HISTORISCHE TEKSTEN

 

Desiderius Erasmus (ca. 1469-1536)

Holle hoofden onder de monnikskap (Lof der zotheid - Laus Stultitiae, 1508)

 

"Het dichtst tot hun geluk naderen zij die zich gewoonlijk ‘religieuzen’ en ‘monniken’ noemen, beide zeer onjuiste benamingen daar het merendeel van hen wel heel ver van de religie verwijderd is, en men van alle mensen hen wel het meest overal tegenkomt. Er zou niets ongelukkigers denkbaar zijn dan zij als ik hen niet op vele manieren te hulp kwam. Want hoewel allen dit slag mensen zó verfoeien dat men zelfs een toevallige ontmoeting onherroepelijk als een slecht voorteken beschouwt, zijn ze met zichzelf bijzonder ingenomen.

In de eerste plaats achten zij het het summum van vroomheid als ze alle wetenschap mijden, zozeer dat ze zelfs niet kunnen lezen. In de tweede plaats: wanneer ze met hun ezelsstemmen in de kerken de psalmen uitbalken (die ze wel op het rijtje kennen, maar waar ze niets van begrijpen), dan denken ze waarachtig de oren der hemelingen bijzonder heerlijk te strelen. Ook zijn er enkelen onder hen die uit hun miserabele armoedigheid grof geld slaan en voor de deuren onder luid gebrul brood opeisen; ja, er is geen herberg, geen reiswagen, geen schip waar ze niet komen schreeuwen, stellig tot aanzienlijk nadeel voor de andere bedelaars. En op die manier willen die vriendelijke heren met hun armoedige kleren, hun gebrek aan ontwikkeling, hun boers optreden en hun onbeschaamdheid ons, naar ze beweren, weer aan de apostelen herinneren! Het leukste is echter dat ze alles volgens voorschrift doen, als het ware wiskundige formules hanterend die men niet straffeloos negeert. Bijvoorbeeld: hoeveel knopen er in de sandaalriemen zitten, van welke kleur de gordel is, hoeveel verschillende kleuren het kleed vertoont, van welke stof het is, hoeveel millimeter breed hun gordel is, van welke vorm, hoe groot de inhoud van hun kap, hoeveel vingers hun hoofdhaar lang is, hoeveel uren ze mogen slapen. Dat echter deze gelijkheid bij zoveel verscheidenheid naar lichaam en karakter zeer ongelijk is, dat is wel iedereen duidelijk. Op grond van deze onzin achten ze evenwel niet alleen bij zichzelf vergeleken anderen geen duit waard, maar ook verachten ze elkaar onderling. Het gevolg is dat deze lieden die de apostolische naastenliefde belijden, wegens een kleed met een andere gordel of om een iets donkerder bruin een vreselijke herrie schoppen.

Onder hen kan men er sommigen aantreffen die zo streng religieus zijn dat ze uitsluitend een opperkleed van Cilicisch geitenhaar dragen en een onderkleed van Milesische wol, anderen daarentegen die van buiten in linnen, van binnen in grove wol zijn gehuld. Daarnaast weer anderen die voor de aanraking met geld terugdeinzen als ware het vergif, maar zich intussen niet de wijn of het aanraken van vrouwen ontzeggen.

