MIJMERINGEN BIJ DE

VERJAARDAG

VAN DE

WAPENSTILSTAND

OP 11 NOVEMBER 1918

 

 

Jef Vermeiren

 

fig 000

 


Vader was een vrijwilliger van de grote oorlog 1914-1918. Hij heeft nagenoeg gans die tijd aan het front doorgebracht. Als kleine jongen hoorde ik zijn verhalen. Zonder pathos vertelde hij over de verschrikkingen die hij in die oorlogsjaren had doorgemaakt. Als hij 73 jaar oud was schreef hij zo uit het hoofd zijn herinneringen aan die periode neer.

Telkens was 11 november voor hem een feestdag en een treurdag. Hij was immers bij de gelukkigen die de fronthel hadden overleefd. Maar hij dacht dan ook terug aan zijn vele kameraden die gesneuveld waren en die rusten op een van de menigvuldige Belgische soldatenkerkhoven of die na de oorlog met grote plechtigheid naar hun geboortedorp waren terug gebracht en daar op het dorpskerkhof, vaak op een erepark, werden bijgezet.

Vader stierf als hij 78 jaar was. Samen met mijn broer waakte ik aan zijn sterfbed. Gedurende zijn laatste levensuren ijlde hij. Hij was terug in de loopgraven. Hij zag de vijand komen aanstormen. Hij maakte zich klaar om de aanval op te vangen. Hij is als het ware meer dan vijftig jaar na de oorlog met zijn frontvrienden gesneuveld. Het doet mij denken aan de uitspraak van de Franse stripgrootmeester Tardi. Hij heeft het over de dood van zijn vader die in 1940 tanksoldaat was. “Eén uur vóór hij stierf zat hij in gedachten nog in die tank”.

Op 11 november, de verjaardag van de wapenstilstand in 1918, mediteer ik steeds over het wrede gebeuren van de Eerste Wereldoorlog die het leven van mijn vader en van al zijn lotgenoten die aan de dood ontsnapten, is blijven beheersen. Tussen 1988 en 1999 schreef ik die dag ook enkele bedenkingen neer. Het zijn die teksten die hierna zijn gebundeld.

 


 

POPPIES,KLATSCHMOHNE,KLAPROZEN 

(1988)

 


Nergens in ons land zijn de klaprozen, de pappavers, zo dieprood, zo bloedrood, als in de Westhoek, vooral langsheen de IJzer, waar eens een groot stuk van "den grooten oorlog" zich heeft afgespeeld.

Vriend en vijand zijn die bloedrode bloemen opgevallen. We vinden ze terug bij Erich Maria Remarque in zijn meesterlijk anti oorlogsboek “Im Westen nichts Neues” (Erich, Maria REMARQUE: “Im Westen nichts Neues” - Nederlandse vertaling van Annie SALOMONS onder de titel: “Van het Westelijk Front geen Nieuws”). Het bloed dat op het slagveld wordt vergoten is "rot wie Klatschmohne in Flandern". Ook in “Der Weg zurück” (Erich, Maria REMARQUE: “Der Weg Zurück” - Nederlandse vertaling van Louis BLOK onder de titel “De Weg Terug”), een vervolg op zijn eerste boek, gebruikte Remarque het beeld van de bloedrode papavers. Dat beeld liet die vredesbode niet los.

Maar ook anderen hangen vast aan het beeld van de bloedrode papavers als zinnebeeld van het bloed van honderdduizenden jongeren die aan het Vlaamse front sneuvelden. De Duitse journalist Karlheinz Pieroth, die zelf als zeventienjarige in 1941 naar het Russische front werd gestuurd, schreef een aangrijpend artikel over de frontstreek. Hij fotografeerde daarbij onder meer de papavers en schreef: "der Klatschmohn auf den Feldern der flanderischen Ebenen wurde zum Symbol für den sinnlosen Tod der hier über 500.000 blühende junge Leben auslöschte" (Karlheinz PIEROTH: “Flanderns stille Höfe des Friedes” in Kirchenzeitung für das Bistum Aachen).

In de wereld van het British Commenwealth gelden de poppies nog steeds als het herdenkingssymbool voor de doden van de Eerste Wereldoorlog.  Wanneer op 11 november de Engelse herdenkingsplechtigheid in Londen doorgaat, o.m. in aanwezigheid van de koningin, regent het op het einde papieren ‘poppies’: rode papieren bloemekens met een zwart hart.

Voor hen komt dit symbool uit het prachtige gedicht van Dr. John Mac Grae: "In Flanders Fields". Mac Grae was een Canadese luitenant kolonelgeneesheer. Hij was op 30 november 1872 geboren te Guelph in Ontario en stierf op 28 januari 1918 in het Frans-Vlaamse kuststadje Wimereux. Hij was 46 jaar. Zijn gedicht schreef hij op 3 mei 1915, in een Rodekruishulppost van Boezinge bij Ieper, aan de oever van de Ieperlee, nabij het nu nog bestaande 'Essex Farm Cemetary' (Zijn gedicht, alsmede Nederlandse vertalingen ervan, zijn terug te vinden in verscheidene boeken, brochures en tijdschriften. De hier opgenomen  teksten komen uit het werk van Eugène MATTELAER: “In Vlaanderens Velden. Een boek over strijd en vrede”).

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses row on row
That mark our place; and in the sky
The larks still bravely singing, fly
Scare heart amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved and were loved. and now we lie
In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold in high.
If you break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies blow
In Flanders fields.


Dat gedicht werd talloze keren vertaald. Ook in het Nederlands bestaan er verschillende versies, o.m. een van  Bert Decorte, die het dichts aansluit bij de oorspronkelijke Engelse tekst

In Vlaanderens velden staan papavers rood
tussen de kruisen, root aan root,
die merken onze plaats; en in de lucht
reppen leeuweriken, luid zingend nog, hun vlucht,
maar in 't geschut beneden klinkt hun lied verloren.

Wij zijn de doden. Pas is de dag voorbij
dat wij leefden, sneefden, zagen de dageraad gloren,
beminden, werden bemind, en nu, nu liggen wij
in Vlaanderens voren.

Zet onze strijd met de vijand voort;
begevend reiken onze handen u de toorts;
het is uw taak ze hoog te dragen.
Beschaamt gij 't vertrouwen in ons, de gevelden,
dan slapen wij niet, ofschoon papavers blaken
in Vlaanderens velden.

Onze grote dichter Anton Van Wilderode, schrijversnaam van E.H. Cyriel Coupé, maakte op basis van de tekst van Dr. Mac Grae een ode aan hen die "streden voor dat schoon land waarvan zij zonen waren", aan onze Vlaamse doden.

In Flanders Fields staan de papavers rood
onder het zwart gelid der houten kruisen.
De leeuwerik vliegt tegen vuur en dood
gevederd in de hemel van Diksmuide
en zaait zijn lied tussen schrapnels en schroot.
Wij zijn de doden thans. maar kortgeleden
nog levenden die liefhadden en streden
voor dat schoon land waarvan wij zonen waren.
Nu liggen wij allen in Vlaanderens aarde
In Flanders fields!

In Flanders Fields staan de papavers rood
tegen de grijze schilden van de zerken.
De wind waait als een boom boven het groot
landschap tussen Langemark en Klerken
dat zich beschermt gelijk een moederschoot.
Wij zijn de doden thans. Maar kort geleden
nog levenden met leuzen en gebeden
voor dat schoon land waarvan wij zonen waren.
Nu liggen wij voorgoed in Vlaanderens aarde,
In Flanders Fields!

In Flanders Fields staan de papavers rood
als roest gespat over verminkte graven.
De blauwvoet met zijn zuivre vleugels stoot
tegen de hiëroglyfen van de namen,
de regen leest  de zwarte letters bloot.
Wij zijn de doden thans. Maar kortgeleden
nog levenden almachtig aangetreden
voor dat schoon land waarvan wij zonen waren.
Nu liggen wij doodstil in Vlaanderens aarde,
in Flanders Fields!

Klaprozen op de titelpagina van het werk van Herwig Verleyen: “In Flanders Fields”, het verhaal van John Mc Crae, zijn gedicht en de klaproos

 

 

 

11.11.11. – 1918

(1989)

 

Op 11 november 1918 om 11 uur ‘klaroende’ over het slagveld een 'sonnerie', die nog geen enkele soldaat had gehoord, maar waarop allen jaren hadden gewacht en gehoopt, het 'staakt het vuren'. Na ruim vier jaar en drie maanden zwegen de wapens.

Mijn vader lag op dat moment met zijn compagnie in eerste lijn. Zij hadden als eerste Gent bereikt en waren de stad binnengedrongen. De dag voordien waren nog drie van zijn kameraden gesneuveld. Maar, nu was de miserie voorbij want de compagniecommandant had hen het ongewone bevel gegeven hun wapens te ontladen. Vader schreef daarover: "Wanneer de luitenant weg was, begon het eerst bij ons door te dringen dat de oorlog gedaan was en dat wij er levend waren doorgekomen... Ons geluk was zo groot dat ik meende het niet te kunnen dragen, want na meer dan vier lange jaren dagelijks in angst en doodsgevaar geleefd te hebben, zonder te spreken over allerlei andere miseries en dan plots tot het besef te komen dat dit alles nu voorgoed voorbij was, moet men zelf aanvoelen, dat is niet onder woorden te brengen... 11 november 1918, donkere dag met zware regenval, hoe blij en gelukkig was ik toen, want onder mijn nat doorweekt uniform zinderde en jubelde het van geluk, wat kon mij de regen schelen, de wapenstilstand was het voornaamste" (Jef VERMEIREN sr: “Getuigenissen van een frontsoldaat”).

Maar, na de eerste uitbarsting van geluk kwam de bezinning, want naast elke vierde soldaat van ons 167.000 man tellende leger, marcheerde één dode mee. Ruim 41.000 Belgische soldaten lieten in 1914-1918 het leven. De gedachte aan de vele kameraden die gedurende de slag aan de IJzer, tijdens de vier jaren loopgravenoorlog en in de vreselijke weken van het laatste grote offensief vielen, droegen de overlevenden tot aan het einde van hun dagen mee. Clem de Landtsheer zegde daarover: "Maar dan kwam de gedachte aan hen die niet meer zouden terugkeren. Aan onze kameraden die achterbleven in het niemandsland, op de frontkerkhoven. Er viel een donkere schaduw op onze uitbundige blijdschap... Wij lachten en zongen, maar wij wisten dat wij nooit meer nog ten volle van een geluk zouden kunnen genieten" (Opgenomen door Gaston DURNEZ in zijn werk: “Zeg mij waar de bloemen zijn”). Is het dat misschien wat Erich Maria Remarque bedoelde met zijn opdracht aan het begin van zijn antioorlogsroman “Van het Westelijk Front geen nieuws”: "Dit boek wil noch een aanklacht noch een bekentenis zijn. Het wil alleen een poging wagen, een beeld te geven van een generatie, die door de oorlog vernield werd, ook als ze aan zijn granaten wist te ontkomen” (Remarque werd door de Nazi’s als defaitist betiteld, zijn boeken werden verboden lectuur en ze werden verbrand).

In het vervolg op zijn eerste boek, in 'De weg terug' geeft hij daarover meer uitsluitsel, b.v. wanneer hij schrijft hoe de hoofdpersoon als in waanzin wegzinkend wordt geconfronteerd met zijn dode kameraden: "... in het licht van de geopende deur staat een schaduw. Zij wankelt en verwaait, komt naderbij en wenkt, er vormt zich een gedaante, een gezicht met donkere oogholten, waartussen een brede scheur gaapt, een mond, die toonloos spreekt - is dat niet 'Walter?' - fluister ik, Walter Willenbrock, gesneuveld in augustus '17 bij Passendaele - ben ik krankzinnig geworden?  droom ik?  ben ik ziek? - maar achter hem dringt reeds een ander naar binnen, bleek, gekromd, gebukt - Friedrich Tomberge, wiens rug bij Soissons door een granaatscherf werd verbrijzeld, toen hij op de treden der schuilplaats hurkte.  - En nu komen zij allen, met dode ogen, grauw en spookachtig, een hele schaar van schaduwen, zij zijn teruggekeerd en vullen de kamer - Franz Kemmerich, op zijn achttiende jaar geamputeerd en drie dagen later gestorven, Stanislaus Katchinsky, met slepende voeten en gebukt hoofd, waaruit een dunne, donkere straal bloed sijpelt,  Gerhard Feldkamp, door een mijn bij Ieper aan flarden gescheurd, Paul Bäumer, in oktober 1918 gesneuveld, Heinrich Wesseling, Anton Heinzmann, Haie Westhus, Otto Matthes, Franz Wagner, schaduwen, een lange stoet, een eindeloze reeks - zij drijven naar binnen, zij hurken op de boeken, zij klimmen tegen het raam op, zij vullen de kamer..." En dan verschijnt de hallucinante figuur van de Engelse kapitein die door een Duitser met één welgemikte handgranaat werd geamputeerd en die nog op zijn beenstompen voortstrompelde tot hij dood neerviel: " ... langzaam heeft zich een krachtiger schaduw opgeheven, die door de deur kruipt, leunend op de armen, de man wordt levend, er groeien beenderen in, een lichaam sleept er achteraan, krijtwit, schitteren de tanden uit het zwarte gezicht, nu fonkelen ook reeds ogen in de kassen - als een zeehond opgericht sluipt hij naar binnen, op mij toe - de Engelse kapitein - achter zich sleept hij ritselend zijn beenwindsels mee.  Met een ruk werpt hij zich omhoog en slaat zijn handen als klauwen naar mij uit ..."

 

Op het ‘Soldatenfriedhof’ van Vladslo de treurende vader en moeder voor het graf van zoon Peter Kollwitz, gebeeldhouwd door Käthe

Op het ‘Soldatenfriedhof’ van Vladslo de treurende vader en moeder voor het graf van zoon Peter Kollwitz, gebeeldhouwd door Käthe Kollwitz


De Eerste Wereldoorlog eiste als tol in totaal een aantal doden dat nagenoeg gelijk is aan de bevolking van ons land, n.l. 9.737.000, waaronder één half miljoen burgers. Als men die doden hoofd tegen voet zou leggen, zou ongeveer 40% van de omtrek van de aarde kunnen bedekt worden. De Belgische doden zouden gans de kustlijn van De Panne tot aan het Zwin bedekken.

Doch, zoals de ‘Westvlaamse Elfnovembergroep’ (De “Elfnovembergroep”, een tijdelijke toneelgroep maakte in 1979 een rondreis door Vlaanderen met een volksspel: “Nooit brengt een oorlog vrede”) in 1979 zegde: "nooit brengt een oorlog vrede". Tweeëntwintig jaar na wereldoorlog één was wereldoorlog twee daar. Het resultaat was nog veel vreselijker. Deze oorlog zou bijna zesmaal zoveel slachtoffers maken als de eerste.  Er stierven ruim 55 miljoen mensen, waaronder nagenoeg de helft burgers. Dat is een aantal gelijk aan dat van de inwoners die Frankrijk nu telt. Als men deze doden zou neerleggen, hoofd tegen voet, dan zou men meer dan tweemaal de omtrek van de aarde kunnen omspannen.

Dat komt ons allemaal zo onwezenlijk voor. Die cijfers zijn zo enorm dat wij ze niet kunnen vatten.  Wij kunnen ons zo'n massa doden niet voorstellen. Wanneer wij op de oorlogskerkhoven de graven aaneengerijd zien, kunnen wij ons nauwelijks voorstellen dat daaronder duizenden jonge mensen rusten, die gevallen zijn in een zinneloze en zinloze, onder het mom van oorlog officieel toegelaten, moordpartij.In het voorjaar van 1989 bezocht ik in het Noordoostelijk deel van Sint-Petersburg (toen nog Leningrad), een stad die erg geleden heeft tijdens de jongste oorlog, de Piskarevski begraafplaats. Onder enorme grasheuvels liggen hier in massagraven 470.000 van de 600.000 doden, die van honger, koude of granaatvuur zijn gestorven, tijdens het beleg van de stad dat 900 dagen heeft geduurd. Die begraafplaats is de reusachtigste, stille en stomme getuige van de verdwazing die de mensheid tijdens een oorlog overvalt.Maar wie de smart wil ervaren van diegenen die overleefden, kan dat dichter bij huis doen, met name op het "Soldatenfriedhof" van Vladslo, in de buurt van Diksmuide. Daar bevindt zich het treurende ouderpaar dat door Käthe Kollwitz (Kollwitz kreeg van  de Nazi's het predikaat “defaitist”. Zij kreeg “Berufsverbot” en  de stempel van 'entartete' kunstenaar) werd gebeeldhouwd en dat voor het graf van haar op 18 jaar gesneuvelde zoon is opgesteld.  In het versteende leed van dat ouderpaar is het oneindige verdriet uitgetekend van al diegenen die door het oorlogsgeweld werden getroffen.

 

STIKGAS

(1990)

fig 007

Door gas verblinde Engelsen lopen als de blinden van Bruegel mekaar achterna


Elf november 1918 betekende het einde van de Eerste Wereldoorlog, die ook de trieste reputatie had de oorlog te zijn waarin voor het eerst op grote schaal "stikgas" werd gebruikt.

Op 22 april 1915 begon wat wordt genoemd "de tweede slag om Ieper". De Duitsers trachtten op dat moment een doorbraak te forceren. Hun aanval concentreerde zich vooral op een punt tussen Steenstraat en Pilkem, langs het kanaal Ieper-IJzer. Tevoren hadden ze daar in massa eigenaardige stalen cilinders aangevoerd. Op 22 april begonnen zij met een zwaar artillerievuur de voor hen liggende troepen - vooral Fransen, maar ook Belgen - te beschieten. Die soldaten wisten dat er na die beschieting een infanterieaanval zou volgen. De machinegeweren stonden gereed om die op te vangen, de soldaten staken de bajonet op het geweer om zich voor te bereiden op een man tegen man gevecht, maar nog meer betrouwden zij op hun kleine spade met korte steel, waarmee op de vijand kon worden ingehakt. Aan de zijkant goed geslepen was het een geducht en wreed wapen.

In plaats van de vijandelijke infanteristen kwam echter na het bombardement, rond 17.00 uur, een gele mist opzetten. Bij een voor hen gunstige wind hadden de Duitsers de geheimzinnige cilinders geopend en de eerste gasaanval van de geschiedenis was ingezet. Het was chloorgas (Chloorgas of Cl, atoomgewicht 35,453. Het is 2,57 zwaarder dan de lucht) dat de Duitsers toen gebruikten. In december van dat jaar kwam er nog fosgeen bij en op 12 juli 1917 schoten ze voor het eerst granaten af met mosterdgas. Het werd  'Yperiet' genoemd, omdat het voor het eerst werd gebruikt in de streek van Ieper.

Het effect van dat gas was vreselijk: de onbedekte delen van het lichaam werden overdekt met blaren, de slijmvliezen werden stukgebeten, de ogen traanden verschrikkelijk en verblindden de getroffenen, op de luchtwegen had het een verstikkende uitwerking. De slachtoffers werden de keel toegesnoerd, de borstkas trok krampachtig samen en ze kregen longoedeem.

De eerste gasaanval trof in grote mate het 418de Franse (Van twee Franse Divisies, zo’n 35.000 man sterk, werden 5.000 soldaten gedood en 20.000 door het gas getroffen) en een Canadees regiment. Ook de 3de  en 23ste  Belgische infanterieregimenten leden er onder. Het werd een rampzalige slachting. De soldaten die niet bekend waren met het "nieuwe wapen", zagen de geelgroene wolk op hen toekomen en hoe dat goedje de loopgraven en de infanteristenputten, waarin ze de vijand afwachtten, vulde. Zij gaven zich enkel rekenschap van het gevaar wanneer ze al getroffen waren. Voor velen was het dan te laat. Hun lijken lagen daar, verkrampt, met opengesperde mond en uitpuilende ogen. Diegenen die de dodendans waren ontsprongen moesten, voor zover zij dat nog konden, zich verdedigen tegen de Duitse infanteristen die, beschermd door een primitief gasmasker, oprukten.

Florimond Pynaert lag op 22 april 1915 op voorpost in de buurt van Wulpen. In de loop van de late namiddag was er een groot alarm. Het klaroengeschal kwam uit de buurt van Diksmuide.  Na een paar dagen vernamen Pynaert en zijn kameraden dat er in de sector van Steenstrate een hevig gevecht aan de gang was, dat was voorafgegaan door een hevige gasaanval. Een massa Fransen en Belgen stierven daar een afschuwelijke dood. Florimond Pynaert schrijft daarover: "Dit was de eerste gasaanval van de oorlog 1914-1918 en dan nog wel te Steenstraat, gelegen halfweg Diksmuide-Ieper. Het is ook na deze eerste gasaanval dat wij kort daarop ons eerste gasmasker ontvingen, een klein wit vierkant lapke met op iedere hoek een strik om voor de mond te binden. Als er gevaar was, dienden wij dit nat te maken alvorens het voor de mond te binden. Kon u niet aan water geraken, het enige middel was dan uw eigen water te gebruiken.De gasmaskers zijn zeker tijdens de oorlog drie- of viermaal veranderd en telkens met verbetering. In deze gasaanvallen kwam er veel verandering: tijdens de eerste gasaanval werd gans het front gewaarschuwd door klaroenen, dan naderhand door claxons opgesteld in de linies en redelijk veel en op korte afstand, later door middel van vuurpijlen in kleur, welke soms veranderden van kleur.  Na de eerste gasaanval op Steenstraat begonnen de Duitsers regelmatig te bombarderen met stikgas en brandgas, bij zover dat het een gewoonte werd. Ik moet er echter aan toevoegen dat de Duitsers gebruik van gas toepasten als de wind uit het noorden blies, want als de wind uit andere richtingen blies konden ze zelf het slachtoffer worden van hun eigen gif” (F. PYNAERT: “Dagboek - Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918”).

