België: federaal koninkrijk bestaande uit Vlaanderen, Wallonië, Brussel

De geografische streken van Vlaanderen (ingekleurd) en Wallonië (niet ingekleurd)
af23.gif
1 = Kuststreek
2 = Kustpolders
3 = Scheldepolders
4 = Zandig Vlaanderen
5 = Zandlemig Vlaanderen
6 = Waasland
7 = Kempen
8 = Klein Brabant
9 = Brabantse Kempen
10 = Hageland
11 = Vochtig Haspengouw
12 = Maasland
13 = Haspengouw
14 = Brabantse Leemstreek
15 = Henegouwse Leemstreek
16 = Ardense Condroz
17 = Land van Herve
18 = Condroz
19 = Fagne-Famenne
20 = Ardennen
21 = Belgisch Lotharingen


Zie ook
Belgische Kust. Klik hier en Klik hier.
Polderblues.be Klik hier.

De Kustpolders en de Scheldepolders
De Polders is de naam van een geografische streek in Vlaanderen. Ze ligt achter de duinen tot gemiddeld een vijftiental kilometer landinwaarts en wordt, zoals de naam het zegt, gevormd uit polders. De bodem bestaat er hoofdzakelijk uit klei, zand en veen. De streek strekt zich uit van Frans-Vlaanderen (rond Duinkerke) over heel het onmiddellijk achterland van de Belgische kust, gans Zeeuws-Vlaanderen, ten noorden van Eeklo (noord-Oost-Vlaanderen), het Waasland en de noordwestelijke hoek van de provincie Antwerpen. Ten zuiden van de lijn Brugge-Antwerpen worden de Polders begrensd door de Zandstreek, in het zuidwesten de Zandleemstreek en tegen het uiterste oosten liggen de Kempen. Het gebied wordt gekenmerkt door zijn vlak en landelijk karakter, doorkruist door een netwerk van grachten om het land te draineren. Grote stukken van het gebied ontstonden door indijking, waarbij land werd drooggelegd en dijken werden gebouwd om overstromingen door de zee tegen te gaan. De Polders hebben een microreliëf met langgerekte kreekruggen (3 à 4 meter) en komgronden (depressies van 1 à 2 meter diep). De meeste van die kreekruggen hebben een zanderige ondergrond, waarop vroeger de meeste boerderijen gebouwd werden. De lagere gebieden hebben vooral vochtige kleigronden.

Het hoevetype in de Polders.

In de Schelde- en zeepolders geven de polderboerderijen een machtige indruk, vooral de schuren. Een typisch element is de voutekamer of hoogkamer. Dit is de kamer boven de ondiepe kelder. Het paar voutevensters, hoger gestoken dan de andere ramen, brengt een aangename afwisseling in de voorgevel. In dit vochtige gebied moest de kelder wel ondiep zijn, en werd de voutekamer een natuurlijk verschijnsel. De grote schuren, ook bergschuren of mikke genoemd, zijn bijna vierkantig. De inrit is langs de langste zijde op elke hoek, zodat er twee vloeren zijn die elk naast een korte schuurwand liggen. De stallingen zijn in de schuur gebouwd.

Zeepolders
De zware, vruchtbare kleigrond geeft weelderige oogsten. De polderboer is rijk en welvarend. Deze welstand weerspiegelt zich in zijn ruime woning en de goed gevulde schuren en stallingen.
De hoeve bestaat meestal uit drie los van elkaar staande gebouwen: het woonhuis, de schuur en de stallingen. Ze zijn opgesteld langs de drie zijden van een rechthoek. Een kenmerk van deze gebouwen is de lange, gestrekte bouwsamenstelling. De kelder steekt wat boven de grond uit, zo verkrijgt men de voor deze streek zo typische hoogkamer.
De aanwezigheid van talrijke beken en kanalen maakt de aanleg van een brede omwalling rond het erf mogelijk. Bij sommige hoeven sluit die aan op de zeer monumentale toegangspoort.
Heel bekende en indrukwekkende voorbeelden zijn de middeleeuwse abdijschuur van Ter Doest in Lissewege en Ter Duinen in Koksijde. Deze monumentale bouwwerken doen meer denken aan de arbeid van reuzen dan van mensen.
Naar het Brugse toe kun je nog boerderijen tegenkomen waarbij je duidelijk ziet dat de boer inspiratie had gevonden bij de Brugse Gotische baksteenarchitectuur. Dit komt omdat er veelvuldig contact was met de stedelingen. Het resultaat zie je vaak boven een gevelvenster als een bakstenen, drielobbige versiering.

