HET WEER

DE ELEMENTEN VAN HET WEER EN DE MEETTOESTELLEN

Het weer is de gesteldheid van de atmosfeer op een bepaald ogenblik. Dit in tegenstelling tot het klimaat, dat een gemiddelde is van de verschillende meteorologische metingen over 30 jaar. Afgezien van fenomenen als de straalstroom speelt het weer zich voornamelijk af in de troposfeer. De belangrijkste weerelementen zijn de temperatuur, wind, Bewolkingsgraad en neerslag. Het weerbeeld wordt bepaald door het samenspel van de weerselementen. Van groot belang hierbij is de atmosferische beweging die het gevolg is van de ongelijkmatige verwarming van het aardoppervlak. Dit is het gevolg van de ongelijke stralingsverdeling die varieert met de breedtegraad. De ingaande zonnestraling en de uitgaande aardstraling zijn weliswaar gemiddeld genomen min of meer met elkaar in evenwicht, plaatselijk is dit niet het geval. Op breedten lager dan 38° is de instraling groter dan de uitstraling, terwijl buiten dat gebied de uitstraling overheerst. Dit brengt een compenserend warmtetransport op gang die bestaat uit de Klik hieralgemene circulatie en de zeestromen. De algemene circulatie bestaat uit turbulentie, convectie, advectie en verdamping. De combinatie van dit warmtetransport met de stralingsbalans is de energiebalans. Dit alles maakt dat het in de tropen en subtropen niet warmer wordt en in de gematigde gebieden en de poolstreken niet kouder.

Zie ook KMI (Klimaat). Klik hier.

De weerelementen zijn:
  • luchtdruk. Lucht heeft gewicht en veroorzaakt daardoor luchtdruk. Luchtdrukgebieden bepalen het weer. Lucht weegt niet veel, 1 liter lucht weegt 1,3 gram. Tel je de hele dikte van de dampkring mee, dan is het het toch een behoorlijk gewicht. Een luchtkolom in de atmosfeer heeft een gewicht en veroorzaakt daardoor een druk op het aardoppervlak. Dit is voor het eerst gemeten met kwik. De luchtdruk wordt gemeten met een barometer. Tegenwoordig is de eenheid hectoPascal (hPa) of millibar. De luchtdruk varieert van plaats tot plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal tussen 940 tot 1060 hPa. In de kern van tropische stormen, zoals orkanen kan de luchtdruk dalen tot onder 900 hPa. Verschil in luchtdruk ontstaat door verschil in verwarming. Hoe warmer de lucht, hoe kleiner het gewicht, dus hoe lager de druk. Het weer wordt bepaald door de ligging van hoge- en lagedrukgebieden. Deze zorgen voor luchtstromingen in de atmosfeer, circulaties genoemd.

  • luchttemperatuur. In de meeste landen wordt de temperatuur in de weerberichten uitgedrukt in graden Celsius. In een aantal landen, zoals in de Verenigde Staten, wordt gewerkt met de schaal van Fahrenheit. Er bestaan nog andere temperatuurschalen, zoals die van Kelvin. Zie voor de omrekeningen tussen de temperatuurschalen naar: Klik hier.
    De temperatuur wordt gemeten met een thermometer.

    Een weervoorspeller moet rekening houden met verschillende temperaturen:
    • De klassieke luchttemperatuur, die gemeten wordt op 1,5 m hoogte in een thermometerhut. We vinden deze temperaturen terug in de waarnemingen. In de weerberichten worden de maxima en de minima voorspeld.
    • Temperaturen aan de grond die belangrijk zijn voor de land- en tuinbouw, de toestand van de wegen, het aanvriezen van neerslag,.... Bij rustige en heldere nachten kan het gemakkelijk 5 graden kouder zijn aan de grond dan op 1,5 m hoogte.
    • Temperaturen in de bodem.
    • Temperaturen van het zeewater.
    • Temperaturen in de hogere luchtlagen die bijvoorbeeld een idee geven over de onstabiliteit van de atmosfeer.


    In weerberichten wordt vaak met termen gewerkt die aan de temperaturen een gevoelswaarde of indruk geven.
    Voorbeeld 1. In juli is de gemiddelde maximumtemperatuur 23°C. Als de voorspelde maxima als volgt zouden zijn, is de omschrijving:

    33°C = zeer warm
    30°C = warm
    26°C = vrij warm
    23°C = normaal
    20°C = koel
    16°C = zeer koel

    Voorbeeld 2. Voor half januari is de gemiddelde maximumtemperatuur 5°C. We kunnen stellen:

    13°C = zeer zacht
    10°C = zacht
    7°C = vrij zacht
    5°C = normaal
    2°C = vrij koud
    -1°C = koud
    -4°C = zeer koud

  • luchtvochtigheid. Is de verhouding tussen de in de lucht aanwezige hoeveelheid waterdamp en de, bij de heersende temperatuur, maximaal mogelijke hoeveelheid waterdamp. Een waarde van 100% wijst op een maximale hoeveelheid waterdamp; de lucht is dan verzadigd. Een hygrometer is een instrument om vochtigheid van de lucht te meten. Zie ook wikipedia luchtvochtigheid. Klik hier.