Kortom, ze doen allemaal vreselijk hun best opdat hun levenswijze toch maar niet overeenstemt. En hun streven is er niet zozeer op gericht om op Christus te lijken, maar om niet op elkaar te lijken. Voorts bestaat een groot deel van hun geluk in het geven van bijnamen: sommigen vinden het leuk om ‘koorddragers’ te worden genoemd; van hen heten sommigen ‘coletanen’, anderen ‘minderbroeders’, weer anderen ‘minstebroeders’, sommigen ‘Bullisten’. Daarnaast de ‘Benedictijnen’, de ‘Bernardijnen’, de ‘Brigidenzen’, de ‘Augustijnen’, de ‘Wilhelmieten’, de ‘Jakobijnen’, alsof het waarachtig niet voldoende ware om ‘christenen’ te worden genoemd! Het merendeel van hen bouwt zozeer op hun ceremoniën en door mensen bepaalde traditietjes dat ze één hemel een onvoldoende beloning achten voor zo grote verdiensten, waarbij ze er niet aan denken dat het wel eens zou kunnen zijn dat Christus aan dit alles voorbijziet en vraagt naar de vervulling van dat gebod van Hem, namelijk dat der naastenliefde. Dan zal de een zijn buik tonen die gespannen staat van alle mogelijke soorten vis. Een ander zal vijfentwintig mud psalmen ten gehore brengen. Een derde zal een opsomming geven van de ontelbare malen dat hij gevast heeft, en hij zal zijn bij al die gelegenheden bijna gebarsten maag aan telkens één enkele maaltijd toeschrijven. Weer een ander zal met zo’n stapel ceremoniën komen aanzetten als er amper in zeven vrachtschepen vervoerd kunnen worden. De volgende zal er zich op beroemen dat hij zestig jaar lang nooit geld heeft aangeraakt - tenzij zijn vingers beschermd waren door twee paar handschoenen. Deze zal op zijn monnikskap wijzen, zo vies en grof dat geen zeeman die zou willen dragen. Gene zal vermelden dat hij meer dan vijfenvijftig jaar het leven van een spons heeft geleid, altijd aan een zelfde plek gebonden. De een zal komen aanzetten met zijn stem die hees is van het voortdurend zingen, de ander met een door het kluizenaarschap opgelopen slaapziekte, de volgende met een tong die door het ononderbroken zwijgen is verlamd.

Maar Christus zal hen in de rede vallen - want anders u er nooit een einde komen aan deze lijst van roemrijke daden - en zeggen: ‘Waar komt toch dit nieuwe soort joden vandaan? Ik erken slechts één wet die waarlijk de mijne is, maar daarover alleen hoor ik niets. En toch heb ik vroeger openlijk, zonder fraaie gelijkenissen te gebruiken, de erfenis van mijn Vader beloofd, niet in ruil voor monnikskappen, gebedjes of vasten, maar voor het betrachten van de naastenliefde. Ik erken hen niet die al te zeer hun eigen daden erkennen. Laten zij die nog heiliger willen schijnen dan ik maar de hemelen der Abraxasiërs gaan bewonen als ze zin hebben, of zich een nieuwe hemel laten bouwen door hen wier onbenullige overleveringentjes zij boven mijn vermaningen stellen.’

Wanneer ze dat horen, en zien dat zeelui en voerlui boven hen worden verkozen, met welke gezichten zullen ze elkaar dan wel niet aankijken, denkt u?! Maar voorlopig zijn ze gelukkig in hun hoop en mede dank zij mij. Hoewel zij niet betrokken zijn bij het regeren, durft toch niemand hen te negeren, vooral de bedelmonniken niet omdat die alle geheimen van iedereen kennen uit de zogenaamde biecht. Wel achten zij het ongeoorloofd deze te verklappen, behalve als ze soms gedronken hebben en elkaar met hele leuke verhalen willen amuseren; ze geven dan echter slechts de zaak te raden en verzwijgen voorlopig de namen. Maar als iemand deze wespen heeft geplaagd, dan nemen ze in hun preken voor het volk geducht wraak en richten steken onder water tot hun vijand in dusdanig bedekte termen dat iedereen het begrijpt behalve degene die niets begrijpt. En ze houden niet op met keffen eer je hun een koekje toegeworpen hebt.

Heus, er is geen komediant, geen potsenmaker die het aanschouwen meer waard is dan zij wanneer ze in hun preken op volkomen belachelijke wijze de redekunstenaar uithangen, waarbij ze niettemin heel grappig de lessen nabootsen die de retoren over de kunst der welsprekendheid hebben gegeven. Mijn God, wat een gebaren, wat een passende wisseling van toon, wat een zangerige stembuigingen; wat staan ze te zwaaien, wat een wisseling van gelaatsuitdrukking, wat een luid geschreeuw! En deze vorm van redenaarskunst wordt als een geheime leer door het ene broedertje aan het andere doorgegeven. Hoewel ik die dus niet mag kennen, zal ik er zo goed mogelijk naar raden.

Om te beginnen een aanroeping; dat hebben ze aan de dichters ontleend. Wanneer ze het dan over de naasten1iefde willen hebben, gaan ze uit van de Egyptische rivier de Nijl; als ze de geheimenis van het kruis gaan beschrijven, vinden ze een gelukkige aanvang bij de Babylonische draak van Be1; als ze een uiteenzetting over het vasten willen geven, beginnen ze bij de twaalf tekens van de dierenriem; als ze zullen spreken over geloof, houden ze eerst een lange inleiding over kwadratuur van de cirkel.

