HISTORISCHE TEKSTEN

 

De Hongaarse opstand (1956):

Een Russische toerist in Boedapest (Moskou, E.M. Bazarina) - een ooggetuige aan het woord

 

Wij kwamen op 19 oktober in Hongarije aan met andere Russische toeristen. Wij reisden vier dagen door dit prachtige land en werden overal hartelijk welkom geheten. Op dinsdag 23 oktober zagen wij op onze weg naar een theater grote mensenmenigten in de straten van Boedapest. Zij waren opgesteld in rijen en droegen spandoeken, op vele daarvan stond 'lang leve Hongarije!

De studenten eisten samen met leden van de intelligentsia en de arbeiders het herstel van dwalingen en nalatigheden van de Hongaarse regering. Het waren rechtvaardige eisen. Op die eerste avond zag ik vanuit het hotel waar wij verbleven, een man met een geweer in de verlaten straat verschijnen. Hij stelde zich op in een van de oprijlanen en begon zorgvuldig de straatlantaarns uit te schieten. Wat bewoog de schutter op dit te doen? Alleen maar straatschenderij? Vermoedelijk niet. Ik denk dat hij een van de pientere zwierbollen was van de reactionaire ondergrondse, die verwarring en chaos in de stad wilden scheppen. Vrij spoedig daarna waren er flitsen van geweervuur en het geluid van gevechten en wij zagen vernielde en brandende gebouwen in de straten van Boedapest, omgekeerde tramwagens en andere voertuigen. Het stierf weg en laaide daarna weer op. Vijandige elementen poogden het stadsleven lam te leggen, maar de arbeiders van Boedapest verdreven de rebellen. Afdelingen gewapende arbeiders poogden de orde in de straten te herstellen en plunderen te vorkomen. Op vele plaatsen, ook in het gebied van ons hotel, werden arbeiderspatrouilles geplaatst.

Een lid van de staf van ons hotel, een man van middelbare leeftijd met grijs haar, vertelde ons: Onze arbeiders kunnen de hand niet hebben gehad in het plunderen en muiten. Het fascisme steekt de kop op. En dat is wat er aan de hand was. De contrarevolutionaire ondergrondse was in Boedapest in actie. Fascistische reactionaire elementen waren uit het buitenland aangekomen. Het vijandige waagstuk nam toe in kracht en de Hongaarse regering vroeg de regering van de Sovjetunie om hulp. In antwoord op dit verzoek kwamen Russische militaire eenheden, die in Hongarije waren gestationeerd overeenkomstig het Pact van Warschau, Boedapest binnen om de orde te helpen herstellen. De overweldigende meerderheid van de Hongaren verwelkomde deze beweging in de hoop dat het leven in de stad spoedig weer zijn normale loop zou nemen. Ik zag zelf hoe de mensen in een straat de Sovjettanks verwelkomden.

Een Hongaar, een lid van de staf van het hotel, beschreef ons het volgende incident. Vrijwillige brandweerlieden waren, absoluut ongewapend, bezig een brand in een van de openbare gebouwen te blussen. Plotseling werden vanuit een klein er tegenover gelegen huis schoten afgevuurd door fascistische lummels, die het vuur opende op de ongewapende brandweerlieden. Verschillende van hen vielen. Onze tank was in de straat gestationeerd. De tankbemanning richtte onmiddellijk het kanon op het huis waarin de bandieten waren verborgen.

Dit was voldoende om hen in een zijstraat te laten vluchten. Verschillende brandweerlieden renden naar de tank en schudden de tankbemanning de hand. Deze episode geeft een goede getuigenis van de houding van de Hongaren tegenover de Sovjetunie. Maar de reactie staakte haar activiteiten niet. Toen wij door enkele straten liepen, zagen we dat de muren van de huizen volgeplakt waren met contrarevolutionaire affiches.

Toen de Sovjettroepen uit Boedapest begonnen terug te trekken, begon een ongebreidelde Witte Terreur in de Hongaarse hoofdstad. Wij Sovjettoeristen herinneren ons deze tijd met afschuw. Het is moeilijk deze chaos te beschrijven die des stad regeerde, waar openbare gebouwen waren vernield, winkels geplunderd en waar menigten gewapende bandieten, duidelijk fascisten, door de straten liepen, terwijl zij beestachtige moorden begingen bij klaar daglicht. Ik zal nooit vergeten wat ik met mijn eigen ogen zag. Ik denkt dat het 30 of 31 oktober was. Een man in sportkleding liep op de Lenin Boulevard. Hij zou een van degenen geweest kunnen zijn die de orde trachtte te herstellen in de stad. Verschillende gewapende schurken die de contrarevolutionaire tricolore droegen, renden op hem af. Een afschuwelijke onmenselijke kreet werd gehoord. Een hele menigte bandieten verscheen ergens vandaan. Ik was niet in staat te zien wat zij met hun slachtoffer deden, maar na enkele minuten hing hij aan een nabije boom met een uitgestoken oog en een gelaat vol messteken.

Enige tijd geleden las ik hoe de fascisten in Duitsland progressieve literatuur op vreugdevuren verbrandden. Wij zagen dergelijke dingen. Een aantal straatschenders plunderde en stak het Boekenhuis in brand. Duizenden en duizenden boeken smeulden in de smerige straat. Wij stonden erbij, getuigen van deze barbarij. De werken van Tjechov, Shakespeare, Tolstoi, Poesjkin en andere beroemde schrijvers lagen in de modder, zwarte rook steeg op. Wij zagen een oude man, die enige boeken oppakte, zorgvuldig van modder reinigde met zijn mouw, en langzaam wegliep met de boeken tegen de borst gedrukt. Veel mensen deden hetzelfde.

In het hotel 'Vrede' was de atmosfeer in deze dagen te snijden. De contrarevolutionairen hadden de rode ster van de voorzijde van het hotel gerukt en met de voeten getreden. Er werd ons verteld, dat het 'Vrede' van nu af hotel 'Brittannia' zou worden genoemd. De persoon die het ons vertelde, keek rond en voegde er rustige aan toe: Het doet niet ter zake. Het zal slechts tijdelijk zijn.

Meer dan eens waren we getuige van daden die de vriendelijke houding van de Hongaren over de Sovjetbevolking openbaarden. Deze vriendelijke houding voelden wij Sovjetmensen aan toen wij Boedapest verlieten. In kleine groepen van twee of drie personen zochten wij onze weg door de verwoeste straten naar de Donau om aan boord te gaan van een Rode-Kruisschip. Wij werden vergezeld door een arbeidster, een jong meisje. Zij leidden ons van het ene kruispunt naar het andere, zonder angst de veiligste weg zoekend. Op de pier omhelsden we haar. Zij zei: Iemand in het Westen wil dat wij de kastanjes voor hen uit het vuur halen. Geloof hen niet, lieve vrienden. Wij Hongaren zijn voor socialisme en staan aan jullie zijde. Toen wij in Tsjecho-Slowakije waren op onze weg naar huis, vernamen wij dat de contrarevolutie in Hongarije was neergeslagen, en dat het leven in het land weer normaal was. Nu zijn we weer terug in Moskou. Wij zullen nooit dat Hongaarse meisje vergeten, dat zei dat de Hongaren voor socialisme waren en aan onze zijde stonden.

 


bron: L.G. DALHUIZEN e.a., Geschiedenis op school. Deel 1 Grondslagen. Groningen, Wolters-Noordhoff, 1982, blz. 108-111. 


 

terug naar inhoudsopgave