HISTORISCHE TEKSTEN

 

Het concilie van Trente (1545-1563):

Openingstoespraak pauselijke legaat (13 december 1545) 

 

Om drie redenen werd dit concilie bijeengeroepen: om de ketterij uit te roeien, om de kerkelijke discipline (tucht) te herstellen en om de vrede te stichten. Deze doelstellingen kunnen echter niet bereikt worden, als de geestelijke stand niet volledig doordrongen is van de overtuiging, dat hij zelf de grootste schuld draagt van dit drievoudige kwaad: de schuld van de ketterij, niet omdat hij deze verspreid heeft, maar omdat hij niet voldoende zijn plicht gedaan heeft bij het uitstrooien van het goddelijke zaad van de zuivere leer en bij het uitroeien van het woekerende onkruid; de schuld van het zedelijk verval: deze is zo groot, dat het voor iedereen duidelijk is, dat de clerus en de herders niet alleen verleid werden, maar zelf ook verleiders waren. En aan deze verwaarlozing van de godsdienst en de zeden moet men het toeschrijven, dat God het derde ongeluk heeft toegelaten, de oorlog, buiten de christenheid met de Turken en binnen de christenheid met medeburgers en christenen. Zonder deze erkenning van de eigen schuld is een concilie nutteloos en roept men tevergeefs de Heilige Geest aan.

 


bron: W. Verrelst, De renaissance. Documentatiemappen geschiedenis en maatschappij. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1984, blz. 53.


 

terug naar inhoudsopgave