 

fig008
Doden in de loopgraven van Steenstrate na de eerste gasaanval van de Duitsers op 22 april 1915 (Foto genomen uit “Frontleven 14/18” van Ria Christens en Koen De Clercq).


Ook mijn vader vertelde over de eerste primitieve bescherming tegen een gasaanval: "De eerste onderrichtingen die wij kregen luidden dat wij bij een gasaanval onmiddellijk onze zakdoek moesten nemen, er moesten op wateren en hem dan tegen onze neus en mond drukken om zo te beletten dat het gas zou binnendringen. Enkele dagen later kregen wij een zakje met daarin een opgevouwen doek die onze zakdoek moest vervangen, maar die wij verder op dezelfde wijze moesten gebruiken... Nadien kregen wij, ook in een zakje, iets dat op een masker leek en dat uit stof was vervaardigd. Dit masker bedekte ons aangezicht tot boven de ogen. Er waren mica ruitjes in om door te kijken. Ongeveer een jaar later kwamen de eigenlijke gasmaskers die in bussen geborgen met een riem over de schouder werden gedragen" (Jef VERMEIREN sr : “Getuigenissen van een frontsoldaat”). Maar die gasmaskers waren niet altijd voor 100% betrouwbaar. De eerste minuten bij een gasaanval waren beslissend voor leven of dood: liet het masker al dan niet gas door. Het ademhalen door het masker was zeer zwaar; sommigen vonden het zo benauwend dat ze in paniek het masker te vroeg afrukten en door het gas getroffen werden.

Het systeem van de gasflessen was vlug achterhaald. Het was een omslachtige operatie die heel gevaarlijk was voor de mannen die het gas moesten loslaten. Bovendien gebeurt het in onze contreien nogal vaak dat de wind plots van richting verandert en dan moesten de eigen soldaten op de vlucht gaan. Daarom werden de gasgranaten uitgevonden, waarmee het gas ver genoeg door de kanonnen in de vijandelijke lijnen kon worden geschoten. De soldaten kenden vlug het onderscheid tussen een brisantbom en een gasgranaat, deze laatste maakte een ander fluitend geluid en ontplofte met een doffe knal. De putten die door de gasobussen werden geslagen waren ook minder diep, maar uiterst gevaarlijk om in te duiken. Meestal stonden ze vol water en wie daarin terechtkwam kreeg achteraf overal blaren.

Hoewel de geallieerden fel protesteerden tegen het gebruik van chemische wapens en zegden dat de Duitsers de conventie van Den Haag schonden, duurde het niet lang of ook zij gebruikten het gaswapen. Het was oog om oog en tand om tand.

fig 009
Primitieve gasmaskers in de loopgraven
Erich Remarque beschrijft als volgt een gasbombardement in: "Het doffe knallen van de gasgranaten vermengt zich met het kraken van de brisantprojectielen. Maar door die ontploffingen heen hoor je nu ook nog de klokken luiden en op gongs slaan; overal waarschuwende metaalklanken: gas! gas! gaaas!...  We liggen met zijn vieren in zware, afwachtende spanning en halen zo weinig mogelijk diep adem. Deze eerste minuten met het masker voor, beslissen over dood en leven: laat het gas door?  Ik ken de afschuwelijke aanblik in het hospitaal van mensen, die gas binnen hebben gekregen en die dagenlang in dodelijke benauwdheid hun verbrande longen bij stukjes uitbraken. Voorzichtig, met mijn mond stijf in het masker, haal ik adem. Nu sluipt de vergiftigde damp over de grond, en vult alle inhammen. Als een weke, dikke kwal bereikt zij onze trechter, en nestelt er zich. Ik stoot Kat aan: het is beter eruit te kruipen en hoger te gaan liggen dan hier, waar al het gas heen zakt. Maar we brengen het niet zover; een tweede hagel begint... In mijn hoofd bromt en dreunt het onder het gasmasker; ik barst bijna van de hoofdpijn. Mijn longen raken uitgeput, want ze krijgen altijd maar weer diezelfde hete verbruikte adem; de aderen aan mijn slapen zwellen op, het lijkt, alsof ik zal stikken...  Maar nu richt zich een paar meter verder iemand op; ik wrijf mijn glazen schoon, maar ze beslaan dadelijk weer van opwinding; ik staar hem aan, die man daar heeft geen gasmasker meer voor. Ik wacht nog een paar seconden, hij valt niet neer... de wind heeft het gas weggewaaid: de lucht is zuiver; nu trek ik, rochelend van benauwdheid, ook mijn masker af en val neer; als fris water stroomt de lucht in mij naar binnen; mijn ogen breken bijna; er slaat een golf over mij heen en alles wordt donker" (Erich Maria REMARQUE: “Van het Westelijk Front geen Nieuws”).

Veel van de door gas getroffen soldaten stierven een pijnlijke dood. Anderen werden door het gas voor hun leven aangetast. Hebt u ooit in Ieper in het oorlogsmuseum ‘In Flanders Fields’, dat in de Hallen is gevestigd, de schrijnende foto gezien van de door het gas verblinde Engelse soldaten die in een lange rij aarzelend voortstappen, de hand op de schouder van de man voor hen gelegd om niet te verdwalen. Er bestaat zelfs een kort filmfragment waarin men die sukkelaars ziet voortstrompelen. Het zijn zielige wrakken van soldaten waarvan vele misschien kort nadien zijn gestorven of die voor de rest van hun dagen met deels verschroeide longen door het leven moesten gaan. Een korte droge hoest en een chronische bronchitis brachten zij uit de loopgraven mee.

Eén van de slachtoffers van een gasaanval was de Canadese Luitenant-Kolonel-Geneesheer Dr. John Mac Crae, de auteur van het enig mooie en ontroerende gedicht: 'In Flanders Fields'.  Hij stierf aan een longontsteking als gevolg van de schade die het gas aan zijn luchtwegen had aangericht.


Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd aan de fronten geen gifgas gebruikt. Vreselijker wapens die ook de burgerbevolking troffen kwamen in de plaats, met name de mensonterende lucht-bombardementen, onder meer met fosforbommen. Coventry en Dresden zijn als het ware de blijvende voorbeelden van de verschrikkelijke verwoestingen die de luchtbombardementen konden aanrichten. Maar, die twee verzinken nog in het niet bij de atoombommen die Hiroschima en Nagasaki hebben verwoest.

De rol van het gifgas is echter nog niet uitgespeeld. Denken wij maar even aan de oorlog tussen Irak en Iran. Wij hebben toen hier bij ons in Gent slachtoffers van gasaanvallen verzorgd; zij kwamen uit Iran. Enkele jaren daarna hoorde men in 'de Golf' weer van de bedreiging van een chemische, zeg maar gasoorlog. En hand in hand daarmee gaan de biologische wapens door de Amerikanen in Vietnam gebruikt. Als de menselijke geest op vernieling is gericht kent zijn verbeeldingskracht blijkbaar geen maat.

 

 

fig 010

Ook voor de paarden waren er primitieve gasmaskers
(foto overgenomen uit “Van den grooten Oorlog”).

 

DE MOEDERS

(1991)

 

Maandag 11 november 1918. Ik lees in mijn vaders oorlogsboek: "Tegen de morgen begon het te regenen en wanneer het licht begon te worden stroomde de regen neer... de regen bleef maar stromen. Ons zeiltje dat wij over ons uniform aan hadden was geheel doorweekt.  Het water liep over onze blote huid. Maar wat maakte dat, de strijd was gedaan, ons leven, hiervan waren wij nu zeker het te behouden" (Jef  VERMEIREN sr: “Getuigenissen van een frontsoldaat”).

Nu, 73 jaar later, maandag 11 november 1991. Het regent. De regen blijft maar stromen en ik denk aan de woorden van mijn vader: "de strijd was gedaan, ons leven, hiervan waren wij nu zeker het te behouden". Hij en nog zo velen waren er levend doorgekomen. Zij werden thuis verwacht, want hun moeders hadden met dichter Anton Van Wilderode gezegd:

Ik zet de deur op een kier.
Zij kunnen thuiskomen.
Ik zal wakker worden van hun stap,
De stap van een man, een soldatenstap.

Daartegenover staan de miljoenen moeders die in de vele oorlogen hun zonen hebben verloren. Die oorlogen, ze zijn niet meer te tellen of te noemen. Er waren de twee wereldoorlogen, er was Korea en Vietnam, er was het Midden-Oosten, er was de Golfoorlog, de oorlog tegen de Koerden, de burgeroorlog in Joegoslavië...

Wij kennen van de TV de hartverscheurende beelden van wanhopige moeders die hun in het strijdgewoel gedode zonen bewenen. Moeders die met de dichter moeten zeggen:

Alles is voorbij. Ik zal wakker worden van hun stap
De kinderziekten, de koortsen,
de onredelijke angst voor de kou, het diepe water,
de hoge kersenboom.
De kleine wonden van messen en glas,
De wilde jongensspelen.
Hij is heelhuids groot geworden voor een gevaar
dat ik niet kende,
waartegen ik hem niet kon beschermen.
Niet meer en nooit meer.

Want voor elke oorlogsdode is er een moeder die treurt. Zij ziet doodsbang haar kind vertrekken. Vrees sluipt in haar hart en nestelt zich daar. Ik zie nog voor mij in het TV- journaal die eenzame volksvrouw aan de kazernepoort. Zij trachtte nog een glimp op te vangen van haar zoon die met een groep para's naar Zaïre vertrok. Die moeder was één stukje stille ellende.  Het had de moeder kunnen zijn van Gert Maris van Heusden. Gert, die wellicht een beetje overmoedig en met jeugdig enthousiasme vertrok en die niet meer naar huis is teruggekeerd. Hij stierf in 1991 bij een actie in Zaïre, bij een ongeval met een granaat.

De moeders van ons land betaalden een zware tol in twee wereldoorlogen. Hun zonen vertrokken jong en geestdriftig naar het front. Velen gingen vrijwillig om hun land en hun volk te dienen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk. Anderen stierven als soldaten van het geheim leger in gevechten of in concentratiekampen en gevangenissen. Er werden er heel wat geëxecuteerd, vaak op een brutale manier. Ik huiver nog steeds als ik in Keulen in de buurt kom van de Klingelputzgevangenis. Verscheidene landgenoten werden daar in een donkere kelder met de bijl onthoofd. Onder hen een veelbelovende jonge rijkswachtofficier die een mooie carrière wachtte. De notities die de Duitse aalmoezenier hierover heeft neergeschreven laten u voor de rest van uw leven niet meer los.

De helse propagandamachine van de vijand heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog duizenden jonge mensen ertoe gebracht het feldgrau uniform aan te trekken om in Rusland te gaan strijden. Velen zijn daar gesneuveld in de meest gruwelijke omstandigheden.

Over al die doden, of het nu 'witten' of 'zwarten' waren, treurden moeders, want het zijn hun zonen die gedood werden en die nooit meer zullen thuis komen.

In september 1991 stond op de vergadering van het Ernest Claesgenootschap, in de abdij van Averbode, ‘de moeder in het werk van de kunstenaar’ centraal. Verscheidene van zijn novellen behandelen het 'moederthema', gekoppeld aan de tragiek van de oorlog. Als kleine jongen was ik al getroffen door het verhaal 'van een schamel moederke', dat de meester ons voorlas. Het gaat over een eenvoudig boerenvrouwke dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog Marcus, haar opgeschoten, onhandige slungel van een zoon, naar de kazerne brengt. Zij komt hem nadien nog eens opzoeken. Bij haar derde bezoek wordt zij geconfronteerd met het lijk van haar jongen die bij een eerste treffen met de vijand was gevallen. Zij zette zich bij haar dood kind, legde zijn hoofd op haar schoot en zegde: "Marcus, mijn jongen toch, en hebben ze u zo maar doodgeschoten". Ja, zo eenvoudig is het: een leven dat een moeder maandenlang als een kostbaar kleinood voorzichtig heeft gedragen, waarvoor zij zoveel kommer en zorgen heeft gehad, een leven dat zij heeft gevoed en waarvoor zij heeft gezwoegd, wordt zo maar, met één schot, afgeknakt. En de oude moeder, zij is dan maar terug naar huis gegaan: "de droeve weg naar de donkere toekomst, naar de bange dagen en de komende zorgen".

Klinkt dat soms een beetje te simpel, te sentimenteel, in de oren van de jonge mensen van vandaag, die vol zelfvertrouwen opstappen naar de 21ste eeuw?  Het blijft nochtans het echte verhaal van een groot verdriet. Misschien verwerken wij dat vandaag op een andere manier, maar het trauma blijft.

Wie dat verdriet uitgebeeld wil zien, moet naar het 'Praetbos' in Vladslo gaan, naar het Duits soldatenkerhof. Daar staat het treurende ouderpaar van Käthe Kollwitz. Het is, zoals Raf Seys schreef: "een schitterende synthese van enkele hoofdfacetten van haar oeuvre, n.l. de eigen gelaatstrekken, de band tussen moeder en kind, de dood en de oorlog".

In Vladslo buigt zij haar van smart versteend gelaat over het graf van haar zoon Peter, die in oktober 1914 sneuvelde. Käthe Kollwitz sleepte haar verdriet jarenlang mee. Zij maakte verschillende ontwerpen voor een grafbeeld, maar zij was nooit tevreden. Telkens wist zij zich onmachtig om duidelijk weer te geven wat zij voelde. Zij kon het gewoon niet aan, zij twijfelde steeds en zocht altijd opnieuw naar een vorm die haar verdriet en dat van alle moeders die een kind in de oorlog hadden verloren ten volle moest tot uitdrukking brengen.

Raf Seys (Raf SEYS: “Käthe Kollwitz in Vlaanderen”) vertelt hoe zij op 22 oktober 1929 uiteindelijk met een definitief ontwerp klaar kwam. 's Anderendaags was het de vijftiende verjaardag van Peters overlijden. Zij schreef toen: "Op deze vooravond ben ik in mijn werk helemaal bij jou geweest, mijn jongen". Hoeveel duizenden moeders spreken zo dagelijks met hun dode zoon?

fig 011

Uit de illustraties van Paul Contryn en Danny Juchtmans bij “Van een Schamel Moedertje” in het Jaarboek 1991 van het Nest Claesgenootschap.

 

DE DODEN

(1992)

Leben droben o Vaterland
Und zähle niet die Toten. Dir ist
Liebes! Nicht einer zuviel gefallen.

Zo verwoordde, op het einde van de 17de eeuw, de bekende lyrische dichter Johan, C.F. Hölderlin (HÖLDERIN : “Der Tod fürs Vaterland”) het recht van het Vaderland om over het leven van zijn onderdanen te beschikken. Hij voegde zich daarmee in de grote rij van dichters uit alle landen, die het sterven op het slagveld tot het hoogste goed hebben verheven. De oorlogsdoden, die zich tegen deze tijdsgeest niet meer konden verweren, werden, tegen wil en dank, uitgeroepen tot helden en redders van hun vaderland. Zij werden tot voorbeeld gesteld van de jeugd. De idee dat het een grootse daad was voor het vaderland te sterven, moest levendig gehouden worden. De jonge mensen zouden immers weldra weer opgeroepen worden om, zoals hun oudere broeders, in een of andere van de vele oorlogen voor hun land te strijden en te sneuvelen.

Wanneer begin augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog dreigde, heerste er in de hoofdsteden van de landen die bij het conflict zouden betrokken worden, een echte feestroes. Patriottische liederen weerklonken overal; de pathetische vaderlandslievende redevoeringen der politiekers werden, als in vervoering, beluisterd door een hysterische massa. Toen de oorlog daar was, trokken de jonge mensen ten strijde als naar een fris en vrolijk avontuur. Voor velen was soldaat worden immers de verwezenlijking van een lang gekoesterde geheime droom, t.w. in een nieuw bestaan schuiven, waar het grote avontuur hen wachtte. Zij zouden zich van naamloze dompelaars opwerken tot in schitterende uniformen gestoken oorlogshelden. Daarnaast gaven heel wat idealisten gehoor aan de roep om strijders vanwege de overheden; bij ons b.v. in antwoord op de koninklijke oproep: "Vlamingen gedenk de Slag der Gulden Sporen!  Walen gedenk de 600 Franchimontezen!".

fig 012
Duitse oorlogsvrijwilligers in 1914 (Die Zeit van 10 november1989).

 

Met een roos in het knoopsgat en een vrolijk lied op de lippen, liepen die jongens uit alle landen een wrede, veel te vroege dood tegemoet. Naast de gemobiliseerde, melden zich in ons land, in september 1914, niet minder dan 20.000 vrijwilligers. In Engeland, waar toen nog geen dienstplicht bestond, waren er die maand zo maar liefst 500.000 vrijwilligers.

Karl Kraus, de satirische Oostenrijker, laat in zijn toneelstuk: 'Die letzten Tagen der Menschheit'" een legeraanvoerder, in zijn dom dialect, cynisch uitroepen : "I bin für Stürm, möcht wissen, wozu  die Leut sonst auf der Welt sind als fürn Heldentod". Helaas, dat cynisme was realiteit. Gaston Durnez schrijft over de 'Stormloop van Tervate'. "Van de achthonderd grenadiers met wie in de namiddag de tegenaanval werd begonnen, bleven er 's anderendaags nog honderd of honderd vijftig over. De volgende uren zouden zij nog meer worden uitgedund... Die stormloop was een echte slachting. Met honderden zijn ze gevallen" (Gaston  DURNEZ : “Zeg mij waar de Bloemen zijn”).

fig 013
Duitse postkaart uit de Eerste Wereldoorlog: “Bier, wijn en sigaren, en dan het oorlogsklusje klaren”

 

De meest zinloze en nutteloze veldslag van de Eerste Wereldoorlog was die bij Verdun. Daar werden voor het prestige van enkele generaals tienduizenden mensen opgeofferd. De oorlog werd er geen dag door ingekort; de gevolgen voor de oorlogsstrategie waren nihil. Het is niet voor niets, dat de soldaten zichzelf als 'kanonnenvlees' bestempelden.

Het is te begrijpen dat de soldaten alras het dramatisch oorlogsspel door hadden en dat zij vlug ontnuchterd waren. Weldra konden de triest terugtrekkende geallieerden de opmars van de triomfantelijke oprukkende Duitsers stoppen. Bij ons liepen de legers vast in de overstroomde ijzervlakte. Dat leidde tot een stellingoorlog, die vier jaar zou duren. Daar in het slijk werd de vredesbeweging geboren. De verblindende pracht van het vooroorlogse soldatenuniform, vervaagde er tot een modderig kaki of feldgrau veldtenue. Renaat De Rudder schreef in november 1916 over zijn frontkameraden: "'k Had ook zo medelijden met hen.  'k Vergat mijn eigen lijden en eigen wee toen ik met hen in de modder kroop dicht bij de vijand, als ze te bibberen zaten in de sneeuw en in de regen, als hun klederen tegen hun lijf plakten, als ze zonder schuilhok dagen en nachten moesten buiten liggen wijl het vroos... dat ze 's morgens witberijmd zagen" (Renaat DE RUDDER - Een stille getuigenis”).

De pathos van de mythe van de Duitse studenten, die in Langemark zogezegd met het 'Deutschlandlied' op de lippen stierven, ging in de loopgraven roemloos dood. Want daar werden duizenden jongeren vreselijk uiteen gereten door obusinslagen, onverbiddelijk neer gemaaid door geweer of mitrailleurkogels, verraderlijk gedood door het sluipende gifgas, doorstoken met een dolk of bajonet, neer gehakt door een scherp geslepen loopgravenschopje. Daar was geen tijd en zeker geen zin om het Deutschlandlied of de Brabançonne, of de Marseillaise of het God save the King te zingen. Voor zover zij het nog konden, stierven de sukkelaars met de naam van een bemind wezen op de lippen; "moeder!" was voor velen de laatste jammerklacht (Karl UNRUH: “Langemarck – Legende und Wirklichkeit”. Daarin maakt de auteur brandhout van de Langemarklegende zoals ze later in de heldenliteratuur werd beschreven)Ja, die jonge mensen gingen dood als helden, maar dan als stille naamloze helden, die in geweten hun plicht hadden gedaan. Daar was geen plaats voor pathos. Zoals Anton Van Wilderode dichtte, verwerden die heldhaftige gevallen strijders tot:

 

De doden met hun ogen van aarde
met handen en voeten van gras
zijn de stilste doden der wereld.
Zij zijn gelijk halmen en aren
verbaasd zonder woede gevallen.
De weerloze akker van Vlaanderen
ligt van hun aanwezigheid vol.


fig 14
Vier bronzen soldaten waken over hun tienduizenden krijgsmakkers die hier in Langemark begraven liggen

 

Hun boodschap dringt echter van over het graf tot ons door; zij roepen ons op hun manier "nooit meer oorlog" toe:

Zij roepen hun boodschap van vrede
met wrede verhakkelde monden
met modderspatten en wonden.
De levenden moeten het weten
het nooit meer moedwillig vergeten
terwijl zij ademen en eten
in het heilige rijk der gezonden.

Helaas, hun roep heeft totnogtoe tevergeefs geklonken. De inkt van het vredesakkoord was nauwelijks droog of er stond al een nieuwe rattenvanger van Hameln op, die nagenoeg gans de wereld in een ontzettende Tweede Wereldoorlog heeft mee gesleurd. Niet alleen miljoenen soldaten, maar ook massa's burgers vielen ten offer aan deze Moloch. En nog heeft de mensheid niet voldoende geleerd, want ook vandaag nog vallen mensen op slagvelden. Mensen bloeden dood voor wat hun vaderland wordt genoemd. Het is een eeuwig herbeginnen. Voor de vredesbeweging is het als een vechten tegen de bierkaai. Hoe lang nog?