Zelf heb ik eens geluisterd naar iemand die bijzonder getikt - pardon: geleerd was, wilde ik zeggen; toen hij in een druk bezochte bijeenkomst het mysterie van de goddelijke drie-eenheid zou verklaren, is hij, om zijn meer dan middelmatige geleerdheid te demonstreren en de theologische oren te bevredigen, een volkomen nieuwe weg ingeslagen door namelijk te beginnen bij de letters, de lettergrepen en de woorden, en voort te gaan met de overeen-stemming tussen naamwoord en werkwoord, bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord, tot verbazing van de meesten en terwijl sommigen in zichzelf dat woord van Horatius mompelden: ‘Waar slaat dit pedante gezwets op?’ Tenslotte gaf hij de zaak deze wending dat hij bewees dat het symbool van heel de drie-eenheid in de grondslagen der grammatica zó lag uitgedrukt als geen wiskundige het ooit duidelijker zou kunnen construeren in het zand.

En op die rede had die supertheoloog acht volle maanden zó zitten zweten dat hij tot op heden nog slechter ziet dan een mol omdat hij immers heel de scherpte van zijn ogen had verbruikt om zijn spitsvondigheid bij te slijpen. De man heeft echter geen spijt van zijn blindheid, hij meent zelfs dat hij die roem voor een geringe prijs heeft verworven.

Ook hebben wij een tachtigjarige aangehoord, zozeer theoloog in hart en nieren dat je hem voor een reïncarnatie van Scotus zelf zou houden. Toen hij de geheimenis van de naam Jezus zou verklaren, heeft hij met verbazingwekkende scherpzinnigheid aangetoond dat al wat wat over Hem te zeggen viel, in de letters zelf besloten lag. Immers, een woord dat slechts drie verschillende naamvalsvormen kent, vormde een duidelijk symbool van de goddelijke drie-eenheid. Aan het feit dat voorts de eerste vorm ‘Jesus’ op een s eindigt, de tweede ‘Jesum’ op een M, de derde ‘Jesu’ op een U daaraan lag een heilig mysterie ten grondslag: die drie lettertjes beduidden immers dat Hij de eerste, de middelste en de laatste is.

Dan was er nog een geheimenis, nog verborgener dan deze, op wiskundige wijze te ontdekken. Hij splitste het woord ‘Jesus’ zodanig in twee gelijke delen dat in het midden uiteraard de S overbleef. Vervolgens legde hij uit dat die letter bij de joden de ‘syn’ was, die zij ‘syn’ noemen; verder hetekent ‘syn’ in de taal der Schotten. naar ik meen, ‘zonde’; hieruit bleek duidelijk dat het Jezus was die de zonden der wereld droeg.

Deze zó bijzondere inleiding hebben allen, vooral de theologen, met open mond bewonderend aangehoord zodat het weinig scheelde of hun was hetzelfde overkomen als destijds Niobe, terwijl mij bijna hetzelfde overkwam als die Priapus van vijgehout die tot zijn grote schade de nachtelijke ceremoniën van Canidia en Sagana aanschouwde.

En stellig niet ten onrechte. Want wanneer hebben de Griek Demosthenes of de Romein Cicero ooit een dergelijke inleiding geschreven? Door hen werd een inleiding als ondeugdelijk beschouwd als zij zich te ver van het onderwerp verwijderde; Zo zouden zelfs herders een verhaal beginnen, want zo doet men het immers van nature. Deze geleerden echter achten hun ‘preambule’ - zo noemen ze dat - dan pas geheel in overeenstemming met de kunst der retorica als er nergens enig raakpunt is met het overige onderwerp, het gevolg dat de toehoorder af en toe verbaasd in zichzelf mompelt: ‘waar wil hij nu naartoe?’ Als derde punt leggen ze bij wijze van preek iets van het evangelie uit, maar slechts terloops en als het ware in - voorbijgaan terwijl het hier eigenlijk uitsluitend om zou moeten gaan. Op de vierde plaats en dan hebben ze weer een heel andere gestalte aangenomen - roeren ze een theologisch vraagstuk aan dat soms kant noch wal raakt. Ook dat, vinden zij, hoort bij hun vak. Dan trekken zij pas goed hun theologische wenkbrauwen hooghartig op terwijl ze onze oren doen dreunen van de eerwaarde kerkleraren, scherpzinnige kerkleraren, allerscherpzinnigste kerkleraren, uitmuntende kerkleraren, vrome kerkleraren, onweerlegbare kerkleraren en meer van die hoogdravende titels. Vervolgens gaan ze het ondeskundige publiek bekogelen met sluitredes en hun maiores, minores en conclusies, met gevolgtrekkingen, de onbenulligste hypothesen en een onzin die zelfs de scholastiek overtreft.

