HISTORISCHE TEKSTEN

 

Desiderius Erasmus (ca. 1469-1536)

De zotheid over inhalige bisschoppen, kardinalen, pausen en de wereldse Duitse bisschoppen (Lof der zotheid - Laus Stultitiae, 1508)

 

DE INHALIGE BISSCHOPPEN

Die levenswijze der vorsten trachten de pausen, kardinalen en bisschoppen al sinds lang te evenaren, en ze overtreffen hen haast. Maar als men dan eens bedenkt waar het linnen kleed aan herinnert, zo stralend helderwit, namelijk aan een in alle opzichten smetteloze levenswijze; wat de dubbele mijter zeggen wil waarvan beide punten door dezelfde knoop bijeengehouden worden, te weten: een volmaakte kennis van de boeken in het Oude en Nieuwe Testament; en wat de door handschoenen beschermde handen, namelijk een zuivere en voor alle aanraking met menselijke dingen beschutte bediening der sacramenten; wat de bisschopsstaf: uiteraard de allerwaakzaamste zorg voor de toevertrouwde kudde; en wat het vooruitgedragen kruis natuurlijk de overwinning van alle menselijke neigingen; als men, zeg ik, dit en vele dergelijke dingen bedenkt, zou men dan niet een somber en kommervol leven leiden?

Maar in werkelijkheid nemen zij het er goed van en vertroetelen zichzelf. De zorg voor hun schapen laten zij trouwens of aan Christus zelf over of zij dragen die op aan hun zogenaamde broeders en plaatsvervangers. Ze weten zelfs niet eens meer wat het woord ‘bisschop’ eigenlijk inhoudt, te weten: inspanning, zorg, bezorgdheid. Bij het vergaren van geld echter gedragen ze zich als echte ‘toezieners’, dan is hun blik scherp genoeg!

 

WARE OPVOLGERS DER APOSTELEN

En als zo ook de kardinalen eens bedachten dat zij de opvolgers der apostelen zijn en dat van hen hetzelfde wordt verlangd als wat die hebben verricht. Dat zij voorts geen heersers zijn, maar beheerders van alle geestelijke gaven waarvoor ze binnenkort zeer nauwkeurig rekening en verantwoording zullen moeten afleggen. Ja, als ze maar eens wat peinsden over hun kleding en zich afvroegen: waarop doelt dit glanzend witte kleed? Toch op een volmaakt rechtschapen levenswandel! En waarop het purperen onderkleed? Niet op een vurige liefde tot God? En het opperkleed dat in wijde plooien uiteengolft en heel de muilezel van zijne hoogwaardigheid bedekt hoewel het in zijn eentje wel een kameel zou kunnen overdekken? Is dat niet de liefde die zich zo wijd mogelijk uitstrekt om allen te steunen, dat wil zeggen: om te onderwijzen aan te sporen, te troosten, te berispen, te vermanen, oorlogen te beslechten, zich te verzetten tegen boosaardige vorsten en om zelfs vrijwillig zijn bloed te geven voor de christengemeente, niet alleen zijn geld? Trouwens, waartoe eigenlijk rijkdom voor hen die de plaats bekleden van de arme apostelen?

Als zij, zeg ik, dit zouden overwegen, dan zouden ze niet naar dat ambt verlangen en het gaarne verlaten, of althans een zeer arbeidzaam en moeitevol leven mijden zoals die apostelen dat vroeger hebben geleefd.

 

CHRISTUS’ WAARDIGEPLAATSBEKLEDER?

En als dan de pausen, die Christus’ plaats bekleden, eens zouden trachten diens leven na te volgen, met andere woorden: zijn armoede lijden, leer, kruis, doodsverachting, en als ze eens zouden denken aan hun titel ‘paus’, d.w.z. ‘vader’, of hun predikaat ‘Zijne Heiligheid’, dan zou dat toch wel de meest ontmoedigende conclusie opleveren! Wie zou die plaats ten koste van zijn hele vermogen willen kopen en, eenmaal gekocht, met het zwaard, vergif en alle mogelijke geweld verdedigen? Van hoeveel voordelen zouden zij beroofd worden als ooit de wijsheid haar intrede deed! Wat zeg ik, wijsheid? Neen, slechts een korreltje van dat zout waarover Christus spreekt. Zoveel rijkdommen, zoveel eerbewijzen, zoveel macht, zoveel overwinningen, zoveel ambten, zoveel dispensaties, zoveel inkomsten, zoveel aflaten, zoveel paarden, muilezels en bedienden, zoveel genietingen. U ziet wat een handel, wat een oogst, wat een zee van goederen ik in een paar woorden heb samengevat. De wijsheid zal daarvoor in de plaats stellen: waken, vasten, tranen, gebeden, preken, studie, zuchten en talloze andere dergelijke moeilijke beproevingen.

