De mens in het industrieel milieu

De industriële productie

ENERGIE UIT DE ONDERGROND

Voor fabrieken zijn krachtbronnen onmisbaar voor het aandrijven van machines. De meeste krachtbronnen of energiebronnen komen uit de ondergrond. Steenkool is nodig in de zware ijzerindustrie. België moet alle steenkool invoeren! Aardolie wordt in aardolieraffinaderijen geraffineerd tot o.m. benzine, dieselolie, stookolie. België voert alle aardolie in, o.m. uit Arabische landen en het Noordzeegebied. Wij gebruiken ook veel aardgas dat via pijpleidingen, o.m. uit Nederland en het Noordzeegebied, wordt aangevoerd. Kernenergie levert 40,47% (2018) van de elektrische stroom in ons land. Uit uraniumerts wordt in de kernkrachtcentrales kernenergie vrijgemaakt. Daarmee wordt water in stoom omgezet. Die stoom drijft generatoren aan die elektriciteit opwekken. Elektriciteit wordt in België slechts voor 34,37% (2014) geleverd door warmtekrachtcentrales die stookolie, steenkool of aardgas gebruiken. In waterkrachtcentrales 9,53% (2018) wordt elektriciteit geproduceerd met de kracht van stromend water. België kent weinig plateaus om er stuwdammen te bouwen! Windkracht is goed voor 8,41% (2018). Zonnecellen zijn goed voor 6,92% (2018). Energie uit de ondergrond is niet onuitputtelijk en niet hernieuwbaar.


Zie ook nucleairforum België. Klik hier.

Sluiting Belgische kerncentrales: wat zijn de gevolgen?
De Belgische regering besliste in 2003 om de kerncentrales geleidelijk aan te sluiten tegen 2025. Als je weet dat kernenergie instaat voor ongeveer de helft van onze elektriciteitsproductie, heeft die sluiting uiteraard grote gevolgen. Kernenergie is een relatief goedkope energie. Daarom bleef de energiecomponent op onze factuur bleef de afgelopen jaren behoorlijk stabiel. Zonder kernenergie in België, ziet het er naar uit dat de elektriciteitsprijs zal stijgen. Zonder de kerncentrales zal de elektriciteitsproductie natuurlijk moeten worden overgenomen door andere energiebronnen. Dat zullen naast hernieuwbare energie, ook centrales zijn die op fossiele brandstoffen werken en dus een veel hogere CO2-uitstoot tot gevolg hebben. Zal ons land op die manier de klimaatdoelstellingen nog kunnen halen, wanneer we weten dat kerncentrales ervoor kunnen zorgen dat de CO2-uitstoot daalt?

HERNIEUWBARE ENERGIE IN BELGIË (stand van zaken in 2018)

In de afgelopen tien jaar heeft België het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het finaal energieverbruik zie groeien van 2% in 2005 naar 8% in 2014. Het land is nog steeds op schema om zijn doelstelling voor 2020 van 13% te halen. Er rijzen vanwege de moeilijke politieke verhoudingen tussen de verschillende regionale en federale overheden, echter wat twijfels over de vraag of België haar algemene doelstelling zal bereiken. De verantwoordelijkheden in het energiebeleid in België worden gedeeld door de federale regering en de drie gewesten (Brussel, Vlaanderen en Wallonië). De federale bevoegdheid omvat in grote lijnen alle aspecten met betrekking tot de energievoorziening van olie en aardgas, het elektriciteitsnet tot 70 kV, nucleaire aspecten, offshore-windenergie in de Noordzee en productnormen. De regio's beheren de distributie van energie (elektriciteit, aardgas), inclusief prijzen, hernieuwbare energiebronnen (met uitzondering van offshore windenergie), de bevordering van een efficiënt gebruik van energie (met uitzondering van kernenergie).