Rest nog het vijfde bedrijf waarin men zich een voortreffelijk kunstenaar dient te betonen. Dan komen ze me nota bene aandragen met een of ander dom en flauw verhaaltje, waarschijnlijk ontleend aan de Spieghel Historiael en Gesta Romanorum, en dat verklaren ze dan allegorisch, moralistisch of in geestelijke zin.

Op die manier voltooien ze dan wel een chimère zoals Horatius zich nooit heeft kunnen voorstellen toen hij schreef: ‘Als een schilder aan het hoofd van een mens...’ enz. Maar ze hebben van de een of ander gehoord dat het begin van een rede rustig moet zijn en allerminst schreeuwerig. Dus beginnen ze zó dat ze hun eigen stem niet eens horen — alsof het er trouwens iets toe doet of uitgesproken wordt wat toch niemand begrijpt. Ze hebben horen zeggen dat men soms om gevoelens op te wekken, uitroepen moet bezigen. En dus, terwijl ze overigens bedaard spreken, verheffen ze af en toe plotseling hun stem tot een waanzinnig geschreeuw, ook als daartoe geen enkele aanleiding is. Je zou zweren dat de man nieskruid nodig had -alsof het er jets toe deed hoe je je uitroepen plaatst!

Omdat ze voorts hebben vernomen dat een preek gaandeweg vuriger moet worden, gaan ze, na van de diverse onderdelen het begin vrij redelijk te hebben voorgedragen, daarna een wonderlijk luide keel opzetten, ook al is de stof uiterst zakelijk, en daar stoppen ze dan zó plotseling mee dat je zou denken dat ze geen adem meer hebben.

Tenslotte hebben ze nog geleerd dat bij de retoren ook de humor wordt vermeld, en dus pogen ook zij om een paar grapjes te debiteren; o lieve Aphrodite, wat een charme steekt daarin en wat zijn ze op hun plaats! Het lijken waarachtig wel ezels die zingen bij de harp! Ook bijten ze soms, maar zo dat ze meer kietelen dan verwonden. En nooit zijn ze in feite kruiperiger dan wanneer ze juist proberen de indruk te wekken dat ze vrij moedig spreken.

Kortom, hun gehele optreden is van dien aard dat je zou zweren dat ze in de leer zijn geweest bij de standwerkers op de markt - die hen trouwens verre de baas zijn. Beide categorieën lijken overigens zo sprekend op elkaar dat niemand eraan twijfelt dat dezen van genen, of genen van dezen de redenaarskunst hebben geleerd.

En toch vinden ook zij nog dank zij mij, toehoorders die bij het luisteren menen met een ware Demosthenes of Cicero te doen te hebben. Die groep bestaat voornamelijk uit kooplui en vrouwen; zij trachten dan ook uitsluitend hun oren te behagen omdat eerstgenoemden nog wel eens een stukje buit van hun op onrechtmatige wijze verworven bezit willen schenken als men ze behoorlijk naar de mond heeft gepraat. De vrouwen zijn - afgezien van vele andere redenen - vooral hierom deze stand goed gezind omdat ze aan hun boezem gewoonlijk de grieven kwijt kunnen die ze tegen hun echtgenoten koesteren.

U begrijpt dunkt me wel hoeveel dit soort lieden aan mij te danken heeft wanneer ze met hun ceremonietjes, belachelijke onzin en geschreeuw een soort tirannie over de mensen uitoefenen, en daarbij denken dat ze een Paulus of een Antonius zijn."

 


 Bron: Erasmus, Lof der zotheid. Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen, 1969, blz. 110-120. (vertaling A.J. Hiensch)



terug naar inhoudsopgave