 

DE BRANCARDIERS

(1993)

Kent u Oeren?  Het ligt in de Westhoek, even ten Noorden van Alveringem. Het is een klein vlekje in het landschap, met een kerk, een gemeentehuis en her en der enkele hoeven in het landschap verspreid. Het gemeentehuis was gevestigd in de opkamer van de enige herberg die het dorpje rijk was. Die bestaat nu nog, al is ze sinds een paar jaren veel van haar oude charmes verloren. De schilderachtige 16de eeuwse St. Apolloniakerk is nu een tentoonstellingsruimte. Er om heen ligt een Belgisch soldatenkerkhof met ruim 500 graven. Na de Eerste Wereldoorlog werden hier door de overheid een reeks heldenhuldenzerken weggesleept en verbrijzeld, om in een 'macadam' verwerkt te worden.

Deze zomer bezocht ik er het graf van een vroegere dorpsgenoot, Karel Uyterhoeven.  Hij rust hier onder een vernieuwd ‘heldenhuldenkruisje’. Karel was geboren op 19 november 1893, in het Kempense Zoersel waar Conscience de geschiedenis van 'de Loteling' optekende in het nog steeds bestaande 'boshuisje'. Daar woonde Jan, de loteling, met zijn vrouw Trien. Karel werd onderwijzer in het naburige Sint-Antonius, toen een gehucht van Brecht maar nu een deelgemeente van Zoersel. Hij was één van de vele jonge intellectuelen die aan het front de nederige en ultra gevaarlijke taak van brancardier op zich hadden genomen. Hij was brancardier bij het 1ste linieregiment en sneuvelde te Alveringem op 17 juli 1915. De brancardiers waren meestal idealistische jongens die op gevaar van hun leven zowel hun gesneuvelde of gewonde medesoldaten als vijanden op het slagveld gingen ophalen. Velen van hen waagden hun leven bij een poging om een gekwetste te redden. Velen bekochten hun liefdadigheidswerk met verminking of dood. Het korps verloor maandelijks zo'n 40 tot 50 man, wat 5% van de effectieven betekende (Gegevens vermeld door Luc SCHEPENS in zijn werk :“14/18 Een oorlog in Vlaanderen”).

Die brancardiers waren de toeverlaat van de soldaten die nagenoeg allemaal volksjongens waren. Zij leefden immers allemaal samen in de voorste gelederen. De soldaten konden aan hun 'geleerde' kameraden hun zielennood toevertrouwen. Ze rekenden op hen als ze in de ‘penarie’ zaten. Het waren de brancardiers die studie- en ontspanningsavonden organiseerden, al dan niet in samenwerking met de aalmoezeniers. Zij vochten naast die aalmoezeniers (morele adviseurs kende het leger toen nog niet) samen met de talrijke jonge Vlaamse intellectuelen en uitzonderlijk een militaire arts of een sociaal voelende officier, om de volksjongens in de eerste lijnen voor algehele verloedering te behoeden. Het was een zware strijd tegen het geestdodende frontleven.

Toen in 1914 de oorlog uitbrak beschikte ons leger over geen geneeskundige dienst. Er was enkel een 'Colonne d'Ambulance', die niet tot het leger behoorde. Ze bestond vooral uit seminaristen, toekomstige paters en broeders, onderwijzers en hoogstudenten. Zij werden zonder enige voorbereiding, zonder enige opleiding het slagveld opgestuurd. In mei 1915 werd die Colonne vervangen door dokters en brancardiers die verspreid werden over de eenheden, waar zij het lot van de soldaten aan het front deelden. Er waren maar enkele brancardiers, twee per compagnie. Gewapend met een primitieve verbandkist opereerden zij 'ten velde'.

Dank zij dr. Depage, een professor van de U.L.B., stond België weldra model voor de andere landen op het stuk van de militaire geneeskundige dienst.  In de Panne werd het grote militaire hospitaal 'L'océan' neer geplant, terwijl dichter bij het front een reeks kleinere hospitalen opgericht werden, daarin konden de eerste zorgen toegediend worden. Vanaf mei 1915 kregen de brancardiers een meer professionele opleiding in het "Centre d'Instruction pour brancardiers infirmiers" - C.I.B.I. - (Luc SCHEPENS, ibid.  Schepens nam ook het afschuwelijk en ontroerende verslag op van brancardier Felix Delanote die op 30 september 1917 vier doden en enkele gewonden vond in een door een obus vernielde barak)Een Nederlandstalige benaming bestond er in die tijd natuurlijk nog niet.

Als er een gewonde werd gesignaleerd, gingen de brancardiers ter plaatse. Het afbinden en het ontsmetten van wonden, alsook het aanbrengen van een snelverband gebeurde niet steeds met de grootste deskundigheid. Het gevaar en de primitieve omstandigheden in de loopgraven lieten meestal niet toe behoorlijk werk te leveren. De medische uitrusting was armzalig. "Vooral de jodiumtinctuur vloeide bij het werk zeer weelderig en werd niet zonder reden 'teinture de piotte' genoemd" (Ria CHRISTENS en Koen DE CLERCQ: “Frontleven 14/18 - Het dagelijks leven van de Belgische soldaat aan de Ijzer”). Maar dan diende de gekwetste nog geëvacueerd te worden. Ook dat was het werk van de brancardier, samen met een paar soldaten, meestal kameraden van de gewonde sukkelaar. Dat was vaak avondwerk, want overdag betekende de evacuatie veelal een zekere dood. Met een 'brancard' (berrie) de gekwetste afvoeren was een hachelijke onderneming, door de smalle en kronkelige loopgrachten een zwaar gewonde dragen was een lastige karwei. Voor veel gekwetsten werd de lange evacuatietijd fataal, omdat ze te veel bloed hadden verloren, of een dodelijke infectie opliepen. Kortom, het was voor de brancardiers primitief werken en voor de gekwetsten was het een ware martelgang. Dat de brancardiers het niet gemakkelijk hadden blijkt uit een verslag van Florimond Pynaert, een vrijwilliger, die op 18 jaar soldaat werd (Florimond PYNAERT: “Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918”). Hij verhaalt zijn belevenissen tijdens het 'laatsten offensief' in de buurt van Zarren. Hij zegde o.m.: "Intussen verschenen de Rode Kruissoldaten op het slagveld en drentelden het veld op en neer om de vele gekwetsten te helpen en de talrijke gesneuvelden te begraven met opengescheurde ogen en talrijke armen of benen, onthoofden en gehalveerde rompen en daarbij nog onherkenbare stukken vlees".

 

fig 015 fig 016
Een hulppost in eerste linie (Foto overgenomen uit ”Frontleven 14/18” van Ria Christens en Koen De Clercq) Gewonde in de loopgraven van Diksmuide (overgenomen uit Marcel Boey: Tragedie 14/18)

Lode de Boninge, geboren in een Franstalig notarisgezin, was een van die brancardiers. Hij was juist voor de oorlog ingetreden bij de Witte Paters van Afrika en bereidde zich voor op de taak van missionaris. Einde 1915 werd hij van uit Nederland opgeroepen om dienst te nemen in het Belgisch leger. Hij werd brancardier en hij werd flamingant. Op 5 mei 1918 trekt hij onder een hels bombardement naar een voorpost, waar gekwetsten liggen. Hij wordt door een houwitser uiteen gereten. Zijn lichaam werd later bijgezet in de crypte van de IJzertoren. In het museum van die toren berust een fotokopie van het doorkerfde en bebloed testament van Lode.

Mijn vader vertelde over het voorgevoel van een naamloze brancardier in verband met zijn nakende dood. Het was tijdens het z.g. 'laatste offensief': "De derde dag van de laatsten offensief stapten wij verder in de richting van Moorslede, doch zo ver waren wij nog niet. Naast mij stapte onze toenmalige brancardier. Hij was zeer bedroefd en mistroostig en ik nam zijn arm onder de mijne om hem wat op te beuren, doch niets hielp. Hij zegde: 'Gij hebt kans dat gij er zult doorkomen, maar ik niet, let er goed op, voor het avond is ben ik dood, ik voel het, ik zal vandaag moeten sterven'. Ik antwoordde: 'Als ik hiervan zo zeker was zou ik stillekens trachten om wat achter te blijven, er kon van komen wat wilde, doch de dood dat is te veel. Moeten wij toch vallen, ja, dan is het te hopen dat deze die na ons komen er de voordelen van hebben en dat die geen oorlog meer moeten beleven, want wanneer wij nu eens rondom ons zien, al die doden en gewonden, het is afgrijselijk, doch houdt er de moed in de oorlog kan toch niet blijven duren, gij zult er ook wel door geraken’. Zo pratende stapten wij arm aan arm verder, doch voor het avond was is deze brancardier, een jonge onderwijzer van Moeskroen, gesneuveld" (Jef VERMEIREN sr. : “Getuigenissen van een frontsoldaat”).

fig 017 fig 018
Heldenhuldezerk ontworpen door Joe English, hij was een kunstenaarsoldaat geboren uit een Ierse vader en een Vlaamse moeder. Joe stierf op 31 augustus 1918 in het veldhospitaal te Vinkem Het graf met heldenhuldenzerkje van brancardier Karel Uyterhoeven op het soldatenkerkhof van Oeren

 

28 SEPTEMBER 1918

(1994)

 

fig 020 fig 021
Florimond Pynaert Jef Vermeiren
twee oorlogsvrijwilligers die vaak worden geciteerd in deze teksten

In november 1914 was de vooruitgang van het Duitse leger gestuit en begon, grotendeels aan de oevers van de IJzer en van de Ieperlee, een jarenlange stellingoorlog. Vaak werd om enkele meters grond hardnekkig gevochten. Het aantal soldaten dat daarbij werd opgeofferd was onevenredig groot.

Voor de volksjongens - want dat waren toch voor het overgrote deel de loopgravensoldaten - die jaar in jaar uit in de modder van het front ploeterden, was het alsof er nooit een einde zou komen aan hun schamele miserie. De enige uitweg was een zware verminking of de dood.

Dat duurde zo tot in september 1918. Toen kwam er verandering in de situatie. Fransen, Britten en Amerikanen braken door de Duitse linies. Ook de Belgen maakten zich op voor wat 'den laatsten offensief' moest worden. Die zou losbarsten in de nacht van 27 op 28 september.  Onze soldaten zouden de Duitsers uit hun versterkte linies verdrijven en hen voortjagen tot gans het land van vijanden zou gezuiverd zijn. Dat werd een bloedige confrontatie.

Het Belgisch leger telde in 1918 ruim 167.000 soldaten, waarvan 134.000 aan de strijd deelnamen. Benevens de bijna abnormaal talrijke gevallen van overlijden wegens ziekte, verloor het Belgisch leger tijdens gans de duur van de oorlog ruim 30.000 soldaten die sneuvelden of aan hun verwondingen stierven. (daarenboven stierven er nog 10.000 door ziekte). Eén derde daarvan of zo'n 10.000 vielen tussen 28 september en 11 november 1918 (Luc SCHEPENS : “14/18 Een oorlog in Vlaanderen”). Dat betekent een gemiddelde van meer dan 220 per dag en 7,5% van het totaal aantal strijders. In sommige groepen waren de verliezen zeer hoog. In de compagnie van luitenant De Winde b.v. bleven na de eerste aanvallen nog 27 soldaten over. De luitenant was bij de doden (“Van den Grooten Oorlog”. Een volksboek van de vrienden van de Elfnovembergroep). Zijn stoffelijk overschot rust onder de ruïne van de na de Tweede Wereldoorlog gedynamiteerde IJzertoren. Van de 160 mannen van de compagnie van mijn vader bleven er na vier dagen welgeteld 36 over. Meer dan 40, of één op vier, waren op het slagveld gedood; een tachtigtal, of één op twee, waren min of meer zwaar gewond achtergebleven (Jef VERMEIREN, sr.:  “Getuigenissen van een Frontsloldaat”).

Twee oorlogsvrijwilligers die als idealistische jongeren de oorlog zijn ingegaan en die over hun leven aan het front hebben geschreven, vertellen ons postuum iets over wat zij ervaren hebben in 'den laatsten offensief'. Het zijn mijn vader Jef Vermeiren (Ibid.) van het 17de en Florimont Pynaert, een piot van het 13de (Florimond PYNAERT  : “Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918”) linieregiment.

In de nacht van 27 op 28 september werden er massaal troepen aangevoerd van uit de achterlinies. De soldaten kregen drank, zodanig dat velen zwaar beschonken werden en amok maakten. De tramreis van Adinkerke naar de stelling van Sint-Jan-het-Wieltje verliep zeer woelig. Er hadden echte hooliganscènes plaats: "Er werd vernield, gezongen en gevloekt, men zou schrik gekregen hebben van zijn beste vrienden. Tijdens al die jaren front heb ik zoiets nooit meegemaakt, hoe was het toch mogelijk, op enkele uitzonderingen na had iedere soldaat toch maar één grote borrel gedronken?  R...V.., deze anders zo kalme jongen, die mijn borrel erbij genomen had, was nu ook een wilde tijger geworden."

In de gietende regen werden de infanteriesoldaten in stelling gebracht. Urenlang lagen zij doornat in de modder van de doorweekte kleibodem te wachten op het signaal om vooruit te stormen en de Duitse lijnen in te nemen. Maar eerst zou de artillerie die lijnen in flarden schieten om de vijandelijke tegenstand uit te schakelen of tot een minimum te herleiden.

Florimond Pynaert werd naar de regio van Diksmuide gezonden: "Om twee uur in de nacht komen wij toe op de ons zo gekende post C te Diksmuide." Jef Vermeiren ging met zijn groep naar de streek ten zuiden van Ieper, de sector van Sint-Jan-het- Wieltje: "Rond twaalf uur 's nachts werd onze compagnie dan verder tussen de eerste en de tweede lijn, op een Engels kerkhof gebracht... Daar lagen wij nagenoeg ongedekt in het vlakke veld. Er waren geen loopgraven of andere schuilplaatsen, de enige beschutting bestond slechts uit de kleine grafheuvels en op meerdere plaatsen waren er obusputten."

Rond drie uur brak de hel los. Het was een hallucinant gebeuren: "Door de vlammen van de losbarstingen en door de ontploffingen der obussen, was het zo licht als het overdag maar licht kan zijn... Duizenden tonnen kruit vlogen de lucht in en ontploften met gevaarlijk gekraak en donderend geraas.  In de vijandelijke stellingen vuur en vlam ten alle kanten; een vreselijke hel op aarde of was het soms het einde van de wereld? ... De Duitsers van hun kant beantwoordden van overal ons geschut. Geen vijf minuten was dit hels bombardement aan de gang of op het kerkhof waar wij lagen sloegen de eerst Duitse obussen en granaten in. Er werden dan al een paar soldaten en een luitenant van onze compagnie op slag gedood en er waren reeds verscheidene gewonden. Van overal hoorde men reeds gekerm en hulpgeroep... De Duitsers versnelden hun geschut, de granaten sloegen zodanig in dat de Engelse soldaten die hier begraven lagen werden boven geworpen, sommigen met kist en al... In die hel stonden wij, soldaten, op het sein te wachten om aan te vallen, met tien aan elkander gebonden en met het geweer in onze vaste handen geklemd. De bajonet op het geweer bereid om te doden. Geen pen is machtig genoeg om dit verschrikkelijk schouwspel te beschrijven. Het duurde zo een paar uur maar het leek een eeuwigheid".

Dan kwam het sein voor de aanval. "Plots bij de eerste morgenschemering schoot een veelkleurige pijl de lucht in, dit was het sein. Boven het gedonder uit hoorden wij het bevel 'En avant' en daar stormden wij achter een vuurgordijn dwars door de overstroming op de eerste vijandelijke loopgrachten."

De artillerie had een massa vijandelijke soldaten uitgeschakeld. Wanneer de Belgen de Duitse lijnen binnendrongen lagen er overal doden en gekwetsten. Maar er bleven toch nog genoeg strijdvaardige manschappen over, die hardnekkig weerstand boden. Er hebben zich dan ook, vooral de eerste dagen van de strijd, vreselijke tonelen afgespeeld.

Florimond Pynaert had een ijzervreter van een commandant; hij stond altijd aan het hoofd van zijn mannen en ging er moedig en onverschrokken op los, maar in het vuur van de strijd maakte hij geen gevangenen. Zelfs de Duitsers die zich wilden overgeven werden zonder genade gedood. Nu, aan de andere kant waren het ook geen 'doetjes'. Vaak staken Duitsers, ten teken van overgave, een wit vlaggetje, gemaakt van een zakdoek of een handdoek, omhoog. Maar het gebeurde ook dat kerels met zo'n vlaggetje teken deden en als de Belgen nader kwamen bekogelde zij hen met granaten. Zo werden heel wat Belgen uitgeschakeld. Hun kameraden namen dan wraak en dat betekende voor die Duitsers de doodstraf: zij werden onverbiddelijk afgemaakt.

Trouwens de Duitse militaire leiders hielden er drastische methoden op na om de soldaten tot vechten te dwingen: "Op een plaats bijna recht voor mij zag ik ook een vlaggetje omhoog komen, ik ging er op af en er lag een Duitse soldaat op de grond met een ijzeren ketting aan het been aan zijn mitrailleur vastgeklonken, deze soldaat had tot zijn laatste kogel naar ons afgeschoten en bij gebrek aan munitie gaf hij zich nu over". De gevallen van aan hun mitrailleur vastgemaakte Duitsers waren geen uitzondering.

Zowel Vermeiren als Pynaert vertellen verschrikkelijke verhalen. Schieten was nagenoeg onmogelijk. In de bunkers en de loopgrachten werden handgranaten geworpen; in lijf aan lijf gevechten werd met dolken en bajonetten gestoken en werd er met de scherpgeslepen zijkant van de spaden op losgehakt. Ook in het boek "Van den Grooten Oorlog" zijn afgrijselijke getuigenissen opgetekend. In de omstandigheden waarin de soldaten zich bevonden kon enkel het instinct van zelfbehoud redding brengen. Het was een kwestie van 'hij' of 'ik'.

fig 022
Gesneuveld aan de rand van een bomtrechter

Een enkele maal stierven echter beide vijanden: "In de deur van een zware betonnen schuilplaats zag ik een Belgische en een Duitse soldaat dood liggen, de Belgische soldaat had met zijn dolk de Duitser doodgestoken en de Duitsers had eveneens met zijn dolk de Belg gedood.  Beiden lagen naast elkaar op de grond, met een dolk in de hartstreek en iedere dode hield zijn dolk nog in de hand geklemd".

 

 

KANS  OF  ONKANS

(1995)

De laatste zes, zeven weken van de oorlog, tijdens 'den laatsten offensief', vielen in het Belgisch leger ongeveer één derde van het totaal aantal gesneuvelden, of bijna 14.000 man. In vergelijking met de doden van de andere legers "zou dit een peulschil zijn, als het niet om mensenlevens ging", schreef Luc Schepens (Luc SCHEPENS:  “14-18 - Een oorlog in Vlaanderen”).

Florimond Pynaert was bij de wapenstilstand met zijn regiment op rust, nadat hij aan de laatste gevechten had deelgenomen. Hij schreef in zijn 'Dagboek' dat de soldaten van zijn groep op 11 november door de officieren werden bijeengeroepen en dat hen werd meegedeeld dat het op klokslag elf uur wapenstilstand zou zijn. "Twee minuten voor elf uur schieten de kanonnen nog geweldig. Elf uur komt en de kanonnen vielen stil en hun droevig lied was uitgezongen" (Florimond PYNAERT:  “Dagboek - Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918”).

Reeds enkele dagen hadden de soldaten er lucht van gekregen dat de wapens weldra zouden zwijgen, niettemin moest er steeds gevochten worden.  De laatste oorlogsdagen zijn er dan ook nog op dramatische wijze heel wat soldaten gesneuveld. Nodeloos en onzinnig.

In zijn 'Herinneringen' vertelt vader dat hun sergeant op 10 november om zeven uur 's morgens een brief zat te schrijven aan zijn ouders. De eerste die hij hen rechtstreeks zou kunnen laten geworden, na al die jaren afwezigheid. De jongen was gedurende gans de oorlog aan het front geweest. Vakantie had hij nooit genomen. Zonder een enkele kwetsuur of ziekte had hij de strijd doorgemaakt. Hij was dolblij dat de volgende dag de oorlog zou voorbij zijn. Hij zou dan, na meer dan vier jaar, eindelijk terug naar huis kunnen!  Nadat hij zijn brief aan de soldaatpostbode had meegegeven, vroeg hij twee vrijwilligers om met hem een opdracht uit te voeren. Samen met een andere soldaat bood vader zich aan. Hij vertelt dan verder: "Wij maakten ons gereed om te vertrekken toen de sergeant opeens zegde: “Neen, gij twee gaat niet mee, ge hebt al heel de nacht wacht gedaan en vanavond moet gij beiden de ganse nacht terug op dezelfde post, ik zal beter die twee Walen nemen die bij ons zijn, die trekken toch altijd hun plan en laten alles maar voor de Vlamingen”... Achter de hoeve, op de koer, hield hij met de twee Walen halt om hen juist uit te leggen wat er diende gedaan te worden...Toen hoorde ik plots een obus suizen en tegelijkertijd kwam de slag van de ontploffing... Als ik opkeek zag ik dat de obus juist midden het drietal was gevallen ... De twee soldaten lagen dood en erg verminkt op de grond, hier was alle hulp overbodig. De sergeant was eveneens erg gewond en verloor veel bloed. Met een andere soldaat nam ik hem op en legde hem op het stro in de kamer. We legden zijn ransel onder zijn hoofd en trachtten het bloeden te stelpen, doch niets kon nog baten. Ik zond rap iemand om onze brancardier, doch geen vijf minuten later was de sergeant dood, nog voor de brancardier aangekomen was. Daar lag nu die brave levenslustige jongen dood". Als de brief bij zijn ouders zou toekomen zou hun zoon al begraven zijn.  Op zijn graf had het grafschrift gepast dat op het kruisje van een zekere Karel Mertens werd geschreven:

Vier jaar lang en voren aan
heeft hij in het vuur gestaan.
Vier jaar lang daarbij gezwoegd,
Tot de Heer Hem zei: "'t Genoegt !"


