HISTORISCHE TEKSTEN

 

Benito Mussolini (1883-1945)

De filosofie van het fascisme (La dottrina del fascismo, in Enciclopedia Italiana)

 

"Zoals elk gezond politiek systeem is het fascisme tegelijk praktijk en idee. Het heeft derhalve een vorm die aan de omstandigheden van tijd en plaats is aangepast maar tevens een geïdealiseerde inhoud die het verheft tot een waarheid die thuishoort in de geschiedenis van de wijsbegeerte. Zo zou men veel van de praktische uitingen van het fascisme, zoals daar zijn de partijorganisatie, het opvoedingssysteem, de gevestigde orde, niet begrijpen wanneer men ze niet beoordeelt in het licht van zijn algemene levensbeschouwing. Deze levensbeschouwing is van geestelijke aard. Voor het fascisme is de wereld niet de uiterlijke, materiële wereld waarin de mens een individu is dat apart van alle anderen leeft en beheerst wordt door een natuurwet die hem instinctmatig verplicht tot een leven vol zelfzucht en vergankelijke zelfvoldoening. De mens van het fascisme is als persoon in wezen één met natie en vaderland, met de morele wet die uit hoofde van traditie en roeping enkelingen en generaties aan elkaar hecht, die instinctmatige drang naar een leven van eigenbelang onderdrukt ten voordele van een hoger leven het leven van de plicht, verheven boven tijd en ruimte, het leven waarin de enkeling door zelfverloochening, door opoffering van zijn eigenbelang, desnoods de dood, opklimt tot het ware, geestelijke bestaan waarin zijn betekenis als mens schuilt. Het gaat dus wel degelijk om een spiritualistische opvatting die is gegroeid uit de algemene reactie die in onze eeuw tegen het materialistisch positivisme van de vorige naar voren treedt. Het leven in de ogen van de fascist is ernstig, streng, godsdienstig, volkomen evenwichtig en zijn beslag krijgend in een wereld die is gebouwd op de morele en verantwoordelijke krachten van de geest. De fascist misprijst ‘het gemakkelijke leventje’.

Als anti-individualistische idee is het fascisme georiënteerd op de staat maar ook op de enkeling in zover hij als universeel bewustzijn en universele wil van de mens in zijn geschiedkundig bestaan met de Staat samenvalt. Het bestrijdt het klassieke liberalisme, dat ontstaan is uit de behoefte op te komen tegen het absolutisme en dat zijn historische taak heeft volbracht sinds de Staat in het bewustzijn en de wil van het volk zelf is verankerd. Het liberalisme loochent de Staat in het belang van het afzonderlijke individu; het fascisme bevestigt de Staat als de ware werkelijkheid van de enkeling. Daarom is voor het fascisme alles opgesloten in de Staat en is er niets menselijks of geestelijk, beslist niet iets dat waarde heeft, buiten de Staat. In deze zin is het fascisme totalitair en in deze zin is de fascistenstaat de vertolking, de synthese en een eenheid van alles wat waarde geeft aan het leven van het ganse volk en geeft hij daaraan kracht en ontwikkeling.

Er bestaan dus geen individuen buiten de Staat, evenmin als er groepen, politieke partijen, verenigingen, syndicaten, klassen bestaan. Daarom is het fascisme gekant tegen het socialisme. Binnen de grenzen van de ordescheppende Staat wil het fascisme de rechtmatige eisen tegemoet komen in het corporatieve systeem met zijn binnen de eenheid van de Staat onderling verzoende belangen. Het fascisme is tegen de democratie die het volk identificeert met de meerderheid en het naar beneden haalt op het peil van de massa. Het is tegelijk een meer edele vorm van democratie die het volk benadert zoals het hoort, namelijk kwalitatief en niet kwantitatief. Het is de eerlijkste vorm van democratie omdat het fascisme de machtigste want meest morele, de meest samenhangende en waarheidsvolle gedachte vertegenwoordigt; het volk vindt die verwezenlijkt in het geweten en de wil van weinigen of zelfs van een enkele man die zich waar maakt in het bewustzijn en de wil van allen.

De fascistische staat, zijnde een hoger en machtiger vorm van de persoonlijkheid, is kracht maar dan van geestelijke aard. De Staat beteugelt het zedelijke en geestelijke leven van de mensen. Hij kan zich daarom niet beperken tot de elementaire taken van orde verzekeren en beschermen, zoals het liberalisme dat beoogde. Hij is niet zo maar een mechanisme dat de reikwijdte van de ingebeelde individuele vrijheden afbakent. Hij is de uiterlijke vorm en de innerlijke wet en een lering voor de mens in zijn totaliteit. Hij vervult geheel wil en geest.

Alles bij elkaar is het fascisme niet enkel een wetgever en oprichter van instellingen maar ook opvoeder en inspiratiebron van het geestelijke leven. Niet het uitwendige maar het inwendige van het menselijk leven wil het hervormen, de mens zelve, zijn aard, zijn idealen. Daarom eist het tucht en een gezag dat binnendringt in de geesten en er geen weerstand ontmoet. Daarom is zijn symbool de lictorenbundel, zinnebeeld van eenheid, macht en rechtvaardigheid."

 

 


Bron: P. MORREN, Met Italië en Duitsland als vaandeldragers komt een heel groot deel van Europa in de ban van de dictatuur. In Paul Morren, De Tweede Wereldoorlog. Een keerpunt in de geschiedenis. Deel (Ministerie van Onderwijs), Brussel, 1985, blz. 87-88



terug naar inhoudsopgave