Men moet ook niet vergeten dat dan zoveel schrijvers, zoveel klerken, zoveel stenografen, zoveel adviseurs, zoveel juristen, zoveel secretarissen, zoveel muilezeldrijvers, zoveel rijknechten, zoveel bankiers, zoveel souteneurs - bijna had ik er nog iets wulpsers aan toegevoegd, maar ik vrees dat dat de oren kwetst - kortom, dat dan die enorme massa mensen waardoor de zetel te

Rome wordt verziekt - pardon, ik bedoel: versierd - zal moeten verhongeren. Dat is weliswaar een wrede en afschuwelijke daad, maar het ware nog veel ellendiger als de hoogste kerkvorsten en de ware lichten der wereld weer tot de bedelstaf zouden worden gebracht. Nu is het ongeveer zo dat als er enig werk is, dit aan Petrus en Paulus wordt overgelaten die toch een zee van tijd hebben. En als er dan iets van glans of genietingen is, dan nemen ze dat zelf voor hun rekening. Aldus geschiedt het door mijn toedoen dat er vrijwel geen categorie mensen prettiger en onbezorgder leeft; zij menen immers hun plicht jegens Christus ruimschoots te hebben vervuld als zij met een symbolische en bijna theaterachtige kleding, ceremoniën, titels als ‘Zijne Zaligheid’, ‘Zijne Eerwaardigheid’, ‘Zijne Heiligheid’, met zegeningen en vervloekingen voor bisschop spelen. Het is antiek en ouderwets en helemaal niet meer van deze tijd om wonderen te verrichten; het volk onderwijzen is een moeizaam karwei; het uitleggen van de Heilige Schrift is pedant; bidden nutteloos; tranen storten is dwaas en verwijfd; in armoede leven ordinair; zich gewonnen geven is schandelijk en al te ver beneden de waardigheid van hem die amper de aanzienlijkste vorsten toestaat zijn zalige voeten te kussen; sterven, tenslotte, is onaangenaam, gekruisigd worden onfatsoenlijk.

Blijven slechts over die wapens en zoete zegeningen waarover Paulus spreekt, en daarmee zijn ze behoorlijk royaal: verbanningen, schorsingen, excommunicaties, vervloekingen, schilderijen met helse straffen, en die verschrikkelijke bliksem waarmee ze door een enkele wenk de zielen der stervelingen nog verder dan de hel zenden. Deze bliksem slingeren de allerheiligste vaders in Christus en Christus’ standhouders echter het heftigst naar hen die, door de duivel gedreven, trachten Petrus’ erfdeel te verkleinen en aan te tasten. Hoewel er in het evangelie dit woord van hem staat: ‘Wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd’, noemen zij niettemin landerijen, steden, belastingopbrengsten, tolgelden en heerschappijen zijn erfdeel. En terwijl ze gloeiend van christelijke ijver daarvoor te vuur en te zwaard strijden, niet zonder een aanzienlijk verlies aan christenbloed, menen ze dat ze de Kerk, Christus’ bruid, als goede apostelen verdedigen wanneer de vijanden, zoals zij ze noemen, met dapperheid zijn verslagen.

Alsof er waarlijk verderfelijker vijanden van de Kerk bestonden dan goddeloze pausen die én Christus door hun zwijgen in vergetelheid doen geraken én Hem met hun lucratieve wetten vastbinden, Hem met hun geforceerde uitleggingen verraden en Hem door hun onzalige levenswandel vermoorden. Hoewel voorts de christelijke Kerk door bloed is gesticht, door bloed is bevestigd en door bloed is vergroot, doen zij nu als was er geen Christus die naar zijn gewoonte de zijnen behoedt, en behartigen zij hun belangen met het zwaard. En hoewel de oorlog iets zo afschuwelijks is dat hij eerder bij wilde beesten dan bij mensen hoort, iets zo waanzinnigs dat de dichters zelfs fantaseren dat hij ons door de furiën wordt gezonden, zo verderfelijk dat hij een algemene aantasting van de moraal meebrengt, zo onrechtvaardig dat hij altijd het best wordt bedreven door lage schurken, zo goddeloos dat hij in geen enkel opzicht met Christus te verenigen is, houden zij zich niettemin uitsluitend daarmee bezig en laten er al het andere voor in de steek. Dan kan men zien hoe zelfs afgeleefde grijsaards een jeugdig enthousiasme opbrengen, zich niet storen aan kosten, door geen inspanning vermoeid raken en zich door niets laten afschrikken als het er hun om gaat wetten, godsdienst, vrede, kortom, heel het menselijk leven op zijn kop te zetten.