De avond van 10 november ontsnapte vader nogmaals, als bij wonder, aan de dood.  Hij moest, samen met twee anderen, kameraden aflossen die wacht deden in een put van de kanaaldijk. Vader trok als eerste op, “doch wanneer ik juist midden tussen het huis en de put was kwam me daar een salvo uit een mitrailleur op mij toe, de kogels vlogen langs alle kanten rondom mij. Nog een paar sprongen en ik lag hals over kop in de put op de drie wachters.  Hoe ik toen niet getroffen werd kan ik nu nog niet begrijpen, doch ik lag werkelijk goed en wel boven op de drie mannen, die begonnen te sakkeren en te vloeken. Het mitrailleurvuur hield ongeveer vijf minuten aan, geen enkele van de drie durfde de put verlaten en de twee anderen dierven al evenmin afkomen. Wie had toen durven denken dat dit het laatste mitrailleurvuur zou zijn dat op ons werd afgevuurd. Toen werd het overal beangstigend stil".

Vader is zonder kleerscheuren - op een chronische bronchitis na, overgehouden van een gasaanval - uit de grote oorlog thuis gekomen. Vaak heeft hij veel geluk gehad. Een voorval om dat te illustreren. Op een nacht moest hij samen met zijn kameraad Louis Meeusen op wacht op een gans vooruitgeschoven voorpost. Zij zaten elk in een putje van ongeveer tachtig centimeter diep, op een vijftal meters van elkaar. Het terrein was zo zompig nat dat zij met hun voeten in het water zaten. Toch vond vader het nog niet veilig: "Iets na middernacht dacht ik er aan mijn putje dieper te maken, ik had het gevoel dat ik te hoog boven de grond uit stak. Een inwendige drang verplichtte mij ertoe mijn schuilplaats dieper te maken. Eerst verzette ik mij hiertegen en meende dat er al water genoeg in stond, waarom zou ik nog dieper in het water gaan zitten. De drang hield maar steeds aan en automatisch riemde ik mijn schupje, dat altijd aan onze gordel was vastgemaakt, los en begon mijn putje dieper te maken. Louis fluisterde mij toe 'of  ik nog wel goed wijs was en of ik nog niet diep genoeg in het water zat', ik antwoordde dat hij er ook goed aan zou doen zijn putje wat dieper te maken, want dat ik duidelijk voelde dat wij voor het een uur verder was zeker een zwaar bombardement zouden krijgen en dat een diepe schuilplaats alleen ons het leven zou kunnen redden... Om ongeveer twee uur brak plots het door mij voorvoelde kanonbombardement op onze voorpost los. Wij werden door meerdere batterijen tegelijk beschoten. Wij doken zo laag mogelijk in onze putjes. Het was een ware hel van ontploffende obussen en granaten, de stukken staal en ijzer suisden over ons heen en wij werden bedekt door aarde die door de inslaande obussen was omhoog geworpen en op ons terugviel. Plots was er een hevige slag op en gedeeltelijk in mijn putje, een obus sloeg in de lichte borstwering in, ging er doorheen en drong zich in de rugwand, nadat ze juist over mijn hoofd was heen gesuisd. Gelukkig ontplofte ze niet, anders zou ik zeker in stukken zijn gereten. Had ik mijn schuilplaats niet dieper gemaakt dan had ik onmogelijk aan deze obus kunnen ontsnappen en was ze zeker door mijn hoofd of door mijn bovenlichaam heengegaan, wat mijn dood zou geweest zijn". Door de luchtverplaatsing was hij de adem afgesneden en voelde zich duizelig. Slechts na enkele minuten kon hij antwoordden op de vraag van zijn kameraad of hij nog leefde.

Aan dergelijke voorgevoelens hadden veel soldaten hun leven te danken. Wanneer ik in mei 1940 met de jonge opgeroepenen thuis moest vertrekken, gaf vader voor mij nog als ultieme raad: "Jongen, als ge innerlijk voelt dat ge niet op de goede plaats zit, gaat dan zover mogelijk van die plek vandaan". Gelukkig heb ik die raadgeving nooit moeten opvolgen.

Vader was dus gespaard gebleven door een van die zogenaamde blindgangers. Het aantal obussen die op het Westfront tussen Passendale en Verdun werden afgeschoten wordt op ongeveer 1,5 miljard geraamd. Niet minder dan 30% daarvan zouden blindgangers geweest zijn.  Men raamt inderdaad het aantal niet ontplofte bommen in de frontstreek op zo'n 500 miljoen exemplaren. De oorzaak was vaak dat de bom in een weke grond - zoals de berm van vaders putje - terechtkwam. Ze stuitte dan niet op voldoende weerstand om te ontploffen. De eerste jaren na de oorlog zijn er heel wat West Vlaamse boeren omgekomen, omdat zij met de spade of met de ploeg op een niet ontplofte granaat terechtkwamen. Maar ook lange jaren na de oorlog, ja zelfs nu nog, werden zo talrijke oorlogsslachtoffers gemaakt. De ontmijningsdienst van het leger heeft nog steeds de handen vol om blindgangers onschadelijk te maken. Jaarlijks is dat zo'n 200 tot 250 ton. Daarbij zijn vaak gasgranaten, die dubbel gevaarlijk zijn. Die worden in de Westhoek nog regelmatig ontdekt en door een speciale dienst van het leger, de DOVO, opgehaald.

Sinds 1940 wordt die Dienst ook geregeld geconfronteerd met niet ontplofte munitie uit de Tweede Wereldoorlog, vooral met vliegtuigbommen. Meer nog dan na 1918 liggen die bommen over gans het land verspreid.

De mannen van de ontmijningsdienst hebben dikwijls uiterst gevaarlijke opdrachten op te knappen. Verscheidene leden zijn bij de uitoefening van hun taak gevallen of werden verminkt.

fig 023
Drie die “onkans” hadden (Foto overgenomen uit  “Frontleven 14/18”)

 

 

 

EEN OUD FOTOBOEK
(1996)

Voor mij ligt een oud fotoalbum. De bordeauxkleurige omslag is verschoten, de rug enigszins doorgesleten en de hoeken omgekruld. Het geeft een versleten indruk. Ik kreeg het voor enkele dagen van een schoonbroer. Het is voor mij een allerkostbaarste geschenk, want het is een oud fotoboek over de frontstreek 1914-1918. Het bevat zo'n honderdvijftig kiekjes, met een kort onderschrift, enkele woorden maar, zorgvuldig 'in rondschrift' opgetekend. En, zoals het toen de gewoonte was, in het Frans. Het zijn gelegenheidskiekjes, van verschillende formaten, die met veel zorg verzameld werden en ingekleefd. Van de beelden gaat de nostalgie van de oude dagen uit: bruine foto's, sommige al sterk vergeeld, het beeld bijna uitgevlakt door de tijd.

Ik weet niet wie de foto's genomen heeft. Wellicht zijn er verscheidene fotografen geweest. Het heeft waarschijnlijk toebehoord aan een oud-strijder, die zijn frontherinneringen in beelden heeft willen vasthouden. Nu blader ik er in en vind reële getuigenissen over 'de verwoeste gewesten' die deels onder water stonden; de ellendige omstandigheden waarin onze soldaten aan het front leefden. De bezoeken van koning of generaals aan het front,

Het is ongelofelijk welke verwoestingen in de liefelijke stadjes en dorpjes van de frontstreek werden aangericht. B.v. de foto's van Lo-Reninge, met de deelgemeente Noordschote, spreken boekdelen. Wie de Westhoek een beetje kent, weet dat Lo het kleinste stadje van ons land is. Zijn wortels liggen in een ver verleden. Legendarisch is de 'Cesarsboom', een eeuwenoude Venijnboom, waaraan Julius Cesar eens zijn paard zou hebben vastgebonden. Het is een van de weinige monumenten van het stadje, dat ongeschonden de wereldoorlog heeft overleefd. In het album ziet men van Lo nog enkel ruïnes. Op de grote markt staan alleen nog de muren recht van 'estaminet' De Kroon en 'herberg' De Zwaan. Daarachter ligt het puin van de kerk. Slechts  enkele stukken muur bleven recht, evenals enkele houten kruisen op het kerkhof. Spookachtig rijzen op hun voetstuk, hoog tegen de hemel, de resten van de molen van Oostvleteren. Enkel wat balken en een paar planken laten nog de vorm van de molen vermoeden. Van de wieken is geen spoor meer te bekennen. Op het kerkhof van Lampernisse - geboorteplaats van Nikolaas Zannekin, een opstandelingenleider die in 1328 sneuvelde te Kassel in de strijd tegen de Fransen - staat een groot kruis met de nog goed leesbare namen van 45 gesneuvelden die hier op 1 december 1914 vielen. Het zijn twee Belgen en 43 Franse 'Chasseurs Alpins'. Als een huldebetoon hangen op de kruistop en aan de zijarmen mutsen van Franse Alpenjagers.

Hallucinant is het beeld van de Christus van Oostkerke, ten noorden van Diksmuide: tegen een enkel stukje kerkmuur bleef een eenzaam kruisbeeld overeind. Even hallucinant is een panoramisch overzicht van Ieper in 1915. Het doet denken aan de beelden van de steden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door bombardementen werden verwoest. Wat van de stad aan de voet van de Westvlaamse Heuvels nog overblijft, vertoont hetzelfde beeld als de platgebombardeerde en uitgebrande resten van Coventry (1940) en Dresden (1945).

 

fig 024
Ieper 1915

 

fig 025
Een bladzijde uit het fotoboek

 



 

Er zijn ook snapshots van mensen en materieel aan het front. Een Engels vliegtuig tuimelde bij een mislukte noodlanding over de kop; enkele kiekjes uit de eerste lijn, met massa's zandzakjes, 'vaderlanderkens' zegden de soldaten. Een soldaat klimt in zijn observatiepost, een doodgewone boom. Op een volgende foto is de boom  door een welgemikt kanonschot geveld. De 'observateur' hangt dood tussen de takken. Enkele Duitse krijgsgevangen bekijken onwennig en wantrouwig de fotograaf; triomferende Belgische militairen omringen hen. Voor deze 'vijanden' is de frontoorlog voorbij. Er zijn foto's bij die recht uit de loopgraven komen: muren van zandzakjes, een soldaat scherpschutter in zijn zware capot (overjas), de stalen helm op het hoofd, tuurt over de zakjes uit naar de vijand, voor hem zijn vastgebonden geweer, dat gericht staat op een open plekje in de borstwering aan de andere zijde. Wanneer daar iets beweegt, moet hij maar afdrukken en valt er bij 'de vijand' een dode of gekwetste. Een kampement achter het front, is een oude hoeve met een notenboom ervoor en daaraan hangen, als een stilleven, enkele soldatenjassen te drogen. Een prachtige foto geeft een beeld van de overstroming van de IJzer in de buurt van Lo. Op de voorgrond, zandzakjes die de overstroming indammen, daarachter "passerels", dat zijn houten latjesvloeren op balken, waarop de soldaten droog over het water heen kunnen stappen. En dan voorts een oneindig verlaten watervlakte. Daar ver weg werd de vijand door het water tegengehouden. Enkele beelden van het roemruchte kanon 7,5, dat toen een model van moderne oorlogstechniek was. Voor ons is het een hopeloos verouderd en aftands zwaar stuk staal op een ongemakkelijk onderstel van houten wielen met een ijzeren band rond. Met dergelijke stukken zaaiden echter onze artilleristen dood en vernieling in het Duitse kamp. Beelden uit het dagelijks soldatenleven, een eindje achter het front: soepbedeling, een mis aan de voet van een houten molen, postbedeling, aardappelen schillen. Het zielig beeld van een paard dat, nog voor een kar gespannen, dood ligt, getroffen door een obusinslag. Twee soldaten staan er ontredderd en hulpeloos bij.

 

fig 026
Een doodgeschoten paard  De Christus van Loo

                                          

Het zijn stuk voor stuk frappante foto's van een gruwelijke werkelijkheid. Getuigenissen van een situatie die diegenen die er bij betrokken waren deden zeggen: "Nooit meer oorlog".

Sterk in contrast met de beelden van ruïnes en mensen aan het front, zijn de enkele beelden van hogere officieren, die veilig achter het front werden genomen. In de koninklijke villa van 'La Panne' werd in 1916 Georges V, koning van Engeland ontvangen. Hij wordt verwelkomd door o.m. de generaals De Ceuninck en Wielemans en door Prins De Teck, militaire attaché bij de Belgische koning. Allen staan daar vredevol, in mooie onberispelijke uniformen voor de ingang van de villa. Achter hen de duinen. Een idyllisch beeld, waarbij de oorlog die enkele kilometer verder volop woedt, vergeten wordt. Dan de eedaflegging van een officier. De nieuwe officier met de hand aan de nationale vlag, soldaten strak in de houding, officieren met getrokken sabel, hoofdofficieren op hun paard. Hetzelfde scenario bij de overhandiging van het oorlogskruis aan de vlag van een regiment. Ook hier alles streng en tuchtvol militair. Echt beelden uit een operetteoorlog. Onwezenlijk soldaatje spelende militairen, terwijl niet ver daar vandaan hun kameraden in de modder verzinken en op een vreselijke manier worden gedood of verminkt.

Koning Albert I, bezocht meermaals het front. De piekfijne uniformen van de vorst en van de leden van zijn gevolg staan fel in tegenstelling met die van de frontsoldaten. Het is wel eigenaardig dat - naar de getuigenis van verschillende oud-strijders - er bij die bezoeken toevallig van de overzijde, van de vijand uit, nooit werd geschoten. In elk geval op de 'passereles' van een van de 'tranchés' kreeg koningin Elisabeth rustig de kans om een plaatje te schieten van haar koninklijke echtgenoot.

En als laatste beeld een jonge keurig uitgedoste militair, zijn haar mooi gladgestreken met een scheiding juist in het midden, naar de mode van die tijd. Hij zit op een motorfiets - voor ons nu een echt museumstuk - . Het is een jonge baron, hij is “motocycliste au quatier général, 6me division d'armée”.

Een oud fotoalbum, met vergeelde foto's. Een stuk realiteit uit een nu al ver verleden. Diegenen die op de kiekjes werden vereeuwigd, diegenen die ze hebben genomen, zijn allen overleden. Er blijft immers nog maar een klein handvol overlevenden van de Grote Oorlog over. Toen op 11 november 1918 de Eerste Wereldoorlog stilviel en het uit was met de reusachtige slachtpartij, zegden de oud-strijders uit de twee kampen: "nooit meer oorlog". Tweeëntwintig jaar later meldde zich Wereldoorlog II. In 1945 was de tweede internationale moordpartij voorbij. Dat is ruim 50 jaar geleden, maar wat heeft het mensdom sindsdien geleerd? Nu weer, in Afrika, in onze vroegere kolonie en mandaatgebieden, lijden honderdduizenden  onder de gevolgen van een reusachtige volkerenmoord.

fig 027

Soldaten in de sector van Lo

 

fig 028
Receptie in de koninklijke villa van De Panne in 1916

 

 


MORT POUR LA PATRIE

(1997)

Ook de Vlaamse soldaten die tijdens de oorlog stierven, kregen dat “predikaat” mee op hun graf. De meeste zijn gevallen op het slagveld, of stierven aan hun verwondingen. Velen overleden wegens ziekte. De situatie aan het front was zo erbarmelijk dat heel wat soldaten van ellende en ontbering zich een dodelijke ziekte op de hals haalden (Luc SCHEPENS, geeft in “14/18 - Een oorlog in Vlaanderen” cijfers uit een antwoord op een parlementaire vraag, van de Minister van Landsverdediging in 1938 : 23.858 gesneuvelden; 6.802 overleden aan verwondingen; 10.450 gestorven aan  ziekte;  totaal 41.110 Belgische militaire slachtoffers). Tussen die tienduizenden doden waren er een kleine twintig die terechtgesteld werden, na een veroordeling door de krijgsraad. De legerleiding was zo “delicaat” ook op hun graf het “mort pour la patrie” aan te brengen. Luc Schepens schrijft dat 220 doodvonnissen werden uitgesproken, waarvan er 18 werkelijk werden uitgevoerd. Volgens Siegfried Debaere werden er 229 doodvonnissen uitgesproken en hadden er werkelijk 12 executies plaats (Siegfried Debaere, “De dood met de kogel – elf arme drommels ten onrechte gefusilleerd?”). Steeds volgens Debaere werden 11 daarvan werden door een vuurpeloton gefusilleerd De twaalfde werd om redden van gemeen recht onthoofd (Een wachtmeester die zijn vriendin had vermoord, werd nog in 1918 op de Grote Markt in Veurne met de guillotine onthoofd). Behoudens deze laatste werden al de straffen uitgesproken wegens desertie of wegens het verlaten van zijn post in het zicht van de vijand. Typisch is dat 7 executies plaats hadden in het jaar 1914  en 3 in 1918. Aanvankelijk begrepen de officieren van de krijgsraden maar amper hoe het er tijdens de gevechten en aan het front aan toe ging. Het waren dan door de band nog Franstalige, terwijl de meeste beschuldigden Vlaamse jongens waren, die maar half begrepen hoe er over hun lot werd beslist.

Gaston Durnez (Gaston DURNEZ: “Zeg mij waar de bloemen zijn”) vertelt op een pakkende wijze het verhaal van een ooggetuige van de terechtstelling in september 1914 van twee soldaten in Walem, bij Mechelen: “… Kort voor 8 uur werden de twee soldaten door de gendarmen het kerkhof opgeleid. Wij zagen ze tussen de graven vooruitkomen, rechts van de kerk wegdraaien en dan, na een poosje, aan de achterkant van het gebouw verschijnen. Aan de gevel van de linkse zijbeuk stonden vijftien militairen met het geweer aan de voet hen op te wachten.

Toen ging het zeer vlug. De bleke, trillende jongens werden geblinddoekt en tegen de kerkmuur gezet. De soldaten schouderden het geweer. “Feu!” Het bevel van de officier klonk allesbehalve krachtig. Zijn stem scheen het fatale woorden nog te zullen weigeren. Wij hoorden het nauwelijks. Dan vielen de schoten, verspreid en onregelmatig, alsof ook de soldaten aarzelden. De jongens stuikten neer, maar leefden nog. Met de revolver gaf de officier hun het genadeschot in het oor”.

fig 029
Een van de vijftig Franse soldaten die in 1917 wegens muiterij werden terechtgesteld

De omstandigheden waarin die z.g. deserties of het verlaten van de post plaats hadden verantwoorden in nagenoeg geen enkel geval die zware straf. Vandaar dat na het eerste ultra streng optreden, bijna altijd genade werd verleend. Vielen er minder doodvonnissen, toch werden nog zware straffen uitgesproken. Zo werd in de sector “Ieper-Boezinge” op een nacht de vooruitgeschoven post “Roudaan” door de Duitsers met artillerievuur volledig vernield. De meer dan twintig manschappen die de post bezetten, werden allen, behoudens één, gedood. De man die de slag overleefde was weggevlucht tot aan een andere voorpost. Hij werd door de krijgsraad veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaar, “om zijn voorpost in het zicht van de vijand zonder reden te hebben verlaten” (Jef VERMEIREN sr : “Getuigenissen van een frontsoldaat”).

Waren de Belgen en ook de Fransen nog vrij mild met het uitdelen van de doodstraf (Luc SCHEPENS raamt het aantal Franse doodstraffen op 2.500, waarvan er 150 zouden uitgevoerd zijn; de Britse op 3.080 en 346 executies. Over de Duitsers hebben wij geen cijfers, maar wij kunnen veronderstellen dat zij uiterst streng zullen opgetreden zijn.), bij de Britten ging het er erger aan toe. Daar ging de uitvoering vaak gepaard met een wrede behandeling van de veroordeelde. Een getuige, Florent Denuwelaere (Volksboek “Van den Grooten Oorlog”) vertelde daarover het volgende: “De Engelsen die naar de tranchees (loopgraven) niet wilden gaan, werden geschoten. Ik heb het zelf gezien in een meers tussen Reningelst en Poperinge, door hun eigen officieren. Ze sloten ze op in een konijnenkot bij een oud ventje tegen die meers. ‘t Moest al toeblijven. Hij mocht zijn beesten geen eten geven. Hij moest wachten tot ze doodgeschoten waren. Ze waren daar dikwijls een dag of twee op een karrenwiel gebonden met hun armen open in de zon “ (In het “War office Manuel” van 1915 wordt gedetailleerd voorgeschreven hoe de straf van aan het karrewiel gebonden te worden moest worden uitgevoerd).

fig 030
Zo diende ‘reglementair’ een veroordeelde Engelse soldaat gebonden te worden


Op het Brits soldatenkerkhof “Locre Churchyard” in Loker, in het Westvlaamse “Heuvelland “ is soldaat Joseph Byers begraven. “Hij was 16 jaar oud toen hij zich op 20 december 1914 als vrijwilliger meldde, maar beweerde dat hij 19 was. Nauwelijks 14 dagen later, na een minimale opleiding, werd hij bij het 1ste bataljon van het regiment Royal Scots Fuseliers ingedeeld, maar bleef afwezig op de parade voor het bataljon naar het front vertrok’. Op 30 januari 1915 verscheen hij zonder raadsman voor de krijgsraad waar hij schuldig pleitte, wat volstrekt ongebruikelijk is. De hiërarchische overheden lieten er geen gras over groeien en het vonnis werd snel bekrachtigd, zodat Byers al op 6 februari in Loker voor het vuurpeloton kwam…” (Cultuurtoeristische brochures: ”In het spoor van ‘14-‘18”). Het is onvoorstelbaar hoe wreed de legerleiding kon optreden!

