HISTORISCHE TEKSTEN

 

 

Maarten Luther (1483-1546)

Rede op de Rijksdag te Worms (18 april 1521)

 

Gij ALLERDOORLUCHTIGSTE GROOTMOGENDE KEIZER, gij zeer illustere vorsten, gij zeer hoogmogende en hoogmogende edelen. Na de mij gisteravond gegeven bedenktijd en op de mij gestelde termijn verschijn ik gehoorzaam voor u en vraag bij de barmhartigheid Gods dat Uwe Keizerlijke Majesteit (naar ik hoop) deze zaak van recht en waarheid genadiglijk wil aanhoren, en mocht ik bij gebrek aan ervaring een van u niet met de hem toekomende titel bejegenen of in enig gebaar of gedrag zondigen tegen de passende gebruiken, dan verzoek ik u mij zulks genadiglijk te vergeven, daar ik niet ben opgevoed aan vorstenhoven, maar ben opgegroeid in de beslotenheid van het kloosterleven. Zodat ik van mijzelf niets anders kan zeggen dan dat ik tot nu toe met eenvoud van ziel heb geschreven en onderwezen, en op deze wereld niet anders gezocht heb dan de ere Gods en het onversneden onderwijs voor wie in Christus geloven.

Zeer grootmogende keizer, zeer hoogmogende keurvorsten, vorsten en edelen. Van de twee punten die mij gisteren zijn voorgelegd door Uwe Keizerlijke Majesteit en Uw Hoogmogendheden, te weten of ik de gewraakte en op mijn naam staande geschriften als de mijne erken en erachter blijf staan of ze wil herroepen, heb ik op het eerste punt al meteen kort en klaar geantwoord, namelijk dat deze boekjes inderdaad mijn werk zijn en onder mijn naam gepubliceerd, tenzij daar intussen bedrog of drogredenen in mochten zijn aangebracht of verkeerde uittreksels eruit vervaardigd door lieden die her slecht met mij voorhebben. Want ik sta alleen in voor wat mijn werk is, alleen door mij is geschreven, zonder tekst of uitleg door iemand anders.

En nu ik ook op het tweede punt antwoord moet geven verzoek ik U we Keizerlijke Majesteit zeer onderdanig om wel te overwegen dat mijn geschriften niet allemaal gelijksoortig zijn, immers, er zijn er ettelijke waarin ik het goede van geloof en zeden heel evangelisch en eenvoudig heb behandeld. Zodat ook mijn tegenstanders ze als nuttig en onschuldig erkennen en alleszins waardig om door christenen te worden gelezen. Ook de pauselijke bul, hoe gruwelijk en grimmig overigens op zichzelf, beschouwt enkele van mijn boeken als onschadelijk, ook al verdoemt deze bul ze in een absurd vonnis. Ste1 nu dat ik begon met die boeken te herroepen, wat deed ik dan anders dan moederziel alleen onder alle mensen die waarheid verdoemen die juist door vriend en vijand wordt beleden en mij als enige uitspreken tegen de gemeenschappelijke en eendrachtige belijdenis?

Het andere soort boeken van mij richt zich tegen het pausdom en tegen pauselijke voornemens en daden alsook tegen wie met hun door en door perverse leerstellingen en voorbeelden de christelijke wereld tot ellende van geest en lichaam hebben verwoest en verdorven. Dit nu kan geen mens loochenen of verhelen, daar de ervaringen van alle mensen en de klachten van menigeen kunnen getuigen dat pauselijke wetten en leerstellingen der mensen de gewetens van de christelijke gelovigen op een allerellendigste wijze hebben bezwaard, gemarteld en gepijnigd, ook voordat in deze zeer roemrijke Duitse landen have en goed door onvoorstelbare dwingelandij werden verzwolgen en uitgeput, en nadien steeds weer opnieuw verzwolgen. En in hun eigen decreten maken zij het voorbehoud dat wetten en leerstellingen van de paus, die in strijd zijn met het Evangelie of de leer der vaderen, op een dwaling berusten en ongeldig zijn. Stel dat ik deze boeken ook zou herroepen, dan zou ik niet anders doen dan deze dwingelandij versterken en voor een zo grote onchristelijke dreiging niet alleen de ramen, maar ook de deuren openzetten, zodat dit vrijer en verder zou kunnen woeden en schade toebrengen dan het zich totnogtoe heeft verstout en juist door het bekend worden van mijn herroeping dit alleronbeschaamdste en door geen straf goed te maken kwaad voor het arme volk volkomen ondraaglijk en er tevens door versterkt zou worden, temeer daar men dan zeggen kon dat dit geschiedt uit naam en macht van Uwe Keizerlijke Majesteit en het hele Roomse Rijk. Mijn goede God, wat zou ik dan voor uithangbord zijn van schande, kwaad en dwingelandij.

