België: federaal koninkrijk bestaande uit Vlaanderen, Wallonië, Brussel

Rivierenstelsel in Begië: de rivieren vormen en volgen het reliëf

Het reliëf wordt bepaald door de hoogteverschillen in het landschap. Het is een resultante van allerlei geomorfologische actoren in het landschap. Reliëfvormen ontstaan bijvoorbeeld mede door interacties tussen waterlopen (erosie en sedimentatie), bodem (bodemsamenstelling) en geologische afzettingen.

Riviererosie is op termijn een belangrijke reliëfvormende factor. Daarnaast bepalen de hoogteverschillen de daarmee verbonden hellingsgraad, het verval en het verhang van de waterloop. Het verhang heeft een belangrijke impact op de potentiële stroomsnelheden in de waterloop. Maar ook de stroomsnelheid is een determinerende factor voor de mate waarmee sediment door de rivier getransporteerd wordt.

Water – zowel oppervlakkig afstromend neerslagwater en smeltwater als bronwater – is de voornaamste oorzaak bij de vorming van het relëf en het natuurlandschap. Bij oppervlakkige afstroming concentreert water zich in stroomdraden, gaande van minuscule geultjes tot brede stroombeddingen. Stromend water heeft voldoende energie om bodemdeeltjes op te nemen (erosie), over een zeker afstand mee te voeren (transport) en elders weer af te zetten (sedimentatie).

Tengevolge van het aanwezige reliëf in het landschap zal neerslagwater afstromen van hoger gelegen gebieden naar de lager gelegen valleien. Maar het reliëf bepaalt ook de stroomsnelheid, die een determinerende factor is voor de erosiegevoeligheid van het terrein. Samen met het bodemgebruik en het bodemtype bepaalt het reliëf ook de afvoercoëfficiënt (Wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het volume van de snelle oppervlakkige afvoer en het totale volume neerslag. Een hoge afvoercoëfficiënt houdt in dat de oppervlakkige afvoer weinig weerstand ondervindt.) van het terrein.


af16.gif

Afgezien van de Sauer en de Oise, behoort het rivierstelsel in België tot de bekkens van IJzer, Schelde en Maas. Ten zuiden van Samber en Maas ontstonden de rivieren tijdens het Paleogeen met een hoofdrichting van zuid naar noord. Door de opwelving van de Ardennen verloor de Maas in Frankrijk zijn voornaamste bijrivieren door aftapping ten voordele van Rijn en Seine.

Tijdens het Tertiair deden zich in onze streken een groot aantal transgressies en regressies voor zodat afwisselend klei-en zandlagen werden afgezet. Op het einde van het Mioceen overspoelde de zee voor de laatste keer het volledige gebied van Laag-België en een belangrijk deel van Midden-België en trok zich naar het Noord-noordoosten terug. Op het vrijgekomen land ontstonden rivieren die naar de zich terugtrekkende zee toestroomden. Rivieren die de helling van de lagen volgen zoals dat bij een zich terugtrekkende kustlijn het geval is, worden consequente rivieren genoemd. De Dender is aldus een consequente rivier. Naast de oorspronkelijke consequente rivieren ontstonden in de Ardennen en Condroz subsequente takken (Een rivier tussen twee cuesta's, evenwijdig aan de cuestafronten, heet een subsequente rivier) ten gevolge van aanpassing aan de geologische structuur, zoals de Semois. De Beneden-Samber en de Maas van Namen tot Luik moeten worden opgevat als een combinatie van een subsequente en een synclinale rivier in zachte lagen van het verder inklinkende Bekken van Namen.

Pas in het Midden-Kwartair ontstond de Maastak van Luik naar Maaseik, door overvloeien in de noordelijke vlakte, waarbij het terrassenlandschap van Limburg werd opgebouwd, de puinwaaier van het actuele Kempens plateau zich openspreidde en een directe verbinding met het Rijnbekken tot stand kwam. Later sneed de Maas zich definitief in, oostwaarts van de puinkegel. Ten noorden van Samber en Maas ontstond tijdens het Neogeen en het Vroeg-Kwartair een naar het noordoosten gericht parallel rivierstelsel van IJzer, Leie, Schelde, Dender, Zenne, Dijle en Gete. Deze consequente rivierrichting liep volgens de maximale helling naar de terugtrekkende Tertiaire zeeën. Door erosie in het Tertiaire klei-zandsubstraat werden diepe valleien uitgeschuurd en deels opnieuw opgevuld met riviergrinten, waardoor een terrassenreeks werd geboetseerd.

Vooral gedurende het Midden-Kwartair ontwikkelde zich een subsequent noordwest-zuidoost gericht zijtakkenpatroon door aanpassing aan de geologische structuur (Schelde stroomafwaarts Gent; Rupel). De globale afwatering van Leie-Schelde, intussen versterkt door aftapping van de rivieren uit Midden-België, liep gedurende de Riss-ijstijd via de Vlaamse Vallei over Gent-Eeklo-Vlissingen tot diep in de bijna droogliggende Noordzee. Ook het IJzerbekken sloot hier op aan. Gelijktijdig ontwikkelde zich het dominerend oostwest gericht rivierstelsel van de beide Neten en de Demer. De Hene werd synclinaal aangelegd door een Tektonische daling in het Bekken van Bergen, terwijl de subsequente Méhaigne en de Jeker de bovenlopen van het Getestelsel naar de Maas afleidden.