Het belangrijkste finaal energieverbruik van hernieuwbare energie is in de warmtesector (46% in 2014). Maar de waargenomen stijgende trends in de productie van Belgische hernieuwbare energie zijn vooral toe te schrijven aan de verhoging van de capaciteit in groene stroom en de integratie van biobrandstoffen in de distributie van brandstoffen voor transport.

De sector groene warmte kent een kleine opwaartse trend, gedreven door een toename van het gebruik van biomassa voor huishoudelijke verwarming en door de valorisatie (= Het ervoor zorgen en erop toezien dat de kennis en de middelen die ter beschikking zijn ook daadwerkelijk gebruikt en toegepast worden). van afval uit biomassa in industriële processen en af ​​en toe in stadsverwarming.
Gedreven door de steun d.m.v. groenestroomcertificaten opgestart in 2001, is er een echte toename van de productiecapaciteit te zien in de vorm van het groeiend aantal onshore en offshore windturbines, fotovoltaïsche installaties en thermische elektriciteitscentrales op basis van biomassa. België staat op de vierde plaats in de rangschikking van de 28 EU-lidstaten in 2015 met de hoogste cumulatieve capaciteit aan offshore wind. Bovendien heeft de stijging aan onshore windenergie geleid tot een grote burgerbeweging van coöperatieven: in 2015 investeerden 60.000 burgers in aandelen van hernieuwbare energiecoöperatieven (schatting). In 2009 startte de federale regering haar steunbeleid voor biobrandstoffen: ze stelde ze vrij van willekeurige belastingen en verplichtte brandstofleveranciers om het aandeel van biobrandstoffen in het totale volume van de jaarlijkse verkoop aan brandstoffen voor transport te verhogen. Terwijl er in 2005 bijna geen % aan biobrandstoffen aanwezig was in het aandeel brandstoffen voor transport , bereikte het aandeel biobrandstoffen 4,3% in 2013, 6% in 2015 en, vanaf 2017, zal het aandeel van de conventionele biobrandstoffen worden beperkt tot 7% ​​als gevolg van duurzaamheidscriteria.

figuur1.png

In 2015 tekende België samen met 195 andere landen van de Verenigde Naties, de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen 2030 van de Verenigde Naties 2030 (SDGs). Reeds in juni 2016 presenteerde het Federaal Planbureau (FPB) een eerste evaluatie van de vooruitgang van België ten aanzien van deze zeventien SDG’s. Het aandeel hernieuwbare energie delen en de energie-intensiteit zijn de twee belangrijkste indicatoren van de 17 SDG’s, met de 7e SDG, voor een betaalbare en schone energie.

Kijkend naar de huidige trend is het FPB van mening dat het bereiken van de SDG doelstelling van 18% hernieuwbare energie tegen 2030 haalbaar, maar twijfelachtig zou zijn. België heeft een energie-intensieve industrie, een energieverslindende residentiële sector en een verspreide bewoning die een hoge behoefte aan transport met zich meebrengt. De energie-efficiëntie kan aanzienlijk worden verbeterd zonder impact op de activiteiten en comfort. Maar verdere resultaten zullen enkel worden bereikt door het veranderen van sociale en technische normen, zoals gepresenteerd in de FPB studie "Op weg naar 100% hernieuwbare energie in België in 2050".

figuur2.png

Tijdens de presentatie van het overzicht van het energiebeleid van België door het IEA in mei 2016 moedigde de directeur van het IEA, Fatih Birol, de federale en regionale overheden van België aan om daadkrachtig samen te werken en om een gezamenlijk lange termijn aanpak van het energiebeleid van het land uit te werken. Het IEA merkte bijvoorbeeld op dat de federale beslissing van 2003 om kernenergie uit te faseren nog steeds wacht op een "Belgisch Energie Pact" na meer dan 13 jaar ...
‘s Lands gebrek aan samenwerking tussen de regio’s wordt opnieuw duidelijk in de beruchte "lastenverdeling" van de hernieuwbare energiedoelstelling. Het Belgische streefcijfer voor 2020 van 13% door de Richtlijn 2009/28/EG wordt verdeeld tussen de verschillende gewesten en het federale offshore-grondgebied. Na 6 jaar van discussies, was er een akkoord op 4 december 2015, net op tijd voor de COP21 in Parijs. De discussies over de implementatie zijn momenteel nog steeds aan de gang. Er is geen twijfel dat de verschillende politieke kleuren van de verschillende overheidsniveaus niet helpen in deze zaak. Een overkoepelende visie op energie zou kunnen helpen om de kloof tussen de bevoegde niveaus te overbruggen terwijl België wordt voorbereid op een duurzamere toekomst.