Het verlaten van zijn post was vaak een gevolg van de z.g. “frontkolder”. Dat was een onstuitbare paniekerige vrees die een soldaat, meestal tijdens een zwaar bombardement, overviel. In tegenstelling met de z.g. “shell-shock”, ging de frontkolder na een korte tijd voorbij. Door den band waren het jonge rekruten die de frontkolder te pakken kregen, maar hij kon ook oudere ervaren soldaten overkomen. Mijn vader geraakte tijdens “den laatsten offensief”, na vier jaar frontervaring in de greep van de frontkolder. Onder een zwaar bombardement verschool hij zich met zijn kameraden in een gracht langs een steenweg: “Op deze plaats kreeg ik het zo erg op mijn zenuwen, dat het mij onmogelijk was nog in die gracht te blijven. Toen deed ik iets waaraan ik nog nooit tevoren had gedacht of dat ik ook nog nooit had gedaan. Ik sprong uit de gracht en zette het op een lopen naar achteruit. Mijn vrienden kregen geen gelegenheid om mij tegen te houden, zo plots was ik weg. Ik liep ongeveer een kwartier ver achter onze eerste lijn, waar ik een bergplaats als beschutting vond. Daar lag ik een uur of langer, ik bekwam van zijn aandoening, mijn kalmte kwam terug en ik keerde weer naar mijn vrienden in de eerste lijn en vocht met hen verder. Dit was de eerste en de enige keer van gans de oorlog dat ik zulk een zenuwinzinking had. Tot waar ik geweest was had ik nergens rijkswachters gezien. Waren die daar geweest dan hadden zij mij ook voor de krijgsraad kunnen sleuren als deserteur in volle gevecht voor de vijand. Deze zenuwinzinking had mij twintig jaar gevang of zelfs de dood met de kogel kunnen kosten…” (Jef VERMEIREN sr.: “Getuigenissen van een Frontsoldaat”).

Ook aan de Duitse kant kende men de frontkolder. Erich Remarque beschrijft hoe een jonge soldaat getroffen wordt door “een aanval van die speciale angst, die je in de kazematten krijgt”. De jongen wil naar buiten, waar hij zonder dekking in het open veld de dood zou tegemoet lopen. Remarque en zijn oude frontvriend moeten de jongen redden, door hem een pak slaag te geven. Maar, bij een zware bominslag in de buurt, gaat een andere rekruut er toch van door: “…Ik draaf de vluchteling achterna, en vraag mij af, of ik ‘m in zijn benen zou schieten; dan komt er iets aan fluiten; ik ga direct plat op de grond liggen en als ik weer opsta, is de zijkant van onze loopgraaf bezaaid met gloeiende granaatscherven, stukken vlees en lappen uniform…” (Erich, Maria. REMARQUE: “Van het Westelijk Front geen Nieuws”).

 

Intermezzo

KRIJGSGERECHT KNOEIDE MET DOODSTRAFFEN
IN DE EERSTE WERELDOORLOG

In “De Standaard” van zaterdag:zon dag, 18/19 februari 2006 verscheen een artikel over de grove onregelmatigheden die tijdens de Eerste Wereldoorlog werden begaan door het krijgsgerecht bij de terdoodveroordelingen van soldaten.

Het artikel in de krant is gebaseerd op een studie van Jacques Maes, emeritus eerste advocaat-generaal bij het militaire gerecht en gewezen docent militair straf- en tuchtrecht aan de Koninklijke Militaire School, die werd gepubliceerd in een recent nummer van het historisch vaktijdschrift “Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis”.

Volgens die eminente auteur zouden er tijdens de Eerste Wereldoorlog 222 doodvonnissen zijn uitgesproken op basis daarvan werden 20 executies uitgevoerd: 12 soldaten. 4 Belgen als vermeende spionnen en 4 Duitsers als spionnen. Ter vergelijking: in Frankrijk werden 550 soldaten geëxecuteerd, in Italië een 150, in Groot-Brittannië 312, in Duitsland, officieel, 48. India vond de zweep al een voldoende straf. Meestal ging het volgens de officiële versie om “postverlating in tegenwoordigheid van de vijand”. Het zou vaak bedoeld geweest zijn als een voorbeeld voor de soldaten. Shell shock maakte weinig indruk.

Het Belgisch krijgsgerecht zou volgens Jacques Maes zeer slordig zijn tewerk gegaan. Er werden heel wat onregelmatigheden bij het onderzoek vastgesteld. En wat veel erger is, de juridische grond waarop de vonnissen werden geveld was vaak helemaal fout. Soms kreeg de betrokken soldaat niet de gelegenheid om in beroep te gaan, enkele genadeverzoeken werden niet aan de Koning voorgelegd, soms was de bewijslast zeer betwistbaar. In het dossier van Nederlandstalige kwamen dikwijls stukken voor die in het Frans waren gesteld  en gaat zo maar door.

fig 031
Foto’s van de executie van de 21-jarige soldaat Aloïs Wulput, die wegens desertie was veroordeeld. De foto’s werden in De Standaard gepubliceerd en komen uit het “Documentatiecentrum In Flanders Fields, Ieper”

In Frankrijk en Groot-Brittannië kregen de gefusilleerde soldaten postuum een eerherstel, in België niets daarvan. Wat nog erger is, volgens Jacques Maes “dat niemand ooit enige lessen trok uit de fouten van ’14 ’18, zodat een herhaling in de toekomst niet uit te sluiten valt”.

Nog even terloops, na de Tweede Wereldoorlog werden door het krijgsgerecht 242 als collaborateurs en oorlogsmisdadigers gestrafte terechtgesteld. De laatste in 1950.

 

 

 

SOLDATENKERKHOVEN
(1997)

“Ben je ooit in de Westhoek geweest?”  Een regel weggelopen uit een lied van Willem Vermandere. De Westhoek met zijn ontelbare resten die herinneren aan de vreselijke ‘Grooten Oorlog’ die hier vier jaar heeft gewoed en die steden en dorpen met de grond gelijk heeft gemaakt. In de zomer van 1918 was mijn vader gelegerd in wat er over bleef van het dorp Sint-Jan-het-Wieltje, in de sector van Ieper. Daar ging hij op een namiddag met een frontkameraad op zoek naar zijn vroegere woning en geboortehuis, de hoeve van diens vader. “Er was niets van overgebleven. Het enig herkenningspunt was een rood bakstenen wegeltje dat van de achterdeur van de hoeve naar de open waterput had geleid” (Jef VERMEIREN sr. “Getuigenissen van een frontsoldaat”) De naam “Verwoeste Gewesten” was niet zonder reden aan de Westhoek gegeven.

fig 032
Begrafenis van een soldaat

Maar erger nog dan de materiële verwoesting, was de verwoesting in een zinloze broederstrijd, van de miljoenen mensenlevens die de oorlog van 1914-1918 heeft geëist. De Westhoek, vooral daar waar hard werd gevochten, ligt als het ware bezaaid met begraafplaatsen van soldaten. Voor de Britten zijn er, vooral in de streek van Ieper, talloze, sommige zeer kleine, met een paar tientallen graven. Zij hebben immers de gewoonte hun gesneuvelden een definitieve rustplaats te geven in de buurt waar zij de dood vonden. De Franse troepen streden vooral in eigen land, zodat er bij ons maar enkele Franse begraafplaatsen zijn: in de buurt van Ieper op “St Charles de Potyze” rusten 4.000 gesneuvelde Fransen, waaronder 600 onbekende soldaten. Voorts zijn er nog “Knekelhuizen” in Loker-Kemmel en in Ieper. De Amerikanen  proberen steeds zoveel mogelijk hun gesneuvelden mee terug overzee te nemen. Toch bleven er ook enkelen hier begraven. Zo ook met Canadezen, Nieuw Zeelanders, Australiërs, Zuid-Afrikanen, ja, zelfs enkele Chinezen.

Hoewel de meeste van de Belgische gesneuvelden naar hun geboortestreek werden teruggebracht, zijn er in de Westhoek toch nog verscheidene soldatenkerkhoven waar landgenoten begraven liggen. Ze getuigen van minder verbeelding en gevoel voor sfeer dan de Britse of Duitse. De stenen grafzerken hebben een bronzen gedenkplaat, zijn steeds tweetalig en versierd met de Belgische driekleur (Cultuurtoeristische brochures: “In het Spoor van ‘14-’18”).

Zoals b.v. in Ramskapelle met nog 623 grafstenen, waarvan 400 naamloos. In Keiem liggen nog 626 Belgen begraven, waarvan meer dan de helft ‘onbekend’. Ze sneuvelden tijdens een aftocht tussen Keiem en de Tervatebrug aan de IJzer, in de modder en aan hun lot overgelaten. In Houthulst ligt een van de grootste Belgische begraafplaatsen met 1.855 doden. Ze vielen voor het merendeel bij de herovering van het bos van Houthulst tijdens het bevrijdingsoffensief van 28 en 29 september 1918. Er liggen ook 81 Italiaanse krijgsgevangenen die stierven in Duitse Werkkampen in deze buurt. In ‘14-’18 behoorden de Italianen immers tot de geallieerden.

fig 033
Het soldatenkerkhof van Alveringhem tijdens de oorlogsperiode

Een van de meest stemmige begraafplaatsen is die van Oeren. Ze ligt, zoals een oud dorpskerkhof, rond de laatgotische St. Appolloniakerk gespreid. Het is er steeds vredig en stil. Tijdens de oorlog werden hier op 36 heldenhuldenzerkjes de uitgehouwen letters A.V.V.- V.V.K (alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus) op last van de legeroverheid dicht gepleisterd. Het model van die zerkjes, was door de Belgische soldaat en kunstenaar Yoe English getekend, naar Iers voorbeeld, het werd bekroond met een Keltische kruiskop, waarop de letters voorkwamen die zo’n kwaad bloed zetten bij de overheid. Later zijn de meeste van die zerken stukgeslagen en het puin werd in de wegen verwerkt. Nochtans waren die kruisjes met de luttele centjes van de frontsoldaten bekostigd: “Als er een Vlaamse soldaat sneuvelde, gingen een paar mannen in de compagnie rond om geld bijeen te halen voor een Heldenhuldenzerk om op het graf van de gevallen Vlaming te plaatsen. Allen droegen van hun karige soldij het hunne bij tot er genoeg was om een zerk te kunnen plaatsen. Kwam men met één rondgang niet toe dan werd er gewacht tot wij opnieuw soldij kregen… Ik heb persoonlijk meermalen vastgesteld dat er heldenhuldenzerken besmeurd en vernield waren, wanneer ik op de militaire begraafplaatsen te Oeren, Adinkerke en op verschillende andere plaatsen, de graven van mijn gesneuvelde kameraden ging bezoeken“ (Jef  VERMEIREN sr.: “Getuigenissen van een frontsoldaat”).

In Vlaanderen, aan het front in de Westhoek vielen tienduizenden Britten. Er zijn in Belgiê 168 Britse begraafplaatsen. Het zijn sfeervolle dodenakkers, elke soldaat, maar ook elke officier heeft zijn uniform witstenen zerkje. Elk draagt in half verheven beeldhouwwerk het wapenteken van de legerafdeling waartoe ze behoorden. De nabestaanden mochten een opschrift naar wens op het zerkje laten beitelen. Het is echter opmerkenswaard hoe vaak er het opschrift “known unto God” op voorkomt. Elk Brits kerkhof wordt gedomineerd door een herdenkingssteen in de vorm van een groot wit Portlandstenen altaar bekroond met een offerkruis, waarop een gestileerd bronzen zwaard prijkt. Het kerkhof oogt als een typische Engelse tuin, met bij voorkeur Engelse bloemen en planten. Oorspronkelijk werden ze onderhouden door Britse oud-strijders uit de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden zij door de Duitsers geïnterneerd als ‘vijandelijke onderdanen’. Nu nog vindt men op de kerkhoven kleinzonen van die soldaten die in het zachtgevooisd Westvlaams praten. Hun grootvaders waren veelal gehuwd met meisjes uit de Westhoek en hun kinderen en kleinkinderen hebben zich hier geïntegreerd.

fig 34 fig 035
Zo ziet nu het Belgisch soldatenkerkhof bij de vroegere kerk van Oeren er uit Het kerkhof van Hoogstade tijdens de oorlogsperiode


Het belangrijkste Brits militaire dodenveld is het “Tyne Cot Cemetery”, waar bijna 12.000 soldaten rusten. Op de lange muur achteraan op het kerkhof staan de namen van meer dan 35.000 Britse en Nieuw Zeelandse militairen die tussen 16 augustus en het einde van de oorlog vermist werden. (de namen van de 54.896 vermisten van voor 16 augustus 1917 staan gebeiteld op stenen platen in de Menenpoort in Ieper).

Het is onbegonnen werk al de Britse begraafplaatsen op te sommen. Enkele voorbeelden: Ramscappelle Road Military Cemetery, 839 graven, waarvan 313 naamloos. De overgrote meerderheid zijn Britten, maar er liggen ook enkele Tsjechische en Russische soldaten. In Boezinge vindt men verscheidene begraafplaatsen zoals: Essex Farm Cemetery, met meer dan 1.000 graven; Bard Cottage Cemetery, met meer dan 1.600 graven; Talana Farm Cemetery met 529 graven… en ga zo maar door !

De Duitse gesneuvelden van ‘14-‘18 werden in 1957-1958 op vier ‘Friedhöfen’ samengebracht: Hooglede, Menen, Langemark en Vladslo. De laatste twee zijn de meest bekenden.

Op het “Deutscher Soldatenfriedhof” van Langemark rusten iets meer dan 44.000 Duitse doden, bijna 12.000 zijn onbekend gebleven. Er zijn 3.000 studentenvrijwilligers bij die in 1914 voor Langemark vielen. Het is een sober en somber kerkhof, met een monumentale toegangspoort in roze zandsteen uit de Weserstreek. Achteraan waakt een groep van vier treurende bronzen soldatenfiguren over hun gevallen kameraden.

Het Nationaal Socialisme had van de strijd om Langemark, waar zoveel studenten waren gesneuveld, een mythe gemaakt. Voor hen waren die jongeren een voorbeeld, niet alleen voor de Duitse jeugd, maar voor gans de jeugd van de door hen bezette gebieden. Zij zouden onder de hakenkruisvlag het communisme moeten bestrijden. Daarin ligt de reden waarom de Vlaamse vrijwilligers die met ‘Het Vlaams Legioen’ naar Rusland gingen vechten, na enkele tijd gedwongen werden onder het SS-teken te strijden. Hun brigade werd de “Langemarkbrigade”. De mythe van de Duitse studenten die z.g. met het “Deutschlandlied” de strijd in zijn gegaan, werd door Karl Unruh (Karl UNRUH: “Langemarck, Legende und Wirklichkeit”. Dat werk werd besproken in “Die Zeit” van 10 november 1989, onder de titel “Der Sturm auf Langemarck - Mit dem Deutschlandlied in den Tod? - Eine absurde aber immer noch lebendige Legende”) doorprikt.

fig 036
Britse militaire begraafplaats Tyne Cot in Passendale (Zonnebeke). Er liggen bijna 12.000 gesneuvelden Op de lange muur zijn de namen gebeiteld van ruim 35.000 militairen wier lichamen nooit werden teruggevonden

De Duitse Militaire Begraafplaats van Vladslo telt meer dan 25.600 graven. De doden rusten onder een uitgestrekt grasveld. Hun namen zijn gegrift op vierkante tegels die netjes gerijd in het gras liggen. Hier staat de wereldberoemde beeldengroep van ‘Het Treurend Ouderpaar’ dat Käthe Kollwitz maakte voor het graf van haar gesneuvelde zoon Peter. De vader met zijn strak door leed verstijfd gelaat en de moeder door smart ineengedoken, kijken bedroefd neer op het graf van hun zoon.

De vroegere frontstreek in de Westhoek is werkelijk één grote begraafplaats. Voor enkele jaren gaf ik een rondleiding aan enkele graduaatstudenten die een gefilmd eindwerk wensten te maken  over de soldatenbegraafplaatsen in de Westhoek. ‘s Avonds bij het einde van de rondleiding, zegde een van de meisjes: “wat hebben wij vandaag veel doden gezien!”. En die verzuchting kwam diep uit haar hart.

fig 037 fig 038

Grafkruis ter ere van 45 gesneuvelden, waaronder 23 Franse Jagers. op het kerkhof van Lampernisse

Onder deze steen liggen de resten van 20 Duitse soldaten. De 9de naam is die van Peter Kollwitz, Musketier,  gesneuveld op 23 oktober 1914

 

 

HONDERDEN NAGENOEG VERGETEN DODEN VAN DE GROTE OORLOG

(1998)

Het bestaan van de muur van Berlijn, waar ten tijde van de D.D.R. een paar honderd slachtoffers vielen die gedood werden bij een mislukte poging om het Westen te bereiken, ligt nog vers in ons geheugen. Toen ik voor enkele jaren een reis maakte naar de D.D.R., viel mij de draadafspanning op die langsheen de grens tussen de twee Duitslanden was gespannen. Langs de Oost-Duitse kant lag een ongeveer 5 km. breed ‘niemandsland’. Enkel de ‘Grensschutzen’ hadden er in het raam van hun bewakingsopdracht toegang. Zelfs onze Oost-Duitse begeleider, een fervente communist, mocht in dat niemandsland niet komen.

Maar het is geen monopolie van de Duitsers om scheidingsmuren op te trekken of draden te spannen. Sedert 1953 verdeelt de 38ste breedtegraad Korea in een Noordelijk en een Zuidelijk deel. Ook daar ligt tussen de twee landsdelen een nagenoeg onoverkomelijke grensversperring. Familieleden worden daardoor onbarmhartig van elkaar gescheiden. Voor een paar jaren reisde ik in Cyprus en kwam daar tot aan ‘de Groene Lijn’. Dat is een al te vleiende naam voor een scheidingslijn die sinds de Turkse inval van 1974, het land verdeelt in een zuidelijk en een noordelijk deel. Blauwhelmen trachten langs die ‘grens’ de vijandige Grieks-Cyprioten en Turks-Cyprioten uiteen te houden en zo bloedvergieten te vermijden.

Er is echter niets nieuws onder de zon, want al tijdens de oorlog van 1914-’18 hebben de Duitsers de Belgisch-Nederlandse grens afgesloten en streng bewaakt. Nederland bleef toen immers van bezetting gespaard en de Belgen zouden niet die eeuwige plantrekkers zijn als ze daarvan geen handig gebruik zouden maken. Smokkelaars haalden in Nederland voedsel om de karige rantsoenen van onze medeburgers aan te vullen. Via het neutrale land werden brieven gesmokkeld van frontsoldaten aan hun familie en vice versa. Jonge mannen die als vrijwilliger naar het leger wilden, vertrokken over Nederland naar Engeland en zo naar Frankrijk en het Belgische front. Mijn schoonvader was een van hen. Hij was 17 jaar toen hij einde 1914 de grens overstak. Na een avontuurlijke reis kwam hij behouden in Frankrijk aan. Van daar vervoegde hij zijn drie broers die al in dienst waren. Spionnen kwamen via Holland naar België en keerden ook zo naar het leger terug. Mijn vader, die aan het front zat, kreeg vanwege zo’n spion enkele keren bericht over het reilen en zeilen bij zijn familie thuis in ‘s Gravenwezel.

Hoe zorgvuldig de Duitsers ook langs de grens waakten, telkens weer werden ze verschalkt. Daarom keken zij in 1915 uit naar een drastisch en in hun ogen efficiënt middel. Langsheen gans de grens tussen België en Nederland werd een ongeveer 180 km. lange afsluiting aangebracht van drie parallel naast elkaar gerijde versperringen, bestaande uit een zestal boven elkaar gespannen draden. Maar, daar bleef het niet bij, de middelste rij werd onder elektrische stroom gezet. De Duitsers beweerden dat de stroomsterkte maar liefst 50.000 volt bedroeg. Dat was sterk overdreven, In werkelijkheid zal het een 2.000 volt geweest zijn. Alleszins een dodelijke dosis voor diegene die deze draad onbeschermd aanraakte.

Voor de grote massa was elektriciteit toen echter nog een totaal onbekend iets. Het is dan ook geen wonder dat er heel wat dodelijke ongelukken gebeurde. Een studiekameraad vertelde mij eens terloops, dat zijn vader als jonge kerel mensen door de draad had geholpen. Bij zo’n gelegenheid maakte hij echter een vreselijk ongeluk mee. Hij begeleidde drie Waalse jonge mannen. Zijn kennis van het Frans was zeer rudimentair en de Walen verstonden geen woordje Vlaams. Door een misverstand raakte een man de elektrische leiding aan. Zijn twee kameraden snelden hem ter hulp en zij bleven alle drie doodgebliksemd hangen.

Ook in de lagere school, vertelde Meester Bosmans ons over het bestaan van de elektrische draad en dat er verscheidene mensen door geëlektrocuteerd werden. Hij vertelde ook dat naar allerlei middelen werd gezocht om heelhuids aan de andere kant te komen. Het meest probate apparaat was een uitklapbaar raam, dat met rubberen strips was bekleed. Die strips werden tussen twee elektrische draden gespannen en daardoor kon men ongehinderd Nederland bereiken.

