|
Heermoes,
akkerpest, paardestaart of Equisétum |
|
 |
De familie van de paardestaartachtigen omvatte voor de
IJstijd vele tientallen geslachten die nauw verwant zijn aan de varens.
Daarvan is er nu nog één overgebleven namelijk het geslacht Equisétum (Equus
= paard, setum = borstel) dus paardestaart.
Kenmerkend voor de Equisétum zijn de duidelijk gelede meestal holle
mergstengels.
De zijtakken staan in kransen, afgewisseld door kransen van kleine
schubvormige bladeren, die aan de basis met elkaar vergroeid zijn.
De plant bezit twee soorten cilindrische stengels: steriele en fertiele.
Deze laatste verschijnen in april tot mei. Het zijn onvertakte,
lichtbruine en vruchtbare stengels, die aan de top een knots met
sporenkapsels vormen. Het zijn dus sporenplanten. De sporen hebben een
veermechanisme, waarmee ze zichzelf kunnen 'wegslingeren'. De rijpe
sporen kunnen ook door de wind of door water worden vervoerd.
De heermoes vormt in het voorjaar vanuit de wortelstok eerst een
grijsbruine, vruchtbare stengel met sporenaar. Als de sporen rijp zijn
sterven de stengels af.
De onvruchtbare, groene stengels verschijnen pas als de sporenaren van
de bruine stengels aan het afrijpen zijn. Deze steriele stengels bestaan
uit een ongeveer 20 - 40 cm hoge takken, waarvan het onvertakte
boveneinde ver boven de zijtakken uitsteekt. Deze takken maken via de
fotosynthese of bladgroenverrichting voedsel dat opgestapeld wordt in de
ondergrondse stengel of wortelstok.
In de bodem hebben de paardestaarten kruipende wortelstokken, waaruit
de stengels loodrecht omhoog groeien. Op de wortelstok zitten
knolvormige verdikkingen, die wanneer ze zich afscheiden weer nieuwe
planten vormen. Ook tijdens vorstperiodes kan de plant zich door middel
van deze knolletjes zeer gemakkelijk overwinteren.
Er zijn meer dan twintig soorten van dit hardnekkige onkruid bekend waarvan de meeste graag op
drassige bodem groeien. De plant is over de gehele wereld verspreid, met
uitzondering van Australië en Nieuw-Zeeland. Enkele soorten zijn o.a.:
schaafstro, de bospaardestaart, de bonte paardenstaart, de ruwe paardestaart en de reuzenpaardestaart.
Zeer algemeen in België en Nederland is Equisétum arvense, (Arvense van
arvum = akker) akkerpest, heermoes of
akkerpaardestaart. Deze komt voor op vochtige akkers, langs wegen,
spoorwegen, in bossen. Steeds meer komen we deze vervelende plant ook
tegen in onze siertuin op verstoorde, vochtige, zure zandgrond.
Door zijn lange, diepe en snel woekerende wortelstok is het een zeer
moeilijk te bestrijden onkruid.
Als de plant niet snel wordt aangepakt, wordt het een echte plaag.
Vandaar ook de naam akkerpest.
Bestrijden is zeer moeilijk door de grote hoeveelheden energievoorraad
in de ondergrondse wortelstokken. Grote groepen kunt u zeker doen
afnemen door ze systematisch uit te putten. Als ze na de eerste
bespuiting terug boven de grond komen om nieuwe
energie op te doen, moeten deze steeds weer worden dood gespoten of
afgehakt. Zo kan de plant geen nieuwe ondergrondse voedselreserves in de
wortelstok opslaan. Hierdoor zal de plant na verloop van tijd niet
genoeg energie meer over hebben om nog nieuwe takken te kunnen vormen.
De bruine, fertiele takken met hun sporenkapsels zeker afhakken en
verwijderen zodat de sporen zich zeker niet zouden uitzaaien in uw tuin.
Op plaatsen die nog niet te veel last hebben van paardestaarten en tussen
de sierbeplanting kan men een systemisch bestrijdingsmiddel gebruiken
en dit brengt men dan ook nog het beste met een kwastje aan. Een systemisch product
is een middel dat zich via de de sapstroom doorheen de hele plant
verspreidt.
Zo’n bestrijdingsmiddel zal de akkerpest dus ook voor een deel onder de
grond vernietigen, waardoor ze nog sneller uitgeput zullen zijn. Daar de
ondergrondse wortelstokken zeer diep zitten is er geen enkele sproeistof
die met de sapstroom zo diep wordt mee getransporteerd.
Paardenstaarten groeien graag op kalium- en fosforarme zandgrond.
Door het kalium- en fosforgehalte van de bodem voldoende op peil te
houden wordt het woekeren tegengegaan. U kunt de heermoes verstikken
door kalium en fosfor te geven en dan af te dekken met een dik zwart
plastic.
De biologische tuinier kan de afgehakte paardestaarten verder nog
gebruiken en verwerken tot een biologisch bestrijdingsmiddel tegen schimmels. Het is namelijk
zo dat de plant zeer veel kiezel en pectinezuur bevat. Doordat ze zoveel
kiezel bevatten werden de planten al sinds de Romeinen gebruikt om
pannen mee uit te schuren.
Kiezel zorgt bij planten voor een sterkere en steviger
celwand, waardoor schimmels de planten moeilijker zullen infecteren. Denk
maar aan witziekte bij de bergamotplant (Monarda), longkruid
(Pulmonaria),… 100 gram verse of 25 gram gedroogde paardenstaarten op
een liter water gedurende 24 uur laten trekken. Het sopje zeven en dan
zonder aan te lengen sproeien of nevelen ’s morgens bij droog weer.
Paardestaarten zijn giftig voor huisdieren, gedroogde stengels tussen
hooi moet vermeden worden.
Heermoes werd vroeger in verband gebracht met hekserij.
Gebruik: De gedroogde groene stengels.
Alleen de tweede, steriele stengel wordt gebruikt om zijn versterkende
werking op onder meer de huid, nagels en botten. Aangetoonde werkzame
stoffen zijn saponinen, kalium en kiezelzuur, het laatste gedeeltelijk
oplosbaar in water, gedeeltelijk onoplosbaar. Eveneens sporen van alkaloïden
en looistoffen (om bloedingen tegen te gaan).
Urineafdrijvend, alleen bij zieken aantoonbaar.
Tegenwoordig wordt de plant meer en meer gebruikt voor het behandelen
van reuma.
Als thee tegen waterophopingen in het lichaam en bij gebrekkige
urine-uitscheiding.
Uitwendig: bij baden van moeilijk te genezen wonden.
Bij rugklachten zou een bad met enkele verse planten zeer doeltreffend
zijn.
|