|

Een gazon is een veldje van dicht opeen staande afzonderlijke
grasplantjes. Gras wordt wetenschappelijk gerangschikt als een
eenzaadlobbige, net zoals prei of lelie. Een kenmerk van eenzaadlobbigen
is dat elk nieuw blad groeit vanuit de basis van de plant en niet
vanuit de top. Vandaar dat je gazon zo goed bestand is tegen
maaien (het voortdurend aftoppen van de grasplantjes). Wordt het
grasplantje te kort gemaaid, vlakbij de groeipunt, dan ondervindt
het wel hinder.
Grassen hebben daarnaast de belangrijke eigenschap te kunnen
uitstoelen. De knoppen die zich onderaan de plant bevinden, lopen
uit net onder of boven het bodemoppervlak. Het uitstoelen wordt
bevorderd door het maaien van de plant. Gras groeit behalve in de
hoogte dus ook in de breedte zodat er een dichte grasmat ontstaat.
Er bestaat niet één soort gras. In iedere grasmat komen meerdere
soorten voor. Ze vullen mekaar aan, iedere soort met zijn
specifieke eigenschappen. In perioden van droogte of extreme
koude, op plekken die veel belopen worden of vaker gemaaid, in de
schaduw van een muur of op een lagere vochtige zone van het gazon…
telkens zullen één of meer soorten de overhand nemen terwijl de
andere stand-by blijven. Het is dan ook logisch dat het graszaad
dat je koopt, bestaat uit een mengsel van meerdere soorten. Veel
voorkomende grassoorten zijn roodzwenkgras, gewoon struisgras,
veldbeemdgras en Engels raaigras.
Zoals alle planten heeft ook gras voedsel nodig. Gras wortelt
oppervlakkig, de grootste wortelmassa bevindt zich in de bovenste
10cm van de bodem. Voor een fris en groen gazon komt het er niet
op aan het gras in de tuin zo snel mogelijk te laten groeien, wel
om het gezond te houden. Een goede, luchtige bodem vol humus en
bodemleven is hierin van cruciaal belang. Tuinbodems met veel
humus drogen niet snel uit en laten het overtollige water snel in
de bodem indringen.
De voedselvoorraad van de bodem en de beschikbaarheid ervan voor
de planten is afhankelijk van het bodemtype. Zand houdt weinig
voedsel vast, leem en kleibodems zijn daar beter in. Veel hangt
opnieuw af van het humusgehalte in de bodem. Humus houdt
voedingsstoffen vast om het dan volgens de behoefte van de plant
weer vrij te geven.
Daalt de voedselreserve in de bodem en wordt ze niet opnieuw
aangevuld dan zal het gras minder groen kleuren, groeikracht
verliezen en stilaan het onderspit delven in de concurrentie met
andere planten in het gazon. Sommige grassoorten (vooral de
snelgroeiende) zijn hieraan erg gevoelig, andere minder.
Gras groeit het hele jaar door en heeft dus ook het hele jaar
voedsel nodig. In de winter is dat verwaarloosbaar weinig, in het
voorjaar en de zomer een stuk meer.
De behoefte aan voedsel is erg afhankelijk van de temperatuur.
Vooral in het voorjaar kunnen een paar zonnige dagen je de indruk
geven dat de grasgroei onstuitbaar in gang is geschoten en een
flinke dosis meststof nodig heeft. Wanneer dan enkele dagen later
de temperatuur weer sterk daalt, stopt de grasgroei en spoelen de
aangebrachte meststoffen met de regen uit. Gebruik daarom best
traagwerkende en bij voorkeur organische meststoffen voor je
gazon.
Het toedienen van compost zorgt zowel voor het instandhouden van
de humuslaag als voor traag vrijkomende voedingsstoffen. Als
jaarlijkse onderhoudsdosis wordt compost best in het najaar
toegediend. Eventueel wordt het gazon te voren eerst nog eens
geprikt of verlucht. Fijne compost, eventueel gemengd met zand,
wordt daarna in kleine hoopjes op het gazon gelegd. Met een hark
kan je vervolgens de compost over het gazon uitspreiden.
Enkele regenbuien verder zie je de compost nog amper. Na de winter
zal de compost, mee door het bodemleven en de wormen, volledig in
de grond zijn ingedrongen.
|