Toch zouden naar schatting volgens sommigen 600 tot 800 mensen slachtoffer geworden zijn van de elektrische draad. Voor anderen zou het aantal slachtoffers de 1.200 benaderen. De geschiedenis van deze doden is bijna volledig vergeten door de monsterachtige grootheid van de vier jaar lange stellingoorlog, die besloten werd met een bloedig eindoffensief in de herfst van 1918. Gelukkig heeft de Antwerpse UFSIA-professor Alex Vanneste aan ‘de draad des doods’ een grondige studie gewijd. Zijn interesse voor deze kwestie werd gewekt door het feit dat de grootvader van zijn echtgenote in 1914-1918 betrokken was bij een smokkel- en spionnagenetwerk aan de Belgisch-Nederlandse grens. Die schreef daarover zijn memoires neer en dat was voor de professor de aanleiding om op de zaak van de elektrische draad dieper in te gaan Op 16 april 1998. verscheen gelijktijdig in ‘De Gazet van Antwerpen’ en in ‘Die Zeit’ een artikel dat door de professor was geïnspireerd. Hij heeft met een degelijk wetenschappelijk onderbouwd, lijvig en rijk geïllustreerd boek, eer bewezen aan de nagedachtenis van de slachtoffers die aan de draad hun einde vonden, alsmede aan diegenen die er werden gevangen genomen en later geëxecuteerd (Prof. Alex Van Neste: ‘Kroniek van een dorp in oorlog - Neerpelt 1914-1918”).

Van een der slachtoffers van de ‘draad des doods’ vond ik een spoor terug. In het West-Vlaamse Slijpe, een deelgemeente van Middelkerke. Zoals het vroeger algemeen gebruikelijk was, ligt daar de begraafplaats, nog als een echt ‘kerkhof’, rond de kerk. Daar bevindt zich het eigenaardige, enigszins luguber dubbelgraf van de gebroeders Goemaere uit Brussel. Hun lichamen werden hier na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog samengebracht. Het grafmonument bestaat uit twee naast elkaar geplaatste zerken, zoals er op de graven van de Belgische soldaten werden gezet. De graven zijn enigszins verwaarloosd en de opschriften zijn nog nauwelijks leesbaar De bronzen gedenkplaten die op de Belgische soldatengraven prijken zijn hier vervangen door platen uit wit marmeren. Daarop leest men de namen, de geboorte- en de sterfdata van de twee die er begraven zijn. alsmede de omstandigheden van hun overlijden. Dat alles in de gezwollen patriotische stijl van die tijd en in het Frans.

Henri, de oudste, sneuvelde op 8 oktober 1914 op de leeftijd van 22 jaar: “Une balle le frappa au coeur sur son automobile chargée de munitions au pont de Slijpe”. Dat gebeurde langs het kanaal Plassendale-Nieuwpoort, bij het oprukken van de Duitsers naar de IJzer.

Joseph, de jongste, stierf, naar ik meen, op de leeftijd van 21 jaar in 1915: “Il périt à Achel, dans le fil electrisé de la frontière où il voulait franchir pour s’enrôler dans l’armée belge et venger son frère”. De jonge man stierf een gruwelijke dood aan de elektrische draad in het rustige Noord-Limburgse grensplaatsje Achel.

En op de arduinen plaat die de twee graven bedekt staat: “Le sang de ses martyrs fut la rançon de la patrie”.

fig 039
Het graf van de gebroeders Goemaere op het dorpskerkhof van Slype

 

fig 040 fig 041
Na de oorlog, twee Belgische gendarmen en enkele Nederlandse militairen en tussen hen de tijdens de oorlog zo gevaarlijke elektrische prikkeldraadversperring (Gazet van Antwerpen van 6 april 1998) Ook na de oorlog, links een Belgische soldaat op wacht, rechts Nederlandse militairen en tussen hen de beruchte draad (Gazet van Antwerpen, 6 & 7 februari 1999)

 

HET BOS VAN HOUTHULST IN 1918


(1999)

Het bos van Houthulst, ‘het Vrijbos’ genoemd, is het restant van een oeroud bos, dat wel 6.000 Ha groot zou geweest zijn. De bende van Baekelandt zou er zich verscholen hebben. Het was de schuilplaats voor ‘outlaws’, bezembinders, leurders, kortom van mensen die aan de rand van de maatschappij leefden,

Het bos was al op 21 oktober 1914 in handen van de Duitsers gevallen. Zij hadden er de kern van hun verdedigingssysteem van gemaakt. Het was uitgebouwd tot een nagenoeg onneembare vesting. Van hieruit bestookten zij de geallieerde linies met hun mitrailleurs en hun zware artillerie. Ze beheersten zo het ijzerfront en konden zelfs de Engelse stellingen in de buurt van Ieper bestoken. Het was op de eerste dag van ‘het laatste offensief’, een van de eerste te veroveren doelwitten en inderdaad, reeds op 28 september 1918, werd het door onze troepen opnieuw veroverd. Maar, ten koste van hoeveel slachtoffers!

Het Vrijbos zag er in oktober 1918 zo uit: enkele kale boomstronken, waarvan sommigen nog een paar spookachtige takken als wanhopige armen in de lucht steken. De bodem is bezaaid met, met water gevulde bomtrechters. Het zijn de ijzingwekkende sporen van de bloedige slag die hier plaats had en die, helaas, gepaard ging met een zwaar verlies aan mensenlevens. Er sneuvelden op een paar dagen niet minder dan 3.500 Belgische soldaten. 1.850 bleven begraven op het Belgisch soldatenkerkhof van Houthulst (“Première Guerre Mondiale des Flandres à l’Alsace”). De zerkjes liggen gespreid als een wig die in het bos dringt, als een symbool van de wijze waarop het Belgisch leger de Duitse stellingen is binnen-gedrongen. Op dat kerkhof liggen, benevens een tiental Franse soldaten, ook een tachtig Italiaanse soldaten begraven die in 1914 hier sneuvelden of die later stierven in werkkampen van de Duitsers. De Italianen stonden immers tijdens de Eerste Wereldoorlog langs de kant van de geallieerden.

De inname van het bos van Houthulst was nog niet het einde van de slachting. De bittere gevechten zouden nog duren tot 11 november 1918. Er zouden nog veel jongens vallen vooraleer de wapens voor goed zwegen. Het bos was wel ingenomen, maar de Duitsers trokken slechts stapsgewijze achteruit en elke meter grond moest al vechtend worden veroverd en kostte mensenlevens.

Over een van die gesneuvelden die in Houthulst begraven liggen, wil ik het hier iets meer vertellen. Bij een bezoek aan het soldatenkerkhof stond ik plots voor het graf van ene Alfons Vetters. Hij viel daar in de buurt op 18 oktober 1918. Hij was geboren in 1896 en was soldaat van het 17de Linieregiment. Het gaf mij een eigenaardig gevoel voor een graf te staan, waarop dezelfde achternaam vermeld staat als die van mijn schoonvader, geboren in hetzelfde jaar en soldaat van hetzelfde regiment. Alfons was echter geboren in Koningshooikt; mijn schoonvader in Olen. Zij waren geen familie en hebben mekaar wellicht nooit ontmoet.

Over deze dode vernam ik het volgende, deels uit de Gazet van Antwerpen, waar Hendrik Van der Wee, de schoonzoon van Lodewijk, de tweelingbroer van Alfons, zijn verhaal deed en deels uit de mond van Hendrik zelf die ik meermaals heb ontmoet.

Alfons was, samen met drie broers, soldaat. Dat was nog een overeenkomst met mijn schoonvader, want hij was ook samen met drie van zijn broers aan het front. Een van de Vetters’en van Koningshooikt, Frans, werd krijgsgevangen gemaakt en werd door de Duitsers in de buurt van Moskou tewerkgesteld. Een tweede werd gekwetst en verbleef in een hospitaal in Engeland. Alfons en Lodewijk waren beiden ingedeeld in het 17de linieregiment. Zij bleven gans de oorlog samen aan het IJzerfront. Op een bepaald moment was Lodewijk met verlof bij familie in Glasgow. Op een morgen kwam hij reisvaardig uit zijn slaapkamer, want zegde hij, hij moest dringend naar het front, want er was iets gebeurd met Alfons. Diezelfde morgen was zijn broer gesneuveld.

fig 042
De gebroeders Vetters uit Olen. De eerste, E.H. Frans Vetters, was legeraalmoezenier. De tweede, Gust, was een goede zanger (zoals trouwens al de Vettersen was hij zeer muzikaal). Als hij in Engeland herstelde van een kwetsuur heeft hij daar optredens verzorgd  voor de soldaten, maar ook voor zangavonden waar de opbrengst voor hulp aan de soldaten was bestemd. De derde was Eugeen. De vierde is Jef Vetters, mijn schoonvader; hij was de jongste en was de gezworen frontkameraad van mijn vader

 



DE BEDEVAART VAN 11 NOVEMBER

(2004)

 

Het is vijf jaar geleden dat ik nog mijn mijmeringen heb neergeschreven. Vandaag, na de dag van 11 november voel ik weer de behoefte om wat ik gisteren heb meegemaakt – en wat ik mij nog herinner van vorig jaar - aan het papier toe te vertrouwen. Zowel dit jaar als het vorige zijn de bezoeken aan de vroegere frontstreek twee ontroerende dagen geweest. De Westhoek in het wat vochtige, soms somber grijs, dan weer in een najaarszonneke, de Westhoek met zijn ontelbare herinneringspunten aan de Eerste Wereldoorlog, bracht ons in een innige ingetogen stemming, die ons de ganse dag vergezelde.

Dit jaar reden we naar Diksmuide, maar onderweg maakten we een kleine omweg om de Belgische Militaire Begraafplaats van Keiem te bezoeken. Het is een rustig dorpje en de begraafplaats ligt er stil en verlaten bij. Een enkele kleine bloemenkrans herinnert eraan dat vandaag de wapenstilstand wordt herdacht. Bert en ik lopen er wat eenzaam bij tussen de graven van de 628 soldaten die hier liggen. Zij sneuvelden al zeer vroeg in de oorlog. Zij hadden op 19 oktober 1914 geprobeerd Keiem terug te veroveren, maar moesten de aftocht blazen. Het werd een verwarde vlucht, waarbij vele doden vielen. De soldaten werden in de modder aan hun lot overgelaten. De doden konden niet onmiddellijk begraven worden, vandaar dat er bij de 628 graven zoveel van “onbekende” soldaten zijn.

Dan gaan we verder naar het Praetbos in Vladslo naar het Duits soldatenkerkhof, waar wij voor de zoveelste maal de in steen gehouwen miserie aanschouwen van hen die in een oorlog een geliefd wezen verloren. De vader met een van leed verbeten gelaat, de moeder door de smart neer-gebogen turend naar het graf waar haar jonge zoon Peter Kollwitz begraven ligt. Ook hij sneuvelde in oktober 1914, maar in Esen bij Diksmuide.

fig 043
Het van leed verstarde gezicht van de vader en de van smart ineengedoken moeder

Van daar ging het verder naar Diksmuide, naar de IJzertoren. Eerst wandelden wij door de crypte, waar de acht Vlaamse gesneuvelden rusten, wier lichamen in 1932 en in 1937 vanuit verschillende kerkhoven naar hier werden overgebracht. Dat gebeurde naar aloude West-Vlaamse gewoonte in een “wijtewagen”, typische West-Vlaamse boerenwagens die met een witte huif waren overtrokken. Wij stonden even stil bij het graf van sergeant-mitrailleur Bert Willems die veertien dagen jonger was dan mijn vader en die zoals hij diende in het 17de linieregiment. Hij was geboren op 31 januari 1894. Hij sneuvelde tijdens het z.g. “laatste offensief” op 29 september 1918 in Moorslede. Er zijn nog meerdere grafstenen neergelegd, zoals b.v. die van luitenant Jules de Winde. Hij was een voorbeeldige frontofficier. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd door een groep krijgsgevangen officieren in Duitsland de “Luitenant de Winde Kring” opgericht. Vele van die officieren, die vervroegd uit krijgsgevangenschap zijn teruggekeerd, zijn in de collaboratie terecht gekomen, vooral in militaire collaboratiegroepen, zoals Vlaamse Wacht en Waffen-SS.

Van Vladslo ging het dan naar Houthulst. Hier ligt een Belgisch soldatenkerkhof met 1.855 graven. Wanneer de doden van Keiem vielen bij de aanvang van de oorlog, zijn hier de meeste gesneuvelden gevallen bij de herovering van het bos van Houthulst op 28 en 29 september. Daarover heb ik in 1999 vroeger al uitgebreid geschreven. Ook hier is het wonderlijk stil. Enkel een paar bezoekers slenteren over het kerkhof.

Ons einddoel van vandaag was Ieper, de stad die tijdens de Eerste Wereldoorlog nagenoeg volledig van de kaart werd geveegd en waar zoveel jonge Britten het leven hebben gelaten. Gans de omgeving van Ieper is omgeven door Britse kerkhoven, soms met enkele graven, sommige heel groot, zoals Tyne Cot Cemetery met zijn bijna 12.000 graven. Ook daarover schreef ik al vroeger, in 1997.

De weg gaat dan naar Ieper. Onderweg bijna in de stad stappen wij nog even af bij een klein Brits kerkhof. Onder twee monolieten liggen hier ook weer verscheidene onbekende soldaten begraven. Voorts zijn er een twintigtal graven met namen, maar ook met de vermelding “know unto God”. Het doet vreemd aan zo in de eerste avondschemering over het verlaten kerkhof te wandelen en te denken aan de tientallen jongeren die hier rusten, gesneuvelden van een zinloze oorlog.

fig 044 fig 045
De Menenpoort in Ieper
Glazenier Eugeen Yoors vereeuwigde de intocht van de ‘wijtewagens’ met de kisten van de Vlaamse gesneuvelden in een glasraam in de IJzertoeren

 

fig 046 fig 047
In 2003 met mijn vrouw Finne en zoon Bert op Tyne Cot Cemetry In de diepte een fragment van de muur met de namen van de 54.900 vermisten

In Ieper gingen wij tegen 20 u. naar de Menenpoort. Via deze poort trokken honderdduizenden Britse militairen van het Gemenebest naar het front. Tienduizenden zijn nooit teruggekeerd. Er bleven zo maar liefst ruim 89.000 Britten zonder graf. In de boogvormige muur van Tyne Cot staan bijna 35.000 namen van vermisten opgetekend. In de Menenpoort zijn er nog eens bijna  54.900 namen gebeiteld. Elke avond wordt hier om 20 u. de “Last Post” geblazen door klaroenblazers van de Ieperse brandweer. Ter gelegenheid van 11 november gebeurt dat met een grote plechtigheid. Er zijn dan honderden Britse toeristen in de stad en ook enkele muziekkorpsen van het Britse leger, waaronder een groep doedelzakblazers. Zij komen de plechtigheid opluisteren, maar zoals steeds zijn het de mannen van Ieper die de “Last Post” blazen. Het is een ontroerende plechtigheid en het is ongelofelijk hoe na zovele jaren de Britten nog steeds hun doden in Ieper komen eren. Op de kerkhoven vindt men overal kleine kruisjes met “poppies”, ook soms kransen met de rode papaverbloemen. Zelfs op de Duitse kerkhoven worden door hun vroegere vijanden rode papaverkransen neergelegd, als eerbetoon voor de jonge Duitsers die hier hun leven lieten. Het is als het ware om aan te tonen hoe zinloos de dood van al die jonge mensen is geweest.

fig 048 fig 049
Poppies op het massagraf op het Sodatenfriedhof van Langemark

Vier soldaten waken over hun dode  kameraden op het ‘Friedhof’ van Langemark

 

fig 050 fig 051
Een Brits muziekkorps trekt op naar de “Last Post”

De klaroenblazers van de brandweer van Ieper blazen elk avond om 20 uur ”The Last Post”

 

 

 

 

OORLOGSGRAVEN TUSSEN POPERINGE EN IEPER

(2005)

 

Voor mij blijft november steeds de maand van het herdenken van de 1ste, maar ook van de 2de  Wereldoorlog. Sinds een drietal jaren heb ik ook anderen van de familie daarin betrokken. Het wordt een traditie in volle opgang, om rond 11 november enkele kerkhoven van de Eerste Wereldoorlog te bezoeken. Het eerste jaar gingen Finne en ik met Bert, het tweede jaar waren Bert en ik alleen en nu, in ons derde jaar, waren daar: Finne en ik, Kris en An met zoon Pieter en zijn vriendin, Ellen, Bert met Jeroen en Jullie.  Samen dachten wij aan de vele oorlogsslachtoffers over heel de wereld en aan de leuze op de IJzertoren “Nooit meer oorlog – Nie wieder Krieg – Plus jamais de guerre – no more war”. Dit jaar gingen wij, wegens omstandigheden al op 1 november, allerheiligendag, naar de Westhoek.

Onze tocht begon in de buurt van Poperinge. De streek daar is bezaaid met grote en kleine Britse militaire begraafplaatsen. Wij zochten er enkele uit, want alles op een dag bezoeken is gewoon onmogelijk In die streek vindt men hoofdzakelijk Britse kerkhoven, die enigszins van het front verwijderd waren. Maar er rusten daar, naast soldaten van het Gemenebest, ook heel wat Fransen en enkele Duitsers.

’s Morgens gingen wij naar het Lijsenthoek militairy cemetry, een beetje ten Oosten van Poperinge. Er liggen 9.902 Commonwealth soldaten en 884 van andere nationaliteiten, o.m. drie Amerikanen een heel wat Fransen. Het is het op een na grootste Brits kerkhof. Enkel Tyne Cot Cemetry telt nog meer graven. Het was ontroerend te zien hoe onze jonge mensen onder de indruk waren van dat bezoek. Zoveel doden in een zinloze oorlog deed hen huiveren. Zij liepen er rond, elk voor zich, maar mijmerend en telkens opnieuw de opschriften van graven lezend, als het ware om de identiteit te achterhalen van de jonge man die daar zo’n negentig jaar geleden in dramatische omstandigheden was gestorven. Voor hen waren het bijna leeftijdsgenoten, die geen kans op een verdere toekomst hadden gekregen. Op een van die graven lag een eenvoudig tuiltje van namaak papavers met een emotionele tekst daarbij: “who we never have seen and who give his young life for us”. Het was voor een simpele soldaat, Edmund William Allen, gesneuveld toen hij 30 jaar was.

fig 052
Op de voorgrond Franse graven en op de achtergrond een deel van de Britse graven op het Lyssenthoek Military Cemetry

Van Lyssenthoek ging het richting Poperinge. Voor een bezoek aan het ‘Poperinghe new military cemetery’ en het ‘Poperinghe old military cemetery’. Zij liggen een eindje buiten het stadscentrum, maar nog tussen de huizen. Er liggen respectievelijk 453 en 951 doden. We vonden er het graf van P. Wills, Duke of Cornwall’s en R.L. Boyle, een Canadese luitenant-kolonel beiden waren half de twintig. Er liggen ook enkele niet Britten, o.m. enkele Fransen, waaronder een paar uit hun koloniën.

fig 053 fig 054
Voorgevel van het Talbot House De kapel op de zolderverdieping. Het altaar is een oude schaafbank die men ergens in een vernield gebouw had gevonden

In de vroege namiddag bezochten wij in Poperinge het Talbot house, waar de Britten even op adem konden komen tussen twee verblijven aan het front. Nog steeds komen er Britse oud-soldaten logeren. Het is de eerste maal dat wij langs de zij-ingang naar binnen gaan en eerst de gerestaureerde grote feestzaal bezoeken, waar de Britten enige ontspanning vonden. Aan de ingang worden wij verwelkomd door een beeld van “Tubby, alias Neville Talbot, die samen met legeraalmoezenier Philip Clayton in 1915 het huis opende voor alle Britse militairen, zonder onderscheid van rang.

 

Op het gelijkvloers is nu een indrukwekkende tentoonstelling opgesteld. Op een video vertelt een oude vrouw, die als kind de oorlogssituatie van Poperinge meemaakte. Zij spreekt het sappig dialect van haar stad, maar gelukkig zijn er Engelstalige onderschriften. Verder zijn de muren bedekt met foto’s en teksten, die de miserie van de soldatensukkelaars uitdrukken. In enkele toonkasten liggen voorwerpen uit die tijd en een beetje verloren is er een videovoorstelling met realistische beelden van het soldatenleven aan het front en elders. Treffend zijn de beelden van de gekwetste stumpers die op een primitieve manier voor verzorging werden afgevoerd. Op de bovenverdieping in een kleine filmzaal, zien we een film van het cabaretleven van die tijd.

In het Talbot house zelf worden wij verwelkomd door een bejaard Engels paar, die de ‘honneurs’ waarnemen. Zij doen dat gedurende één maand en worden dan door een ander koppel afgelost. Zij boden ons thee aan en wij dronken die rustig op in de vroegere woonkamer voor de gasten. De aloude piano die er in 14-18 al stond om de soldaten te amuseren is er nog altijd . Jullie mocht er even haar muzikale kunst op uitproberen, maar zij was blijkbaar te zeer onder de indruk.

Op de eerste verdieping de slaapkamers, met de kamer van de aalmoezenier die hier een cruciale rol speelde. Hoger op de zolderverdieping de kapel met een zeer merkwaardig meubilair waar echt mooie anekdotes aan vasthangen. Dat bezoek liet een diepe indruk na. Als wij eindelijk buiten kwamen gingen wij verder de streek verkennen.