De derde soort behelst boeken die ik heb geschreven tegen ettelijke privé-personen met name tegen hen die de Roomse tirannie verkiezen te beschermen en de door mij onderwezen godsdienst te verdelgen. Ik erken dat ik tegen deze lieden feller tekeer ben gegaan dan het de christelijke aard en stand betaamt, want ik werp mij niet op als heilige, ik verdedig hier ook niet mijn eigen levenswandel, maar wel: de leer van Christus. Ook deze boeken kan ik echter niet herroepen en wel omdat uit herroeping weer dezelfde tegenspraak zou volgen dat hun tirannieke, wrede en barbaarse heerschappij dan zou kunnen blijven heersen en regeren door mijn bescherming, met mijn goedvinden en onder mijn stilzwijgen en zij het volk onbarmhartig zouden kunnen misbruiken met nog minder scrupules dan tot dusver. Maar juist omdat ik een mens ben en niet God, kan ik mijn geschriften door geen andere daad rechtvaardigen dan die waarmee mijn Heer Jezus Christus zijn eigen leer heeft gerechtvaardigd. Immers, toen hij voor Annas naar zijn leer gevraagd werd en door een dienaar op zijn wang werd geslagen, zei hij: ‘Heb ik kwaad gezegd? Bewijs dan dat het kwaad is.’ Als dus de Heer zelf, die wist dat hij niet kon dwalen, toch niet geweigerd heeft de mening te horen ook van de meest lafhartige knecht, hoeveel te meer moet ik, arm schepsel, die niet anders kan dan dwalen, moet ik wensen dat iemand tegen mijn leer zijn mening naar voren wil brengen. Daarom vraag ik u ook bij de barmhartigheid Gods dat Uwe Keizerlijke Majesteit of alle anderen onder de hoogsten of geringsten hun mening naar voren brengen en mijn fouten aantonen met woorden uit de boeken van het Evangelie of van de Profeten. Als men mij ze aanwijst zal ik ten zeerste bereid en gewillig zijn om alle dwalingen te herroepen en als allereerste mijn boeken in het vuur werpen.

Uit dit alles moge geloof ik duidelijk blijken dat ik voldoende heb nagedacht, gewikt en gewogen over de gevaren, de tweespalt, de beroering en de verontwaardiging die door mijn leer in de wereld zijn gekomen, iets wat mij gisteren nog met ernst en klem onder ogen is gebracht. Waarlijk, voor mij is het zeer verblijdend te zien dat uit het Goddelijk woord wanbegrip, partijzucht en tweedracht kunnen ontstaan, want dat is immers het lot van Gods woord. Zoals de Heer zelf zegt: ‘ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik ben gekomen om de mens op te zetten tegen zijn vader.’ Daarom is het goed te bedenken hoe wonderbaarlijk en schrikwekkend God is in zijn raadgevingen, zijn voornemens en zijn maatregelen en dat wij ons niet moeten laten afleiden door partijen en onenigheid, maar inzien dat, als wij het woord Gods veroordelen, er een zondvloed van oeverloze ellende uit voortkomt en dat wij er zorg voor dienen te dragen dat het bcwind van deze zeer vrome jongeling keizer Karel (in wie we naast God onze hoogste verwachtingen mogen stellen) niet ongelukzalig begint.

Ik zou vele voorbeelden uit de Heilige Schrift willen aanhalen - van de farao, van de koning van Babylon en de koningen van Israël - om aan te tonen dat zij hun tijd het meeste kwaad hebben berokkend door te proberen met o-zo-intelligente raad en maatregelen hun koninkrijken te kalmeren en te versterken. Want hij is degene die de arglistigen in hun eigen listigheid vangt en de bergen ondersteboven keert, voordat men beseft dat het enig noodzakelijke de vreze Gods is.

Ik zeg dit niet, omdat ik meen dat zo hoge heren mijn raad of vermaning zouden behoeven, maar omdat ik mijn eigen geboorte1and mijn diensten niet mag en niet wil onthouden. En hiermee beveel ik mij onderdanig aan Uwe Keizerlijke Majesteit en Genade aan en vraag u deemoedig niet te gedogen dat ik door uit afgunst geboren wanbegrip in ongenade word gestort.

Na deze woorden had ‘s Rijks woordvoerder (als degene die iemand wilde straffen) gezegd dat ik er omheen had gedraaid en dat het ook geen pas gaf om dingen die door het Concilie reeds besloten waren in twijfel te trekken. Daarom werd van mij een simpel, niet ‘vermomd’ antwoord verwacht op de vraag of ik wilde herroepen of niet. Want mocht ik om voornoemde redenen niet herroepen, dan zou Zijne Keizerlijke Majesteit genoodzaakt zijn mij net zo te behandelen als met Hus en anderen is gebeurd..

Nu Uwe Keizerlijke Majesteit en Uwe Hoogheden een eenvoudig antwoord wensen, geef ik een antwoord zonder talmen of omhaal, en wel zo: alleen getuigenissen van de Heilige Schrift of overtuigende bewijzen kunnen mij in het ongelijk stellen. Want ik geloof noch de paus, noch de concilies alleen, omdat het zonneklaar is dat zij zich herhaaldelijk hebben vergist en zichzelf hebben tegengesproken. Ik kan alleen overwonnen worden door de Heilige Schriften die ik heb aangehaald. En aangezien mijn geweten gevangen is in Gods woord, kan ik en wil ik niets herroepen, omdat het bezwaarlijk, onheilzaam en gevaarlijk is om tegen het geweten in te handelen.

(Officiaal: Martinus, zou je niets herroepen, dan zou men het goede en het kwade bij elkaar laten en gezamenlijk onderdrukken. Anders zou er ettelijks bij overblijven wat al lang geleden in de concilies verdoemd was. Zo zal daar nooit meer over gedisputeerd worden en jij zou niet getuigen dat de concilies gedwaald hebben.)

De concilies kunnen dwalen en hebben gedwaald, dat is zonneklaar en ik zal het bewijzen.

God moge mij te hulp komen.

Amen. Hier ben ik."

 


Bron: J.P. GUEPIN, Schokkende redevoeringen. Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam, 1990, blz. 248-252 (vertaling T. Duquesnoy)


terug naar inhoudsopgave