  • neerslag. Uit wolken kunnen verschillende neerslagvormen vallen en de grond bereiken als: regen, motregen, aanvriezende (mot)regen, ijsregen, (natte) sneeuw, motsneeuw, korrelsneeuw, korrelhagel en hagel. Hoog in de wolken begint de neerslag in onze streken meestal te vallen als sneeuw. Het hangt van de verticale temperatuursverdeling in de atmosfeer af onder welke vorm de neerslag het aardoppervlak bereikt. Als bijvoorbeeld de temperatuur overal negatief in de hoogte blijft, valt er sneeuw. Wanneer wolken gevormd worden na condensatie of verrijping bestaan ze uit (onderkoelde) waterdruppeltjes, ijskristalletjes of een combinatie ervan (zie wolkenvorming). Deze zwevende wolkenelementen vormen echter pas neerslag als de deeltjes voldoende zwaar geworden zijn en dus het aardoppervlak kunnen bereiken. Hiervoor moeten de wolkendeeltjes flink aangroeien (1 regendruppel bevat ongeveer 5 miljoen wolkendruppeltjes). Zie ook wolkengeslachten. Klik hier. De neerslag wordt gemeten met een regenmeter of pluviometer.

  • wind. Wind is de relatieve beweging van de lucht tegenover het aardoppervlak. Algemeen genomen is wind een gevolg van luchtdrukverschillen. Hierbij stroomt de wind van gebieden met een hogere luchtdruk naar streken met een lagere luchtdruk. Op hun beurt ontstaan deze luchtdrukverschillen door een ongelijke opwarming van de aarde, zowel op kleinere als op grotere schaal. Op wereldschaal worden de tropische gebieden veel sterker opgewarmd dan de polaire gebieden. Immers wanneer zonnestralen de aardse atmosfeer bereiken, is hun invalshoek in de tropen ongeveer loodrecht terwijl die veel schuiner is in de polaire gebieden. Hierdoor moeten de stralen een langer traject afleggen in de polaire atmosfeer. Dit betekent een verlies aan energie zodat deze streken minder opwarmen. De atmosfeer zal pogen deze temperatuursverschillen af te zwakken en dit leidt tot zeer complexe luchtcirculaties waarbij er enorme hoge- en lagedrukgebieden van duizenden kilometer diameter ontstaan. Maar ook op kleine schaal kunnen windsystemen ontstaan door een ongelijke opwarming. De zeebries is daar een voorbeeld van. Het zeewater warmt overdag immers veel minder sterk op dan het land. De wind wordt gemeten met een windmeter of anemometer. De windkracht wordt uitgedrukt in Beaufort.

  • bedekkingsgraad of bewolkingsgraad. Is het totaal bewolkte gedeelte van de hemel. Het is met onder meer de soort bewolking van invloed op de neerslagkansen. De bedekkingsgraad is het laagst in subtropische hogedrukgebieden en neemt toe op lagere en hogere breedte. De hoogste bedekkingsgraad ligt tussen 60° en 70° breedte. Verder is deze hoog bij de westkusten van de continenten op de gematigde en hogere breedtes. De westelijke winden voeren daar vochtige oceaanlucht aan die tegen de kust opstijgen. De bedekkingsgraad heeft een dagelijkse en jaarlijkse gang. De hoeveelheid bewolking wordt uitgedrukt in achtste delen (octa´s). Zo staat 0/8 voor onbewolkt, 1/8 voor vrijwel onbewolkt, 4/8 voor half bewolkt en 8/8 voor geheel bewolkt. Zie KMI Klik hier.

  • soort bewolking. Er worden verschillende soorten wolken onderscheiden op basis van hoogte waarop ze voorkomen en het geslacht van de wolk. Zie KMI. Klik hier.


Zie Sadio Loosen (weer en klimaat). Klik hier.

Zie Frank Deboosere (verschil tussen "weer" en "klimaat"). Klik hier.

Zie KMI (Weerbericht). Klik hier.

foto105.jpg

foto106.jpg

Selecteer het antwoord dat je het meest juist lijkt en/of vul in.

MEETTOESTELLEN

Regenmeter of pluviometer

foto108.jpg

Min. Max. Thermometer

foto107.jpg

Barometer of luchtdrukmeter

foto109.jpg

Windwijzer

foto110.jpg

Windkrachtmeter of anemometer

foto112.jpg

Windzak

foto113.jpg