Extra uitleg over
kernenergie.aardolie.aardgas.steenkool.
bruinkool.windenergie.zonne-energie.uurzame energie.


GRONDSTOFFEN ZIJN ONONTBEERLIJK

Grondstoffen zijn onbewerkte stoffen, zoals ertsen, aardolie, klei, katoen, wol, hout enz. Ondergrond, bosbouw, landbouw verschaffen de grondstoffen. Men heeft hernieuwbare en niet-hernieuwbare grondstoffen. Tegenwoordig kan men langs chemische weg zelf veel nieuwe grondstoffen aanmaken. Men noemt ze kunstmatige of synthetische grondstoffen. Denk aan rayon, nylon, kunststof en polyestervezels.


DE VOORNAAMSTE VESTIGINGSFACTOREN

Zonder werkkrachten kan een fabriek niet bestaan. Ze komen meestal uit de omgeving, maar soms pendelen ze over grote afstanden. Ieder fabriek zoekt een afzetmarkt voor haar producten. Daarom spelen de verkeersmiddelen een belangrijke rol bij de vestiging van de fabrieken. Een onderneming moet ook over de nodige kapitalen beschikken. Er moet ook voldoende ruimte zijn om te kunnen uitbreiden. Energiebronnen, grondstoffen, werkkrachten, afzetmarkt, verkeersmiddelen, kapitaal, ruimte noemt men de vestigingsfactoren.


Pendelaars of forenzen. Klik hier.

DE BASISINDUSTRIE LEVERT HALFFABRIKATEN

Tot de basisindustrie behoren fabrieken waar de grondstoffen een eerste bewerking ondergaan. De basisindustrie, ook wel de zware industrie genoemd, brengt producten voort die slechts halfafgewerkt zijn en daarom halffabrikaten worden genoemd. Ze dienen als grondstof voor de bedrijven die ze verder verwerken. De zware ijzer- en staalindustrie is een basisindustrie: ze bewerkt het ijzererts tot ruwijzer en tot staal in hoogovens en staalfabrieken. Uit ruwijzer en staal fabriceren gieterijen, pletterijen en walserijen, balken, staven, platen. De aluminium-, zink-, lood-, en koperfabrieken behoren tot de basisindustrie. Ze bewerken de ertsen tot non-ferrometalen (niet-ijzermetalen) en behoren ook tot de metaalindustrie. Glasfabrieken, scheikundige of chemische bedrijven en sommige textielfabrieken behoren ook tot de zware industrie. De basisindustrie is meestal ongezond voor mens en dier.


DE VERWERKENDE INDUSTRIE MAAKT EINDFABRIKATEN

Om een auto te assembleren zijn er ongeveer 1500 stukken nodig. Het zijn halffabrikaten die door de basisindustrie worden geleverd. De autofabrieken behoren tot de verwerkende industrie, want ze zetten halffabrikaten om tot eindproducten. Hetzelfde geldt voor de metaalconstructie (fietsen, werktuigen enz.) en voor de textielweverijen (stoffen, tapijten enz.) en de confectie-industrie (kleding). Ook hout- papier- keramiek- en levensmiddelenindustrie zijn verwerkende industrieën. Het bouwbedrijf neemt een afzonderlijke plaats in.

Selecteer het antwoord dat je het meest juist lijkt en/of vul in.