niet vervult, dan heeft zijn gezag over het kind geen functie meer. Het dient niet meer voor datgene waarvoor het bedoeld is. Het gezag over het kind zal dan overgedragen moeten worden aan diegene die de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van het kind heeft. Zonder gezag geeft het opvoeden van een kind problemen. Het is niet in het belang van de ouder zijn gezag te behouden als hij het niet kan uitoefenen. Het is ook niet in het belang van het kind als de ouder zijn gezag behoudt, terwijl hij het feitelijk niet uitoefent (maar wel heeft) en daardoor de opvoedingssituatie van het kind problematisch maakt. (Weterings, Pleegzorg in balans. Bestaanszekerheid voor kinderen., 1998).

Indien in onze maatschappij het ouder-zijn onderscheiden zou worden in de drie bovengenoemde aspecten van ouderschap, zou dit mogelijkheden openen voor het scheppen van een hechtings- en opvoedingsrelatie tussen een kind en een pleegouder, zonder dat de ouders daarmee hun ouderschap verliezen. Evenwel lijkt het nog niet evident dat een ouder kan verwoorden dat hij zijn kind niet kan opvoeden.

Besluit
De door Weterings en collega’s verdedigde visie bevat heel wat waardevolle elementen. Het spreekt voor zich dat Jeugdzorg in Gezin ook over het pedagogisch model de discussie zal voeren. De gesprekken binnen de diensten voor pleegzorg moeten evenwel beschouwd worden als een beginpunt. Opdat er een mogelijkheid is tot integratie van de visie (of elementen uit deze visie) in het plaatsingsbeleid is het evident dat ook de beleidsverantwoordelijken (financiële ondersteuning) en de verwijzende instanties (beslissers over perspectief van een plaatsing) zich over de inhoud van de voorstellen buigen.

Filip Vandeputte

november 1998