Scheldepolders
Net zoals in de West-Vlaamse polders liggen de hoeven in de Antwerpse kleigrond doorgaans ver uit elkaar. Opvallend element: de daken zijn met riet of stro bedekt. Het dak van de schuur en van de bedrijfsgebouwen vertoont een piramidevorm en de gebouwen zelf zijn veel breder dan in de zeepolders. De muren zijn opgetrokken uit donkerrode baksteen en wit opgevoegd en zijn zelden gekalkt. De voordeur van de woning is dikwijls versierd met een stijlvolle omlijsting uit baksteen of blauwe hardsteen.
De polders zijn de vlakste streek van het land. Ze zijn het resultaat van de onvermoeibare strijd van de mens tegen het water. Om de laag gelegen gronden tegen overstromingen te beschermen, hebben de bewoners vanaf de 11e eeuw dijken gebouwd en drainagegrachten voor de afvoer van het regenwater aangelegd. De Scheldepolders zijn van recentere datum dan de Meetjeslandse polders. Dat is duidelijk te zien aan het dambordpatroon van de ingepolderde gebieden.
De huidige polders hebben een dikke kleilaag. Het gebied is zorgvuldig ingedijkt om nieuwe overstromingen te voorkomen. Door de groei van de Antwerpse haven zijn de polders echter stilaan aan het verdwijnen. Het typische polderlandschap is thans in slechts enkele enclaves bewaard gebleven.
Het is een open en vlak landbouwland met weidse vergezichten in alle richtingen. De skyline wordt bepaald door dijken met groenschermen en industriële constructies. De bewoning ligt geconcentreerd in kleine dorpen en de solitaire woningen liggen sterk verspreid.

Leiestreek
Meer landinwaarts brachten de vlas-, hop- en tabaksteelt handel en nering langs de boorden van de 'gouden rivier'. De hoeven zijn er vrij groot en altijd tot in kleinste bijzonderheden goed onderhouden. Net zoals in de polders zijn de gebouwen langs drie zijden, los van elkaar, in een rechthoek opgesteld.
De daken zijn bedekt met stro of met halfronde, Boomse pannen. De rijke opbrengsten uit de landbouw leveren grote inkomsten aan de boeren. Die rijkdom en welstand wil de boer graag etaleren vooral door het gebruik van schreeuwerige bouwmaterialen.

Er zijn 3 soorten polders
  1. Zeepolders --> in zeekleigebieden, tussen de +1 en +2 boven het Belgisch nulpunt, het werd pas ingedijkt toen het al ver was opgeslibd.
  2. Veenpolders --> laagveengebieden (westNL), ontwaterde veengrond, bodem zakt in, verlaagd land moest beschermd worden door dammen, later dijken zo’n 1 a 2 meter onder Normaal Amsterdam Peil.
  3. Droogmakerijen --> leeggepompte meren (begon rond 1600), soms meer dan 5 m onder NAP.


De Tweede Algemene Waterpassing (TAW)
De Tweede Algemene Waterpassing (TAW) is de referentiehoogte waartegenover hoogtemetingen in België worden uitgedrukt. Een TAW hoogte van 0 meter is gelijk aan het gemiddeld zeeniveau bij eb te Oostende. De tweede algemene waterpassing dateert uit 1947 en werd uitgevoerd door het Nationaal Geografisch Instituut.
In Nederland gebruikt men het Normaal Amsterdams Peil (NAP), dat 2,3 meter hoger ligt dan TAW. Hierdoor vallen hoogtes in België wat hoger uit dan in Nederland: het hoogste punt van België Signaal van Botrange ligt op 694 m hoogte (TAW), maar op "slechts" 691,7 meter boven NAP.


Extra uitleg over Getijde! Klik hier.

Springtij of springvloed
is een vloed veroorzaakt doordat de getijdenwerking, die het gevolg is van de zwaartekracht, van de zon en de maan elkaar versterken. De maximale hoogte van het water is hierdoor hoger dan bij een normale vloed, die vrijwel alleen door de maan wordt veroorzaakt. Springtij in Wimereux bij Boulogne (Frankrijk): door de hogere waterstand en bij geschikte wind kunnen de golven bij springtij over de dijk slaan. Springtij treedt op bij nieuwe maan en bij volle maan, wanneer de zon, de aarde en de maan min of meer op één lijn staan. Daardoor is de totale kracht op de watermassa het grootst. Hierdoor is de waterstand tijdens het hoogtij hoger en tijdens het laagtij lager. Tussen volle en nieuwe maan in, bij halve maan werken de zwaartekracht van de zon en de maan elkaar tegen. De getijdenverschillen zijn dan minder groot, dit noemt men doodtij. Spring- en doodtij komen dus twee maal per synodische maand voor. Doordat het getij, zoals het in Nederland wordt waargenomen, vooral wordt veroorzaakt door de invloed van maan en zon op het water van de Atlantische oceaan, treedt springtij in Nederland op ongeveer 3 dagen ná volle maan. Zo lang heeft de 'vloedgolf' nodig om bij Nederland te komen.


Zie ook landbouwstreken België. Klik hier en Zwinstreek. Klik hier.

Extra uitleg over plattelandstoerisme! Klik hier.

Selecteer het antwoord dat je het meest juist lijkt en/of vul in. LET OP! Aardrijkskundige namen beginnen met een hoofdletter.