HISTORISCHE TEKSTEN

 

Nicollo Machiavelli (1469-1527)

In hoeverre een heerser zijn woord moet houden (Il Principe, 1532)

 

Iedereen begrijpt hoe prijzenswaardig het is, wanneer een heerser zijn woord houdt en oprecht en zonder arglist leeft. Niettemin leert de ervaring van onze tijd, dat sommige heersers grote dingen tot stand hebben gebracht, wanneer zij met hun gegeven woord weinig rekening hielden en de kunst verstonden de mensen listig om de tuin te leiden. Het slot van het lied was, dat zij degenen die zich aan hun woord hielden, verre voorbij streefden.

Gij moet u dus goed voor ogen houden, dat er twee manieren van strijden bestaan: de ene met wetten en de andere met geweld. De eerste manier behoort bij de mensen, de tweede is kenmerkend voor de dieren. Maar omdat de eerste manier dikwijls ontoereikend is, moet men tot de tweede zijn toevlucht nemen.

Een verstandig heer dus kan noch mag zijn woord houden, wanneer deze loyauteit tegen hem zou worden uitgespeeld en wanneer de motieven, die aan zijn belofte ten grondslag lagen, zijn weggevallen. Wanneer de mensen allemaal goed waren, zou dit een verkeerd voorschrift zijn, maar omdat ze slecht zijn en hun woord tegenover u niet houden, behoeft u het ook niet tegenover hen te houden. Nooit heeft een heerser gebrek aan geldige motieven gehad om zijn woordbreuk goed te praten. Daarvan zou men talloze recente voorbeelden kunnen opsommen. Het is aan te tonen, dat vele vredesverdragen geschonden zijn door de trouweloosheid van de machthebbers. Degene die het best de vos wist te spelen, heeft het meeste bereikt. Maar het is noodzakelijk zijn vossenaard te camoufleren en goed te kunnen veinzen en ontveinzen.

Het is begrijpelijk, dat een heerser, vooral wanneer hij pas aan het bewind is, niet alles in acht kan nemen, wat bij de mensen als goed en schoon geldt. Want ter handhaving van zijn heerschappij is hij menigmaal gedwongen zijn woord te breken en in strijd met de barmhartigheid, de menselijkheid en de vroomheid te handelen. Een heerser moet dus de geestesgesteldheid bezitten te kunnen veranderen als een blad aan een boom, naar gelang de grilligheid van het lot en de verandering van de dingen hem daartoe nopen. Zoals ik boven reeds heb opgemerkt, moet hij het goede niet nalaten, zolang hij het kan, maar moet hij anderzijds de kunst verstaan het kwade te gebruiken, wanneer het moet.

Een heerser moet er dus zorgvuldig op bedacht zijn, zich nooit een woord te laten ontvallen, dat niet van de vijf genoemde eigenschappen vervuld is. Van zien en horen moet hij een en al mildheid, goede trouw, onkreukbaarheid, menselijkheid en vroomheid schijnen. De allernoodzakelijkste is de laatste: de schijn van vroomheid. De mensen oordelen over het algemeen meer naar wat ze met de ogen zien, dan naar wat ze met de handen betasten. Want zien kan iedereen, maar betasten is slechts weinigen gegeven. Iedereen ziet wat je schijnt, maar slechts weinigen ervaren wat je bent. Deze weinigen wagen het niet zich tegen de opvatting van de grote meerderheid te verzetten, omdat deze over alle middelen van de heerschappij beschikt en ook door de heerschappij wordt beschermd. Bij het doen en laten van alle mensen en vooral van de heersers, wier handelingen niet aan rechtspraak onderworpen kunnen worden, kijkt men alleen naar het resultaat. Een heerser moet er dus voor zorgen dat hij overwint en dat hij de heerschappij behoudt. De middelen daartoe zullen altijd eervol worden genoemd en door iedereen geprezen worden. Want het gewone volk wordt altijd gegrepen door de schijn en de goede afloop. En de hele wereld bestaat nu eenmaal uit gewoon volk. De kleine minderheid komt er niet aan bod, zolang de grote meerderheid een houvast heeft.


Bron: W. VERRELST, Het vorstelijk absolutisme (reeks historische units), De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen-Amsterdam, 1974, blz. 1-2.



terug naar inhoudsopgave