Ook ontbreekt het niet aan geleerde vleiers die zo’n duidelijk geval van waanzin geloofsijver, vroomheid en dapperheid noemen; zodoende hebben ze een methode uitgedacht waardoor iemand het dodelijke zwaard kan trekken en het lichaam van zijn broeder kan doorboren, terwijl ondanks dat die hoogste liefde blijft bestaan die volgens Christus’ leer de christen zijn naaste verschuldigd is.

DE WERELDSE BISSCHOPPEN VAN DE DUITSERS

Ik ben het er nog niet met mezelf over eens of sommige bisschoppen der Duitsers hiertoe het voorbeeld hebben gegeven of het hieraan hebben ontleend. Zij immers laten de eredienst, de zegeningen en andere dergelijke ceremoniën achterwege en treden gewoonweg als heersers op, in die mate zelfs dat zij het bijna laf achten en weinig in overeenstemming met de bisschoppelijke waardigheid om elders dan op het slagveld hun dappere ziel aan God te geven. En ook de massa der priesters, het ongeoorloofd achtend om voor hun bisschoppen in heiligheid onder te doen, voeren in schitterende militaire stijl strijd voor hun aanspraken op tienden, met zwaarden, speren, stenen en alle mogelijke wapengeweld. En wat hebben ze een scherpe blik als het erom gaat iets uit de geschriften der ouden te destilleren om daarmee het arme volk schrik aan te jagen en om te bewijzen dat ze recht hebben op méér dan tienden! Ondertussen komt het niet in hun hoofd op hoeveel er overal te lezen valt over de plichten die zij van hun kant tegenover het volk hebben. Evenmin herinnert de geschoren kruin hen eraan dat de priester vrij dient te zijn van alle begeerten dezer wereld en slechts hemelse zaken in gedachten mag hebben. Maar die lieve mensen beweren dat ze zich behoorlijk van hun taak hebben gekweten als ze die gebedjes van hen hoe dan ook hebben gemompeld; trouwens, ik vraag me waarachtig af of enig God die kan horen of begrijpen wanneer zij ze zelf amper horen of begrijpen, zelfs als zij ze luidkeels opzeggen.

Dit echter hebben priesters en leken gemeen dat ze allen klaarwakker zijn als er een voordeel te behalen valt, en dat iedereen op dat gebied de wetten wél kent! Maar valt er iets te dragen, dan schuiven ze die last wijselijk op andermans schouders en laten zo te zeggen anderen ervoor opdraaien.

Zoals wereldse vorsten immers ook gedeelten van hun bestuurstaak aan plaatsvervangers overdragen, en de plaatsvervanger ze weer aan zijn plaatsvervanger doorgeeft, zo laten zij heel de beoefening der vroomheid uit bescheidenheid aan het volk over. Het volk schuift die af op hen die ze ‘kerkmensen’ noemen, alsof ze zelf helemaal niets met de Kerk te maken hadden, alsof de doopgeloften helemaal niets betekenden. De priesters op hun beurt, die zich ‘wereldlijk’ noemen alsof ze aan de wereld en niet aan Christus waren gewijd, wentelen deze last af op de regulieren, de regulieren op de monniken, de monniken van een minder strenge orde op die van een strenge orde, en allen gezamenlijk op de bedelmonniken; de bedelmonniken op de kartuizers, en bij hen alleen houdt de vroomheid zich schuil, en wel zo goed schuil dat ze haast nooit te zien is.

Evenzo is het gesteld met de pausen die wel zeer ijverig zijn bij de geldoogst, maar al te apostolische arbeid aan de bisschoppen overdragen, de bisschoppen aan de pastoors, de pastoors aan de kapelaans, de kapelaans aan de bedelmonniken. En die schuiven het dan weer af op hen die de schapen scheren.

Maar goed, het is niet mijn bedoeling de levenswijze van pausen en priesters te onderzoeken, want dan denkt men misschien dat ik een satire schrijf in plaats van een lofrede te houden; of men meent dat ik door de slechte vorsten te prijzen, de goede hekel. Ik heb dit onderwerp echter even ter sprake gebracht om aan te tonen dat geen mens prettig kan leven als hij niet in mijn dienst is ingewijd en mijn zegen geniet.

 

 


Bron: Erasmus, Lof der zotheid. Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen, 1969, blz. 124-133. (vertaling A.J. Hiensch)



terug naar inhoudsopgave