Tussen de Vlaamse bergen, de Rodeberg, de Scherpeberg en de Kemmelberg, ligt het dorpje Loker met het ‘Locre Churchyard Cemetry’. Dat bestaat uit twee “plots” op het gemeentelijk kerkhof, rechts en links van de kerk. Er liggen in totaal 215 soldaten, heel wat stierven in de Field Ambulances die hun intrek hadden genomen in het Sint-Antoniusklooster. Vooraan liggen drie sukkelaars, die werden terechtgesteld door hun eigen mensen, zogezegd wegens desertie. Een was nog een kind. Hij had zich vrijwillig gemeld en had zich uitgegeven voor een negentienjarige, hij was echter maar zestien jaar oud. Wat waren onze kleinkinderen onder de indruk van de wreedheid waarmee niet alleen de vijand, maar ook de eigen soldaten werden behandeld.

fig 022 fig 056
Locre Churchyard Cemetry ligt links en rechts van de dorpskerk Het gedenkteken midden op het ‘Ossuarium’

Dan leidt onze weg ons naar de Kemmelberg. Boven staat er een betonnen obelisk waar een gevleugelde Victoria tegen aanleunt. Zij heeft in elke hand een krans. Is het een zegekrans of een rouwkrans? Zij kijkt uit op een ‘ossuarium’, een massagraf, met 5294 gevallen Fransen. Het is eigenaardig daar rond te wandelen en te denken dat onder onze voeten enkele duizenden jonge  ‘poilus’ begraven liggen. De zon begint stilaan naar het Westen te schuiven, klaar om onder te gaan. De haan boven op het gedenkteken van het ‘ossuarium’ kijkt ostentatief naar het Oosten, van waar de vijand kwam.

fig 57
Acht van de negen bedevaarders, de fotograaf, en dat was ik, staat er niet op

Van de Kemmelberg rijden wij naar Ieper, maar onderweg stoppen wij nog even bij het Wytschaete Military Cemetry, die dateert van na de oorlog ’14-’18, want tijdens de oorlog heeft dat dorp sterk geleden. Tot november 1914 was het in Franse en Britse handen. De Duitsers bombardeerden het sterk en op 1 november 1914 viel het in hun handen. De volgende dag hebben de Britten en de Fransen het weer heroverd, maar zij bleven er maar één dag, want dan kwamen de Duitsers terug en die bleven er baas tot begin juni 1917. Enkele tijd nadien werden de Britten weer meester tot half april 1918, dan werd het na een week strijd weer door de Duitsers bezet. Bij “den laatsten offensief”, die op 28 september 1918 losbarstte, werd het voor goed door de Britten heroverd. De Duitsers werden dan over heel de lijn achteruitgedreven, tot bij de wapenstilstand van 11 november 1918. Dit maar om even aan te tonen welke wisselende veroveringen er zijn geweest, die telkens gepaard gingen met verwoestend kanonvuur. Het dorp is wellicht één grote ruïne geweest. Daarom werd de begraafplaats niet tijdens de oorlog aangelegd, maar kort daarna. Er werden veel individueel begraven militairen en soldaten van kleine begraafplaatsen uit de buurt overgebracht naar wat nu het Wytschaete Military Cemetry is. Hier liggen 1003 gesneuvelden. Er zijn ook verscheidene speciale gedenkstenen voor soldaten wier graven niet meer konden teruggevonden worden en voor soldaten waarvan men meent dat ze hier zijn begraven. Vlak naast het Cemetry staat een groot Iers kruis, dat werd opgericht voor de gesneuvelden van de Ierse troepen die hier op 7 juni 1917 een overwinning behaalden, evenals voor alle Ieren die in ’14-’18 zijn gevallen.

fig 058
De zon ging onder toen wij het Iers kruis en het kerkhof van Wytschaete bezochten

Zoals de vorige keren sloten wij de avond af met aan de Menenpoort naar de “Last Post” te luisteren. Onder die poort waar de namen van zo’n 35.000 gesneuvelden, die nooit een graf hebben gekregen, zijn opgeschreven, zorgt dit eerbetoon voor een emotioneel moment. Deze keer waren er Canadezen als gast met een grote groep Indianen in volle feestdos. Ja, ook Indianen werden aangevoerd om in de Westhoek te komen sterven. De klaroenblazers van de Ieperse brandweer, verzorgen al tientallen jaren deze ceremonie en tijdens de “Last Post” fladderen honderden bloemblaadjes als “de rode papavers van Vlaanderen” neer op de overtalrijke toeschouwers. Het is dan muisstil onder de Menenpoort en de ontroering is van vele gezichten af te lezen. Laat a.u.b. die brandweerlui nog heel veel jaren om acht uur ’s avonds die ceremonie verzorgen om onze jongeren er aan te herinneren dat een oorlog het meest wreedaardige is dat mensen elkaar kunnen aandoen. Onze welvaartsjeugd kan zich, gelukkig maar, niet meer indenken wat het is een oorlog te moeten ondergaan, waar het meest ontaarde in de geesten van de mensen wordt naar boven gebracht.

fig 059 fig 060
De ‘Last Post’ Zo zag het verwoeste Ieper er uit

 

 

 

 

 

ALS GE VAN ZE LEVEN IN DE WESTHOEK PASSEERT…

Den oorlog ga j’hier wedervinden
Ja ’t is den oorlog die j’hier wedervindt
En ’t graf van duzend soldaten

Het was onder dat thema van Willem Vermandere dat wij op zondag 5 november 2006 op bedevaart naar de oorlogsgraven van de Westhoek zijn gegaan. Onze tocht startte vlak bij zijn woning in het dorpje Steenkerke, een beetje ten zuiden van Veurne. Het is een oud dorpje, dat reeds in de 11de eeuw zou bestaan hebben. Er zijn geen 500 inwoners en land- en tuinbouw zijn de voornaamste middelen van bestaan.

Daar ligt een Belgische militaire begraafplaats, die al tijdens de oorlog werd aangelegd. Zij telt zo’n 530 Belgische en ongeveer 20 Britse graven. Bij die laatste is ook het graf van captain Frith, waarover Willem Vermandere vertelt op zijn laatst uitgebrachte C.D. Hij verhaalt hoe de dochter van deze kapitein bij hem op bezoek kwam en zegde hoe zij, als klein meisje van vijf jaar, zich haar vader nog herinnerde als een flinke militair die naar België kwam om even vlug de Duitsers terug naar huis te jagen, maar hier sneuvelde.

 

fig 061fig 062  
De militaire begraafplaats van Steenkerke met o.m. het graf van captain Frith

Op die begraafplaats werd aanvankelijk ook de Vlaamse kunstenaar Joe English begraven. Hij was de ontwerper van het heldenhuldenzerkje dat op menig graf van een gesneuvelde werd opgericht. Het werd bekostigd door een geldomhaling bij de kameraden van de gesneuvelde en mijn vader vertelde dat ook de Waalse kameraden gul hun bijdrage leverden. Joe’s lichaam werd in 1930 overgebracht naar de crypte van de IJzertoren, waar het nu nog rust.

Dan ging onze tocht naar Oeren. Het is nu een zeer kleine gemeente met een veertigtal inwoners, meestal boeren. Er is wel een café “De Leute”. Tot bij de fusie van gemeenten in 1970 was daar in de ‘voutekamer’ het gemeentehuis gevestigd en daar kwam de gemeenteraad samen.

Rond het laatgotisch, geel bakstenen kerkje uit de 16de eeuw, rusten 642 Belgische soldaten. Het kerkje is sinds 1802 niet meer in gebruik voor de eredienst. Het is in de zomer een druk bezochte plaats omdat er steeds kunsttentoonstellingen worden gehouden.

Het is een zeer stemmige begraafplaats, met een indrukwekkende ingangspoort. Reeds tijdens de oorlog werd met de aanleg begonnen. Vader ging er, als hij in de nabijheid op rust was, het graf bezoeken van een dorpsgenoot en vriend van ‘s Gravenwezel. Later werd diens lichaam overgebracht naar zijn  geboortedorp.

Hier vinden wij het graf van Karel Uyterhoeve, afkomstig uit Zoersel, hij rust onder een heldenhuldenzerk. Karel was onderwijzer in ons dorp, maar werd opgeroepen als brancardier. Hij sneuvelde, zoals zovele van zijn collega’s bij het uitoefenen van zijn humanitaire opdracht.

fig 063 fig 064
De ingang aar het soldatenkerkhof van Oeren, met daarachter de kerk Het graf van brancardier Karel Uyterhoeve

Vader heeft ook gezien hoe hier de opschriften op de heldenhuldenzerken waren besmeurd. Tijdens een februarinacht in 1918 werden op 38 van die zerken de letters AVV-VVK dicht gepleisterd. Later werden ze door de overheid weggehaald en verbrijzeld om als onderlaag voor een weg te dienen. Die wandaad was aanleiding voor het inrichten van de ijzerbedevaarten als eerherstel. De eerste werd in 1920 gehouden in Steenkerke, bij het graf van Joe English. In Oeren had, in 1923, de vierde bedevaart plaats.

Over Alveringhem, Fortem, Lampernisse en Oostkerke ging het dan naar Diksmuide, met de IJzertoren en de Dodengang.

Maar in Lampernisse hebben wij even halt gehouden, want wij wilden er ons van vergewissen of het werkelijk het meest geluidarme dorp van Vlaanderen is en, inderdaad, het was er om zo te zeggen “muisstil”. Maar dat was niet het enige doel van onze stop. Wij wilde toch even nader kennis maken met het dorpje met zijn ongeveer 190 inwoners, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog nagenoeg volledig van de kaart werd geveegd en waar al in 1914, 437 Franse Alpijnse
Jagers, 2 Belgische soldaten en 3 burgers zijn gesneuveld. Nikolaas Zannekin zou hier vandaan zijn gekomen. Hij sneuvelde in 1328 aan het hoofd van een groep Vlaamse krijgers in Kassel, in de strijd met de Franse troepen van Filips VI. De koning die Vlaanderen wilde annexeren.

Er was echter nog iets, in Lampernisse ligt “Runneke” begraven, het eerste kleinkind van Willem Vermandere dat zeer jong gestorven is en waarover de zanger een zo ontroerend liedje heeft geschreven en gezongen.

fig 065 fig 066
De gedenksteen van Nikolaas Zannekin tegen de gevel van de kerk van Lampernisse

Het graf van “Runneke”

Dan ging het voort naar Diksmuide. Wij lieten voor een keer de IJzertoren links liggen en reden direct naar de Dodengang. Eens was dat de meest vooruitgeschoven stelling van de Belgen. Zij zaten er maar enkele meters van de Duitsers. Deze waren hier de IJzer overgestoken en zij hadden daar een bunker kunnen bouwen op amper een vijftigtal meter van de Belgische loopgraven. De Dodengang was een van de gevaarlijkste plaatsen aan het front. Mijn vader en de vader van mijn vrouw zijn er meermaals op wacht geweest en hebben het verblijf zonder verwondingen doorgemaakt. Vele zijn er nochtans gesneuveld.

Het bezoek aan die Dodengang, die stevig werd gerestaureerd, is indrukwekkend. Van bij de ingang van het museum klommen wij naar de eerste verdieping, waar een reeks, vaak ontroerende, foto’s en filmen een beeld geven van hoe het er hier eens heeft aan toegegaan. Dan gingen wij naar buiten, waar wij vanaf de eerste verdieping een beeld hadden van het vlakke Vlaamse land en als wij ons omkeerden zagen wij Diksmuide en de IJzertoren.

Eens beneden wandelden wij door een wirwar van smalle gangen tussen muren van met beton opgevulde zakjes, die de oorspronkelijke zandzakjes vervangen. Maar wij kunnen ons niet voorstellen hoe het er hier vroeger is aan toegegaan. Nu wandelen wij er rustig door, maar toen! Wie zijn hoofd boven de zakjes uitstak was dood. Scherpschutters lagen immers op de loer om zoveel mogelijk slachtoffers te maken. Regelmatig vernietigde obussen een deel van de loopgraaf, gewoonlijk met doden en gewonden voor gevolg. Maar de stukgeschoten delen moesten hersteld worden, wat dan weer een levensgevaarlijke klus was. De doden werden vaak ter plaatse begraven. Ratten en ongedierte maakten het leven nagenoeg ondragelijk. De stank van rottende mensenresten en van uitwerpselen verpesten het leven in de Dodengang. Van dat alles was er nou niets meer te merken , maar wij kwamen toch diep onder de indruk van wat onze soldaten van toen daar hebben geleden.

fig 067 fig 068
De broers Kris en Bert hun twee grootvaders waren meermaals in de Dodengang van wacht zij hebben het er beide zonder verwondingen van af gebracht

De met beton gevulde zakjes die de vroegere zandzakjes moeten verbeelden

In Vladslo, in het “Praatbos”, ligt een merkwaardig Duits “Soldatenfriedhof”. Het is een stemmige en stille rustplaats. Op een groot grasveld, liggen honderden platte arduinen stenen met telkens een twintigtal namen. Hieronder  rusten meer dan 25.600 Duitse soldaten. Hier en daar breken twee aan twee, typische lage Duitse kruisen de eentonigheid van het veld. Boven dat alles kruinen statige eikenbomen, die de begraafplaats overlommeren. Maar het meest waardevolle van deze dodenakker is “het treurende ouderpaar” dat de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz heeft vervaardigd voor haar gesneuvelde zoon Peter. Hij ligt hier voor de voeten van zijn ouders begraven. Hoewel haar werken door de nazi’s als “entartende” kunst werden bestempeld, hebben zij het toch niet aangedurfd deze beelden te vernietigen.

Käthe Kollwitz heeft al bij al een dramatisch leven gekend. Het laatste drama in haar leven was het sneuvelen in Rusland van haar kleinzoon, ook een Peter Kollwitz. Hij viel in 1942; zij overleed in 1945, amper twee weken na het einde van de oorlog.

Het bos van Houthulst was in 1914-18 een begrip voor de Duitsers. Zij bouwden er een verdedigingslinie maar ook een opslagplaats voor munitie en zwaar geschut om het front te bevoorraden. Zij legden er zelfs een spoorwegnet aan. Zij wisten het gans de oorlog onder controle te houden en eerst met “de laatsten offensief” van september 1918 werd het, onder zware verliezen, door de Belgen ingenomen. Er werd dan een grote Belgische begraafplaats aangelegd, er zijn ongeveer 1725 graven van Belgische gesneuvelden, onder wie bijna één derde onbekend zijn gebleven. Er zijn ook 81 graven van Italianen, die door de Duitsers waren krijgsgevangen gemaakt. De meeste Belgen sneuvelden tijdens de eindgevechten in de buurt en zij werden uit hun voorlopig graf naar hier overgebracht. Italië had in de Eerste Wereldoorlog de zijde van de geallieerden gekozen. Van hun soldaten werden er door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt en een deel van hen werd hier in het bos tewerkgesteld om te helpen bij het vervoer van krijgsmateriaal. Velen zijn bij dat werk gevallen bij beschietingen, maar er wordt ook beweerd, dat er bij het eindoffensief als levend schild gebruikt zijn en zo gedood.

fig 069 fig 070
Enkele Belgische en ook Italiaanse graven in het bos van Houthulst Aan het graf van Alfons Vetters is een heel verhaal verbonden

Bij onze verdere reis naar Langemark passeren wij in het dorpje Poelkapelle. Midden op een dorpspleintje staat een wat eigenaardig beeld: een hoge stenen kolom met daar  bovenpop een ooievaar met neerhangende vleugels. Het is een beeld ter herinnering aan Georges Guynemer, kapitein-vlieger, die de bijnaam van “le légendaire”, de legendarische, droeg. Hij was de meest beroemde Franse jachtvlieger die 53 overwinningen op zijn palmares had staan. Op 11 september 1917 werd hij vermist. Hij was neergeschoten en in de Duitse linies terecht gekomen. Hij was toen nog geen 23 jaar. Zoals het in die tijd de gewoonte was, werd hij  door de Duitsers met militaire eer begraven. Kort daarop had er een zwaar bombardement plaats en elk spoor van Guynemer en zijn vliegtuig werden daardoor uitgewist. Men heeft nooit meer iets van Guynemer of zijn vliegtuig teruggevonden. Voor enkele jaren dacht men zijn graf ontdekt te hebben, maar het was helaas niet zo.

Waarom op het beeld een ooievaar? Wel Georges Guynemer was de chef van “l’escadrille des cygognes”, het ooievaarsescadrille.

fig 071 fig 072
Georges Guynemer

Het beeld ter ere van de Franse jachtvlieger

fig 073

Het beeld ter ere van de Franse jachtvlieger in het centrum van Poelkapelle

Het “soldatenfriedhof” van Langemark is de grootste Duitse begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog. Ze werd al aangelegd in oktober 1914. Op de 21ste van die maand werd voor het eerst gestreden om de stad Ieper in de z.g. “Slag om Langemark”. De Duitsers bereikten hun doel niet en er vielen ongeveer 3.000 Duitsers, waaronder veel studentenvrijwilligers. Vandaar de naam “Studentenfriedhof”. Maar er werden daar ook veel geallieerde gesneuvelden begraven. Later werden die naar elders overgebracht.

Langemark werd stilaan de grootste verzamelbegraafplaats van Duitse gesneuvelden. Er liggen meer dan 44.000 militairen, waaronder bijna 25.000 in een z.g. “Kameradengrab”. Zo’n 12.000 zijn onbekend.

Het is een sober en somber kerkhof, met een monumentale toegangspoort in roze zandsteen uit de Weserstreek. Achteraan waakt een groep van vier treurende bronzen soldatenfiguren over hun gevallen kameraden. Ze werden gebeeldhouwd door Emil Krieger, naar een foto waarop vier soldaten treurend staan bij de begrafenis van een kameraad.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd van Langemark een mythe gemaakt. De Vlaamse vrijwilligers die met ‘Het Vlaams Legioen’ naar Rusland gingen vechten, werden na enkele tijd gedwongen onder het SS-teken te strijden. Hun brigade werd de “Langemarkbrigade”.

fig 074 fig 075
Bij de inkom van het Langemarkfriedhof ligt deze herdenkingssteen. Merkwaardig is het aantal kronen van de Engelsen met “poppys” en kleine herdenkingskruisjes, ook met een poppybloemeke

De laatste begraafplaats die wij bezoeken is het “Tyne Cot Cemetry”, de grootste Commonwealth begraafplaats ter wereld. Hier liggen maar liefst 12.000 soldaten, waaronder 8.300 onbekende. Bovendien staan op de lange muur achteraan op het kerkhof de namen van meer dan 35.000 Commonwealth militairen die tussen 16 augustus en het einde van de oorlog vermist werden. (de namen van de 54.896 vermisten van voor 16 augustus 1917 staan gebeiteld op stenen platen in de Menenpoort in Ieper). Typisch is dat hier ook vier Duitse gesneuvelden begraven zijn.

Zoals op alle Britse begraafplaatsen liggen de doden onder een eenvormige portlandstenen zerk. Soldaten, onderofficieren en  officieren  liggen allemaal ondereen. In de dood zijn immers allen gelijk. Er bloeien op de graven nog enkele late zomer- en herfstbloemen. Nu lopen  tussen de zerken heel wat Engelse schoolkinderen rond. Zouden zij ook zo onder de indruk zijn van het massaal aantal gesneuvelden die hier rusten?

fig 076 fig 077
Dr. John Mac Crae schreef “In Flanders Fields the poppys blow, between the crosses row on row”. De poppys zijn nu uitgebloeid, maar de kruisen staan nog rij aan rij in de velden van Vlaanderen. Rechts het graf van een joodse gesneuvelde waarop zijn geloofsgenoten keien ter herinnering aan hem hebben neergelegd
fig 078
Een deel van de muur met de 35.000 namen van vermiste gesneuvelden. Men kent hun namen, maar men weet niet meer waar hun graven gebleven zijn, want die zijn bij herhaaldelijke bombardementen verloren gegaan
fig 079
De avond valt over Tine Cot. Weldra zal de begraafplaats er verlaten bij liggen. De doden kunnen dan weer rustig rusten

Zoals het de traditie wil gingen wij die avond weer naar de Menenpoort in Ieper om er de “Last Post” mee te maken. Hoewel het nog een week voor 11 november was, waren er toch weeral veel aanwezigen. Wat opviel was een school Britse leerlingen in uniform, die stil en aandachtig de plechtigheid volgden. Het was deze keer een sobere, maar daarom des te inniger Last Post. Enkel drie brandweermannen bliezen de aangrijpende melodie. Een beetje ontroerd namen wij die avond afscheid van Ieper en de oorlogsgraven in de Westhoek.

 

fig 081 fig 081

 

fig 082 fig 083
fig 085
fig 086 fig 087
fig 088
De Hallen en het Belfort

 

 

 

 

 

DE HEL VAN VERDUN

(2007)

 

Van zaterdag11 tot maandag 13 AUGUSTUS 2007

’t Is nu 11 november 2007, 89 jaar is het geleden dat de wapenstilstand werd gesloten. De dag begint weer zoals toen met regenweer, later komt de zon er door en denk ik terug aan de driedaagse reis die wij in augustus maakten naar het slagveld van Verdun, dat eigenlijk beter een ‘slachtveld’ zou genoemd worden. De vergelijking met de bloedige strijd in het Ieperse gaat op. Hoeveel doden zijn er rond die stad gevallen en hoeveel rond Verdun? Elke dode was één te veel, want er werd nagenoeg nutteloos over en weer strijd geleverd voor een luttele terreinwinst die tienduizenden doden eisten. Mijn verhaal zal niet op één dag geschreven zijn, maar ik ga er voor.

Op zaterdag 11 augustus trokken mijn vrouw Finne, onze jongste zoon Bert en ik voor drie dagen naar Verdun. In het stadje, met zo’n 20.000 inwoners, vonden wij een onderkomen in de “Hostellerie du Coq Hardi”, dicht bij het centrum en vlak bij de Maas die daar rustig voorbij stroomde. Het is echter onmogelijk op drie dagen gans het gebied van Verdun te verkennen. Wij maakten een keuze. Het is ook niet de bedoeling de geschiedenis van de gevechten in de streek te schrijven, maar enkel de indrukken weer te geven die wij hebben opgedaan tijdens onze bezoeken. Voor een uitgebreide geschiedenis kan men zeer nuttig het werk van Aad Spanjaard “Verdun, het slagveld en de omstreken” raadplegen (Uitgeverij Elmar B.V. Rijswijk).

fig 089   fig 090
“Hostellerie du Coq Hardi”, een gemoedelijke hotel, zoals er blijkbaar in
Verdun zelf niet zoveel te vinden zijn
  Het “monument aux Enfants de Verdun morts pour la France”. Het is opgericht op een bastion van de oude stadsmuur en bestaat uit vijf soldaten van de verschillende legeronderdelen
fig 091   fig 092
Juist buiten het stadscentrum van Verdun ligt de Franse militaire begraafplaats van 1916   Er zijn nog altijd sporen van de mijnkraters te zien. De tijd, erosie en plantengroei, hebben de bittere kanten van die putten afgerond

Verdun is het symbool geworden van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog en de zinloosheid van de loopgravenoorlog. Er zouden naar schatting 700.000 doden, vermisten en gewonden te betreuren zijn. Het was eigenlijk een absurde oorlog waar honderdduizenden jonge mannen met enthousiasme aan begonnen en die eindigde in het slijk, het bloed, de verwondingen en de dood.