De rijzende zeespiegel van het Eemien overspoelde de huidige kustvlakte en de Vlaamse Vallei, waardoor de rivieren in aanzienlijke mate werden verkort. Met de hernieuwde daling van het zeeniveau tijdens de Würm-ijstijd viel de Noordzee opnieuw nagenoeg droog en werden de inmiddels vrijgekomen estuaria en baaien fluviatiel opgevuld. De noordelijke afvloei over Eeklo werd echter op het einde van de ijstijd door uit het noorden aangewaaide dekzanden afgedamd ter hoogte van Maldegem-Stekene, waardoor een fluviatiele afbuiging in oostelijke richting noodzakelijk was om via een overvloeien langs Antwerpen een nieuwe verbinding met de zee mogelijk te maken.

Het regime van Maas (gemiddeld debiet 273 m3/s te Luik) en Schelde (gemiddeld debiet 80 m3/s bij lage tij te Antwerpen) wordt in hoofdzaak bepaald door het gematigd maritiem klimaat. De regenval is weliswaar bijna gelijkmatig over het gehele jaar verspreid, maar bedraagt voor de Ardennen (1400 mm/jaar) nagenoeg het dubbele van het kustgebied (700 mm/jaar). De hoge verdamping is in de zomer verantwoordelijk voor de lage debieten. De Hoge Venen veroorzaken door het sponseffect een bufferende rol voor het Maasdebiet.

Het Scheldedebiet daarentegen wordt regelmatiger gevoed door overvloedige bronnen. Ook worden overstromingen in de hand gewerkt door rechttrekking van natuurlijke meanders en bedijkingen van de uiterwaarden. In de winter brengt de lage verdamping een veel hogere afvloeiing van de neerslag mee. De wintermaxima zijn voor de Maas belangrijker dan voor de Schelde ten gevolge van de hogere neerslag in de Ardennen, de ondoordringbare ondergrond en het grotere aandeel van de sneeuw. Het oppervlaktewater wordt verzameld in stuwmeren, vijvers en groeven voor waterbedeling. Naast de oppervlakkige afvloeiing worden de dagzomende poreuze grondlagen door insijpelend water gevoed, waardoor waterhoudende lagen met zeer geringe grondwaterstromingen (enkele cm per dag) ontstaan.


af17.jpg





Een meander is een lus in de loop van een natuurlijke waterloop (beek, rivier of zeestroming). Een opeenvolging van meanders vormt een meanderende rivier. Dergelijke lussen ontstaan bij rivieren of beken doordat in de buitenbocht, waar het water het snelst stroomt, grond wordt weggespoeld, terwijl aan de andere zijde grond wordt afgezet. De oever waar de grond wordt geërodeerd, wordt wel stootoever genoemd en de oever waar materiaal wordt afgezet de glijoever. Door dit mechanisme hebben de bochten de natuurlijke neiging steeds wijder te worden, tot het punt waarop ze zichzelf afsnijden; als dit gebeurt wordt de meander zelf een 'dood' stuk van de rivier en herneemt de rivier zelf nagenoeg zijn oude loop. Het dode stuk heeft vaak de karakteristieke vorm van een hoefijzer en wordt daarom hoefijzermeer genoemd.


Combineer een element links met een element rechts. Je kan selecteren uit het uitrolmenu en daarna klikken op het juiste antwoord. Met de toets CONTROLEER kan je zien welke antwoorden juist of fout zijn. Verbeteren is dan mogelijk. LEES EERST AANDACHTIG BOVENSTAANDE TEKST.
*
Ten zuiden van Samber en Maas ontstonden de
rivieren tijdens
*
De 3 grote stroombekkens in België zijn:
*
In de provincie Henegouwen behoort de rivier
de Oise tot het stroombekken van de
*
Ten zuiden van Samber en Maas lopen
de rivieren van
*
In Frankrijk verloor de Maas de meeste
bijrivieren aan de Seine door
*
Reliëfvormen ontstaan bijvoorbeeld
mede door
interacties tussen
*
De stroomsnelheid is een determinerende
factor voor de mate waarmee
*
De voornaamste oorzaak bij de vorming
van hetrelëf en het natuurlandschap is
*
Stromend water geeft uitschuring, transport en
elders weer sedementatie. Dit noemt men
*
Transgressies is een
*
Regressies is een
*
Het terrassenlandschap van Limburg werd
opgebouwd tijdens het
*
Synclinaal is een
*
Met de hernieuwde daling van het zeeniveau tijdens
de Würm-ijstijd viel de Noordzee opnieuw droog en
werden de
*
Een estuaria is een trechtervormige riviermond
*
Fluviatiel wil zeggen:


*
Het regime van Maas (gemiddeld debiet 273 m3/s te Luik)
en Schelde (gemiddeld debiet 80 m3/s bij lage tij te Antwerpen)
wordt in hoofdzaak bepaald
*
De hoge verdamping van het rivierwater in de zomer is
*
Debiet wil zeggen: de hoeveelheid water die in
een bepaalde tijd
*
Een meander is een deel van de rivier waarvan de loop
*
Uiterwaarde is een strook land langs een rivier tussen
*
De oever van een meander waar de grond wordt geërodeerd
*
De oever van een meander waar materiaal wordt afgezet
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Stroombekken 1 is:
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Stroombekken 2 is:
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Stroombekken 3 is:
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Stroombekken 4 is:
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Stroombekken 5 is:
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter a?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter b?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter c?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter d?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter e?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter f?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter g?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter h?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter i?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter j?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter k?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart met
de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid door
de letter l?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart met
de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid door
de letter m?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter n?
*
Zie atlas (reliëfkaart België) en bovenstaande kaart
met de stroombekkens! Naam van de rivier aangeduid
door de letter o?
*
Een waterscheidingslijn is de scheiding tussen
*
Een restant van een fluviatiele dalbodem na insnijding
door de rivier. Vaak wordt de insnijding veroorzaakt
door de opheffing van het land. Dit geeft een