De eerste dag, zaterdag 11 augustus bezochten wij het zuiden van Verdun. Die streek had eigenlijk niet direct te maken met de slag van Verdun, maar ze werd reeds in september 1914 door het Duitse leger bezet. In februari 1915 probeerden de Fransen die regio opnieuw te veroveren. Ter voorbereiding van die aanval werden tunnels gegraven tot onder de Duitse stellingen en daar werd heel de boel opgeblazen.

Er werden voor die tijd vreselijke gevechten geleverd en er vielen tot oktober 1915 meer dan 10.000 man. Het was daar na de gevechten een waar maanlandschap, maar de tijd heeft dat vreselijk beeld verzacht. De loopgraven en de mijnkraters zijn door de erosie afgerond; er groeit gras, wilde bloemen en klimop; de armzalige boomstronken die door de bombardementen werden kaal geschoten zijn vervangen door nieuw opgeschoten struiken en bomen. Maar stukken prikkeldraad, resten van ijzeren staven waaraan de prikkeldraad werd bevestigd en ruïnes van betonnen ‘abri’s’ zijn de stille getuigen van hoe het er hier eens is aan toegegaan. Trouwens die schamele resten van de bittere gevechten die in de streek van Verdun werden geleverd zullen wij nog vaak aantreffen. Het blijft telkens hallucinant en doet ons telkens denken aan de tienduizenden die hier de dood vonden of voor het leven werden verminkt.

Op de militaire begraafplaats van “Les Epargnes” telt men 2.920 Fransen graven. Wij ontmoeten een verontwaardigde Franse familie die het graf van een bekende wou bezoeken en het niet vond, want het register dat de plaatsen aanwijst was gestolen. Voorts kloegen zij over het grote verschil in opbouw en onderhoud in vergelijking met de wat verder gelegen, bijna luxueuze, Amerikaanse begraafplaats van Saint Mihiel.

fig 093   fig 094

De Franse begraafplaats van “Les Epargnes”: graven, de herdenkingsplaat en de Franse driekleur

  Het middenpark met Amerikaanse adelaar en enkele van de 4.153 graven op de begraafplaats van Sant Mihiel

Op de Amerikaanse begraafplaats van Saint Mihiel liggen 4.153 Amerikanen begraven, waarvan de meeste gesneuveld zijn in september 1918 tijdens het z.g. “Laatsten Offensief”. De Amerikanen waren dan nog maar één jaar bij de oorlog betrokken. Hun onervarenheid speelde hen vaak parten en was voor velen van hen noodlottig in de strijd met de ervaren Duitse soldaten.

Van daar gingen wij ongeveer 17 km verder naar de Butte de Montsec. Er werd in deze streek al in september 1914 zwaar gevochten en dat tot in april van het volgende jaar. Er verdwenen toen zo’n 15.000 Franse en Duitse soldaten. Bij de eindslag, op 8 april 1915, was het zo erg dat een Franse adjudant uitschreeuwde: “debout les morts” en de gekwetsten stonden in een uiterste inspanning terug recht om mee te doen aan het gevecht. Uiteindelijk bleven er in de groep van de adjudant enkel twee soldaten ongedeerd over. Het stadje Saint Mihiel was al in 1914 door de Duitsers bezet en bleef dat tot september 1918. Op 12 september 1918 vielen de Amerikanen, samen met Franse koloniale troepen, aan en verdreven na drie dagen helse strijd de Duitsers.

 

 

Een groot Amerikaans monument herdenkt de overwinning van de Saillant van St. Mihiel. Het bestaat uit een grote ronde zuilengalerij met in het midden een platvorm met een bronzen reliëfplattegrond van de saillant. Het werd opgericht ter ere van de 550.000 Amerikanen die hier samen met 110.000 Fransen slag hebben geleverd in wat het ‘grote offensief van Saint Mihiel’ wordt genoemd. Een paar cijfers: er namen 1.481 Amerikaanse vliegtuigen aan deel. Er waren 400 tanks bij betrokken, 144 daarvan werden door Amerikanen bestuurd. Er waren 3.000 Amerikaanse kanonnen met maar liefst 1.300.000 stukken munitie. Langs de geallieerde kant vielen meer dan 7.000 doden. Er werden 16.000 krijgsgevangenen gemaakt en 440 kanonnen buitgemaakt. Hoeveel Duitsers er vielen wordt stilzwijgend voorbijgegaan.

fig 095   fig 096   fig 097
Het Amerikaans monument op de Butte de Montsec   De Duitse begraafplaats van Saint Mihiel. Helemaal achteraan rechts het beeld van een treurende krijger   Op de achtermuur het beeld van de treurende krijger die de dood van zijn kameraden beweent

Bijna verscholen in de bossen vinden wij nabij Saint Mihiel ligt een Duitse soldaten begraaf- plaats, met 6.040 graven. Het is geen netjes aangelegd kerkhof, zoals wij die in de Westhoek kennen. Zijn de Fransen voor hun gesneuvelden al niet erg zorgzaam, dan wordt er voor de graven van de toenmalige vijanden nog minder gedaan. Of krijgt de Duitse Kriegsgrabenfürsorge hier geen kans?   Dat was het einde van ons bezoek aan het slagveld ten Zuidoosten van Verdun.

Dag twee, zondag 12 augustus trokken wij naar de Noordoost kant, waar de eigenlijke slag van Verdun in alle hevigheid heeft gewoed. Hebben wij de eerste dag heel wat kilometers moeten afleggen om de nogal sterk uiteenlopende punten te bezoeken, dan is het nu veel gemakkelijker, want hier liggen de bezienswaardige plaatsen dicht bij elkaar.

Het ‘Fort de Vaux’ is onze eerste halte. Het is er vochtig. In de loop der jaren hebben zich stalactieten en stalagmieten gevormd. De stalactieten hangen soms tot 30 cm. lang naar beneden. De stalagmieten worden afgesleten door de schoenen van de bezoekers, men voelt de hobbelige resten als men er over loopt.

In het kader van de grote slag rondom Verdun werd het Fort de Vaux op 1 juni 1916 door de Duitsers aangevallen. De 600 Fransen verdedigden zich hardnekkig. Maar moesten na 6 dagen de strijd opgeven. Aad Spanjaard schrijft: “De soldaten vochten in het aardedonker, de lucht was verpest door oliedampen en stof, paniekaanvallen braken uit als men een gasaanval vermoedde, de mannen werden gek van de dorst en likten het condenswater van de muren, sommigen dronken hun eigen urine, de stank was ondraaglijk, latrines waren onbereikbaar in alle hoeken lagen uitwerpselen”. Gebrek aan water, onmenselijke levensomstandigheden, aanvallen met stikgas en vlammenwerpers dwongen, op 7 juni 1916, commandant Raynal het fort over te geven.

Op 25 oktober gingen de Fransen tot een tegenaanval over. Ten koste van honderden doden en gewonden. Er was geen doorkomen aan. Maar op 2 november ontruimden de Duitsers vrijwillig het fort en op 3 november was het weer in Franse handen, althans wat er van het fort nog restte, want de Duitsers hadden het voor een groot deel opgeblazen.

In de hierna volgende foto’s kan men zich enigszins een beeld vormen van hoe het er in het fort uit zag, maar dan in zo gunstig mogelijke omstandigheden. Hoe moet het er aan toegegaan zijn als er 600 mensen streden tegen het vuil, de stank en vooral de aanvallen van buiten uit.

fig 098   fig 099   fig 100
De nog fel gehavende muren van het Fort de Vaux   In de trieste gangen van het fort   De kapel in een van de ruimten van het fort
fig 101   fig 102
De primitieve rode kruis post   Op de weg tussen het Fort de Vaux en het Mémorial de Verdun, staat op een kruispunt het Monument du Lion. Het is de uiterste plek tot waar de Duitsers zijn doorgedrongen

Dan bezoeken wij het ‘Mémorial de Verdun’ dat in 1967 werd geopend. Het is een museum dat wij danken aan het privé initiatief van een groep oud-strijders. Er is een grote verzameling wapens, uniformen, ook persoonlijke uitrustingsstukken, en legermaterieel opgeslagen, zelfs een veld-keuken, een camion, een Frans en een Duits vliegtuig… Midden in de zaal is een slagveld nagebouwd. 

Maar het meest aangrijpende is een film die ons midden in de Slag van Verdun brengt. Authentieke filmbeelden tonen hoe de soldaten in de modder moesten ploegen, het slagveld lag vol met water gevulde obusputten, stukgeschoten boomstammen, prikkeldraad en wat erger was, gewonden en doden. Het was hallucinant en schrikwekkend. En dan deelden wij nog niet in het geluid, het gekerm van de gewonden, het geratel van de mitrailleurs en het gedonder van de kanonnen. Het moet een vreselijke hel geweest zijn. Bij de ingang staan kleine kijkkasten, met driedimensionale zeer realistische beelden van het front. Sommige zijn afgrijselijk om aan te zien, zoals de foto van een zwaar verbrande dode soldaat die zielig verlaten ergens tegen de rand van een obusput aanligt.

Wij dachten bij dat alles aan onze vaders die aan de IJzer vier jaar in gelijkaardige omstandigheden hadden moeten leven. Hoe die geen trauma voor gans hun leven hadden opgedaan is een raadsel.

fig 103   fig 104   fig 105

Ingang van het Memorial van Verdun

  Op een muur de voorstelling van een gesneuvelde die wordt ten grave gedragen   Een muur was volledig bedekt met houtskooltekeningen. Hierboven een fragment van soldaten die klaar staan om naar front te gaan

Het Mémorial staat waar vroeger het stationeke van het dorpje Fleury stond. Het telde bij het uitbreken van de oorlog 422 inwoners. Het werd door het oorlogsgeweld van de kaart geveegd, zoals trouwens nog acht andere dorpen. Ze werden nooit heropgebouwd. Fleury kwam maar liefst 16 keren afwisselend in Franse en in Duitse handen. Waar het eens het dorpje stond is nu een groot kraterlandschap met hier en daar een  naamplaatje dat verwijst naar de straat of het huis dat daar gestaan heeft. Na de oorlog werd er een herdenkingskapel gebouwd: het O.L.Vrouwe van Europa kapelletje.

Er zijn tijdens de slag van Verdun negen dorpjes volledig verwoest en nooit meer terug opgebouwd, het moeten rustige lieve boerenplaatsjes geweest zijn met de mooie namen: Beaumont (-en verdunois), Bezonvaux, Cumières-le Mort-Homme, Douaumont, Fleury-devant-Douaumont, Haumont-Près-Samogneux, Louvemont (Côte-du-Poivre), Ornes, Vaux-devant-Damloup. In elk van die dorpen hadden vreselijke gevechten plaats. Nu eens werden ze ingenomen door de Duitsers, dan weer werden ze teruggenomen door de Fransen en zo ging dat maar heen en weer.

fig 106   fig 107
Fleury: O.L.Vrouwe van Europa kapelletje   Bomkraters waar eens Fleury stond. Het landschap is enigszins verzacht door de erosie en er groeit gras terwijl er ook bomen en struiken opschieten. Rechts ziet men nog een deel van een van de straatborden

Nu komen wij aan een van de grootste Franse dodenakkers uit de Eerste Wereldoorlog, vlak bij het indrukwekkende “Ossuaire” – het knekelhuis – van Douaumont. Nergens komt de zinloosheid, de waanzin van de oorlog zo tot uiting als hier bij die bijna onmetelijke dodenakker en het nog reusachtiger Ossuarium. Vòòr het Ossuaire ligt een uitgestrekte begraafplaats. Het is een prachtig onderhouden site waar meer dan 15.000 geïdentificeerde gesneuvelden rusten. Het zijn overwegend Fransen, maar ook soldaten uit hun koloniën, alsmede enkele joodse gevallenen.

Maar dat is maar een klein aantal, vergeleken met de niet geïdentificeerde slachtoffers. De gebeenten van naar schatting 130.000 Fransen en Duitsers, broederlijk verenigd in de dood, rusten in het knekelhuis. Na de oorlog werden op het slagveld de resten van de gesneuvelden verzameld en in houten kisten bewaard in een houten barak. Een Comité, onder voorzitterschap van de bisschop van Verdun, heeft gelden ingezameld om een groot ossuarium te bouwen, dat een waardige rustplaats voor de gesneuvelden zou zijn. Het gebouw kwam in 1932 klaar. Zeven jaar later stonden wij voor een nieuwe wereldoorlog, die nog meer slachtoffers heeft geëist.

Als men bij het ossuarium aankomt is men overweldigd door de grootheid ervan. De voorgevel is 137 m. breed. In het midden is een 46 m. hoge toren –de “tour des mortes”, of dodentoren – in de vorm van een houwitsergranaat. Binnen in het knekelhuis zijn er langs weerzijden 18 nissen, waarin telkens twee sarcofagen zijn opgesteld. Boven elke sarcofaag is de sector vermeld waar de resten werden aangetroffen. Zo’n sarcofaag heeft 14 m³ inhoud. Maar dat alles was nog niet genoeg om al de beenderen te bevatten en daarom werden aan de beide uiteinden van de gang twee grote grafkelders aangelegd, elk van 150 m³ inhoud.

fig 108   fig 109
De begraafplaats en rechts achteraan het ossuarium, vooraan enkele gedenkstenen voor gesneuvelden uit de Arabische wereld   De 137 m. lange voorgevel en de 46 m. hoge toren van het ossuarium
fig 110   fig 111
Het einde van de gang met de nissen. De vlam brandt boven een van de grafkelders van 150 m³  die daaronder ligt   In de achtergevel van het ossuarium zijn ramen waardoor men de beenderen van de gesneuvelden ziet liggen

Van Douaumont rijden wij naar een andere kleine, maar nietemin ontroerende gedenkplaats, de “tranchée des bajonettes”, de “loopgraaf der bajonetten”. Hier liggen soldaten van een compagnie van het 137ste infanterie begraven. Over die gesneuvelden deed lang een fabeltje de ronde: de Fransen werden door de Duitsers aangevallen en die zouden een groep soldaten in de loopgraaf levend hebben onder gedolven. Later werd de ware geschiedenis bekend. Ooggetuigen verklaarden dat de Franse compagnie zich, na zware gevechten, had moeten overgeven. De loopgraaf ‘stond’ vol gesneuvelden met het geweer nog in de hand. De Duitsers hadden om hygiënische redenen de loopgraaf dichtgegooid. Zij lieten echter de bajonetten boven de grond uitsteken, om later de begraafplaats gemakkelijker te kunnen detecteren. Er zouden 39 bajonetten hebben bovengestoken. Een Amerikaanse bankier-miljonair die getroffen was door dat verhaal, heeft de begraafplaats laten overdekken om ze te beschermen tegen de natuurelementen. Een ding heeft hij echter niet kunnen voorkomen, n.l. dat gewetenloze grafschenners één voor één de bajonetten hebben afgebroken om ze als oorlogssouvenirs mee te nemen. Toen wij de plaats bezochten was er een Fransman die luidop woedend zijn verontwaardiging over die grafschennis uitte en hij stond met zijn verontwaardiging niet alleen.

fig 112   fig 113

Het door Rank opgerichte monument boven de graven van de gesneuvelden . De tekst luidt: “Ter herinnering aan de Franse soldaten die hier met hun geweren in de hand rechtstaand rusten. Hun Amerikaanse broeders”

  De graven met enkele eenvoudige houten kruisjes. Op één enkele plaats ziet men nog het onderstuk van een afgebroken bajonet

Ons volgende punt was het fort van Douaumont. Het was een van de belangrijkste vestingwerken van de streek, er werd 30 jaar aangewerkt. Het is 400 m. lang en de oppervlakte bedraagt 3Ha. Het dak bestaat uit lagen beton en aarde en is 12 m. dik.. Er was plaats voor 800 soldaten, maar de Fransen hadden het deels ontwapend en er waren enkel 57 z.g. landweersoldaten gelegerd. Vandaar dat de Duitsers het op 25 februari 1916 zonder veel tegenstand hebben ingenomen. De Fransen hebben het dan voortdurend beschoten. Er zouden meer dan 100.000 obussen door de Fransen op het fort zijn afgevuurd, waarbij een honderdtal 400 mm. granaten. Op 24 oktober 1916 heroverden de Fransen, voornamelijk koloniale troepen, het fort, maar ten koste van zo’n 100.000 Franse doden. Binnen in het fort ziet het er uit zoals in het Fort van Vaux: druipstenen, vocht, primitieve slaapplaatsen…
Er heeft zich wel voor de Duitsers in het fort een vreselijke ramp voorgedaan. Toen op 8 mei 1916 een opslagplaats voor handgranaten door Franse obussen werd getroffen, zijn er 679 slachtoffers gevallen. Zij liggen nog altijd begraven achter een muur die een tunnelgang afsluit. Daarvoor is nu een kapel ingericht, waar nog regelmatig herdenkingsplechtigheden worden gehouden. Er moet toen bij de Duitsers werkelijk paniek geheerst hebben. De soldaten die bij de ontploffing hadden kunnen ontsnappen, waren zwart van het stof. Het was bijna donker en de andere Duitsers die de zwarte mannen op hen zagen afstormen, dachten te doen te hebben met Franse kolonialen en begonnen op hun makkers te schieten.

fig 114   fig 115
Het fort van Douaumont   De kapel voor de daar begraven Duitse soldaten. Zij liggen achter de muur links
fig 116   fig 117
Achter deze muur liggen 679 Duitse soldaten die sneuvelden bij de ontploffing van een munitieopslagplaats   In het gangenlabyrint van het fort

De derde dag, maandag 13 augustus, reden wij noordwaarts naar huis op aan, maar wij hadden nog een paar belangrijke sites te bezoeken. Eerst in Verdun zelf, waar wij de “Citadel Souterraine” wensten te zien. Hier werden tijdens de slag om Verdun een 2.000 manschappen ondergebracht. Wij reden daar in donkere gangen rond met door infraroodstraling voortbewogen karretjes. Hier en daar kregen wij virtuele bewegende beelden te zien uit het dagelijks leven van de “poilus”. Opmerkelijk was de dialoog tussen een generaal en een luitenant. De generaal met zijn theorieën en de luitenant met zijn praktische frontervaring waren het grondig oneens. Merkwaardig waren ook de bakkerij en een eetzaal voor de soldaten. Op weg naar de uitgang gingen door een zaal met een reconstructie van zes kisten met de resten van onbekende soldaten. Een daarvan werd uitgekozen om onder de Arc de Triomphe begraven te worden.

fig 118 fig 119 fig 120
De plaat die de Citadel aankondigt De ingang naar de Citadel De evocatie van de keuze van de kist van de onbekende soldaat. Links staan Franse soldaten, rechts familieleden van vermiste gesneuvelden

Wij verlaten nu Verdun om een dertig kilometer naar het noorden te gaan, naar Montfaucon (berg van de valk). Na een zware strijd viel dat dorp in augustus 1916 in Duitse handen. Het werd nagenoeg volledig vernield. Het dorp werd verlaten en later een eindje verder aan de voet van de heuvel terug opgebouwd. Alleen het kerkhof ligt er nog steeds en wordt nog gebruikt. De oude grafzerken werden echter door bomscherven beschadigd en de gaten werden met een witte stof opgevuld.

Eens stond hier op een heuvel een Benedictijnerklooster dat ook bij de gevechten werd vernield. Er staan enkel nog wat schilderachtige ruïnes overeind. De Duitsers bouwden met de resten een paar observatiebunkers. O.m. de “Kronprinz Frederich Wilhelm bunker”. Die prins had inderdaad de leiding over de troepen die o.m. Montfaucon veroverden.

Toen in september 1918 het eindoffensief losbarstte werd de heuvel door twee Amerikaanse divisies op de Duisters veroverd. Een Amerikaans Memorial, met een 58 m. hoge toren herinnert daaraan.

 

fig 121   fig 122   fig 123
De schilderachtige ruïnes van het klooster en van de kerk   Nog de ruïnes, maar met vooraan links de obsrvatiepost genoemd naar Kronprinz Frederich Wilhelm   De zuil van het Amerikaanse memorial. Op de voorgrond enkele van de oude grafzerken met de witte vlekken die wijzen op het herstel van de bomschade
fig 124   fig 125
Het memorial met de 58 m. hoge Dorische zuil  

Het memorial wordt bekroond met een beeld dat de vrijheid symboliseert

Ons laatste bezoek in Verdun betreft het Meuse Aragon American Cemetery. Het ligt op zo’n 10 km. van Montfaucon en de gesneuvelden van de Maas-Aragonnegevechten liggen hier begraven. Het is de grootste Amerikaanse militaire begraafplaats ter wereld en telt 14.246 graven. De meeste zijn gesneuveld in de herfst van 1918. In twee zijlogia’s zijn dan nog de namen opgetekend van 954 gesneuvelden wier lichamen nooit werden teruggevonden.

fig 126   fig 127   fig 128
Bij de ingang van het Meuse Argonne American Cemetry   Mooi gerijd en uiterst verzorgd liggen de graven hier in de stille natuur   In de Memorial Chapel

 

fig 000